Advertentie
Banner-Mutsaers-1454×183 px

Nooit onttoverd geweest

Steeds meer jonge kunstenaars richten zich op het onzichtbare. In haar boek The Other Side laat Jennifer Higgie zien hoe vrouwen die zich bezighielden met spirituele kunst lang buiten beeld bleven in de kunstgeschiedenis. Kunsthistoricus Lieke Wijnia las het boek en legt uit dat de situatie in de kunstwereld inmiddels aan het veranderen is.

Besproken boeken

De begeleidende tekst bij de installatie Through Matter of Time (nu te zien in Stedelijk Museum Schiedam) van kunstenaar Morena Bamberger opent met een Bijbelcitaat uit Genesis 3:19 (NBV): ‘Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen: stof ben je, tot stof keer je terug.’ Bamberger creëert een duistere ruimte bevolkt door versteende matroesjkafiguren, die met hun handen bidden, bezweren of anderzijds gesticuleren. Ze vertolken Bambergers fascinatie voor de vraag wanneer materie leeft en wanneer niet meer. Wat doet tijd met materie? Zijn de versteende vrouwen onze tijdgenoten, of zijn ze van ver voor onze tijd? Zweef je ergens tussen hemel en aarde? Of bevind je je juist diep binnen in de aarde? Bamberger beschouwt de versteende vrouwen als krachtvoorwerpen, ze herbergen de energie van het materiaal waarvan ze gemaakt zijn en de energie die zij als kunstenaar heeft ervaren tijdens het maakproces. Eenmaal tentoongesteld, zijn ze bedoeld om bezoekers in hun energie te raken. Wanneer je de installatie binnenstapt, kan het zomaar zijn dat je even uit je evenwicht bent.

De andere zijde

Hoewel religie en spiritualiteit nooit helemaal verdwenen zijn als artistieke inspiratiebron, was het onderwerp lange tijd onzichtbaar in de moderne (westerse) kunstgeschiedenis, museale praktijk en kunstkritiek. En als het wel werd opgemerkt, werd het als kunst niet serieus genomen.

De combinatie van Bambergers spirituele benadering van kunst en de duiding met oude Bijbelse woorden, is tekenend voor de complexiteit van hoe er vandaag in het Westen wordt omgegaan met religie en spiritualiteit in de beeldende kunst. Ze brengt aspecten uit verschillende levensbeschouwelijke bronnen bij elkaar, waardoor ze elkaar in het nieuw gemaakte werk aanvullen en versterken. Hoewel religie en spiritualiteit nooit helemaal verdwenen zijn als artistieke inspiratiebron, was het onderwerp lange tijd onzichtbaar in de moderne (westerse) kunstgeschiedenis, museale praktijk en kunstkritiek. En als het wel werd opgemerkt, werd het als kunst niet serieus genomen. 

In The Other Side: A Journey into Women, Art and the Spirit World (2023) beschrijft kunsthistoricus Jennifer Higgie allerlei kunstenaars die zich bezighouden met spiritualisme, oftewel: die in contact staan met de geesteswereld. Mogelijke scepsis van de lezer haalt ze meteen onderuit. Door op een volstrekt open en wat twijfelende manier van haar eigen ervaringen met het bovennatuurlijke te getuigen, geeft ze ruimte aan allerlei verhalen die ze opdiept uit de moderne, vooral westerse kunst. Voor haar draait het niet om de vraag of de ervaringen waar zijn of verklaarbaar. Het gaat er juist om wat die ervaringen betekenen voor de kunstenaars, hoe ze tot uiting komen in hun werk, wat dat zegt over de tijd waarin ze leven en hoe de kunstwereld daarop reageert.

De door Jennifer Higgie besproken kunstenaars zijn niet alleen beschimpt of genegeerd omdat ze zich bezighouden met de geesteswereld, maar ook omdat ze vrouw zijn.

Dit laatste heeft Higgie’s bijzondere aandacht, omdat de door haar besproken kunstenaars niet alleen zijn beschimpt of genegeerd omdat ze zich bezighouden met de geesteswereld, maar ook omdat ze vrouw zijn. Enerzijds zorgt dit voor een dubbele achterstand omdat hun werk lange tijd niet werd beschreven of in musea tentoongesteld. Anderzijds vinden deze vrouwen elkaar door hun gedeelde interesse voor het bovennatuurlijke, en vormen ze gemeenschappen van gelijkgestemden. 

Verbeelding

Een fantastisch voorbeeld van een vroege spiritualistische kunstenaar is de Britse Georgiana Houghton (1814-1884). Na het verlies van een paar familieleden stortte ze zich op het spiritualisme. De dood veranderde voor haar van een definitief einde in een doorgang naar een hiernamaals, waarmee contact mogelijk was. Door het channelen van familieleden en engelen, maar ook van Renaissance-kunstenaars als Titiaan en Correggio, maakte ze uiterst dynamische aquarellen. Ze ogen abstract, maar zitten vol symboliek. Haar productiviteit was uitzonderlijk; tijdens haar trance kwamen de kunstwerken in hoog tempo tot stand via automatic drawing. In 1871, bij een tentoonstelling van haar werk, reageerden veel  critici negatief. Een enkeling die haar gunstiger gezind was, beschreef Houghtons kunst als dermate buitengewoon dat het bestaande kritische kader eigenlijk niet voldeed om het te beoordelen. De prijzen die ze voor haar werk vroeg waren aan de hoge kant, op advies van een van haar spirits. Ze verkocht slechts twee werken.

Telecommunicatie, fotografie en röntgentechnologie  sterkten de overtuiging dat er achter de zichtbare werkelijkheid nog andere werelden verborgen gingen.

De opkomst van het spiritualisme in de tweede helft van de negentiende eeuw verliep synchroon met die van de theosofie in Europa en Amerika. Deze spirituele beweging werd in 1875 opgericht in New York door de fabuleuze Russisch-Duitse Helena Blavatsky (1831-1891). Zij bracht allerlei levensbeschouwelijke, filosofische en wetenschappelijke inzichten bij elkaar, en meende zo tot de kern van alle religies te komen. Veel (vaak welgestelde) kunstenaars en intellectuelen voelden zich tot de theosofie aangetrokken, met haar focus op het energetische onzichtbare als fundament van de zichtbare werkelijkheid. Dit fundament kon alleen bereikt worden door geestelijke verlichting. Maar ook wetenschappelijke doorbraken bestendigden de interesse in het spiritualisme. De telecommunicatie van Samuel Morse zorgde ervoor dat boodschappen door de lucht leken te reizen. Fotografie speelde een belangrijke rol in het schijnbaar vastleggen van geestverschijningen op de gevoelige plaat. Röntgentechnologie toonde materie die voor het blote oog onzichtbaar was. Dergelijke ontdekkingen sterkten de overtuiging dat achter de zichtbare werkelijkheid nog andere werelden verborgen gingen. Omgekeerd waren ook veel wetenschappers geïnteresseerd in het spiritualisme. Mensen als Marie en Pierre Curie, Alfred Russell Wallace en William James bezochten met regelmaat seances. Nikola Tesla beweerde dat zijn ideeën in lichtflitsen tot hem kwamen en Thomas Edison experimenteerde met een telefoon die contact zou moeten leggen tussen de levenden en de doden. Een wetenschappelijke houding leek een fantasierijke blik op de wereld niet in de weg te staan. Dergelijke blikken hebben echter een betwiste plek in de wetenschapsgeschiedenis, net zoals het spiritualisme in de kunstgeschiedenis.  

(On)zichtbaarheid

Het voelt cru dat er lang geen oog was voor kunst die zich bezighoudt met het zichtbaar maken van het onzichtbare. De oorzaak traceert Higgie, iets te simplistisch naar mijn smaak, naar één invloedrijke gebeurtenis. In 1936 organiseert Alfred H. Barr de tentoonstelling Cubism and Abstract Art in het Museum of Modern Art in New York. Deze tentoonstelling rangschikt moderne kunstbewegingen, die in de voorafgaande decennia zijn ontstaan, in een lineaire ontwikkeling. Daarbij staat het formalisme voorop. Oppervlakte, lijn, vorm en kleur, dat is wat telt. Als spirituele interesses van kunstenaars al bekend zijn, worden ze afgedaan als dwalingen. Deze onttoverde benadering van de moderne kunst, waarin het aangezicht van abstracte kunst decennia de voorkeur geniet boven de inhoud, blijft tot in de jaren 1980 invloedrijk.

De mystieke krachten van het textiel. Installaties als sanctuaries, als dragers van heilige, beschermende energie.

Hoe anders is het nu. Sinds het begin van deze eeuw is spiritualiteit steeds meer aanwezig in de West-Europese beeldende kunstpraktijk, kunstkritiek en tentoonstellingen. Modernistische kunstenaars als Hilma af Klint, Agnes Pelton, Ithell Colquhoun en Olga Fröbe-Kapteyn krijgen tentoonstellingen en worden beschreven in publicaties. Higgie trekt de kunstenaars die ze bespreekt door tot in het heden en laat zo zien dat er eigenlijk niets nieuws is onder de zon. Hoewel de kunstgeschiedenis ons iets anders heeft doen geloven, is het maar de vraag of we ooit echt onttoverd zijn geweest. Sheila Hicks kent mystieke krachten toe aan het textiel waar ze mee werkt. Mrinalini Mukherjee en Liliane Lijn spreken over hun installaties als sanctuaries, als dragers van heilige, beschermende energie.  Waar Higgie een aanstekelijk boek vol intrigerende kunstenaars schreef, benoemt Lijn tegelijkertijd de paradoxale kern van de artistieke verhouding tot de geesteswereld. Uiteindelijk schieten woorden tekort. Dat is waarom deze kunstenaars kunst maken. Daarin volgen ze een niet te definiëren of voorspellen pad. Ze omarmen het toeval en laten zich leiden door onzichtbare krachten. En dat brengt me terug bij het werk van Morena Bamberger, in het Stedelijk Museum in Schiedam. Als telg van een jonge generatie talenten, begeeft ook zij zich consequent in een onvoorspelbare belevingswereld. Met haar werk vertaalt ze de energieën die zij ziet en ervaart naar materiële verschijningsvormen. Ze wijdt er het liefst zo weinig mogelijk woorden aan, haar werk moet worden ervaren. En dat gebeurt. In tegenstelling tot het lot van veel spiritualistische kunstenaars in de negentiende eeuw, wordt haar werk in ieder geval gezien.