Aards maar bevlogen. Mark Leenhouts en de Chinese literatuur
Dit jaar heeft Het Cultuurfonds besloten de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff 2025 toe te kennen aan vertaler Mark Leenhouts voor zijn vertalingen uit het Chinees. ‘Leeskunst, een ongebreideld plezier in taal en een rijke levenservaring strijden om voorrang. Er spreekt vooral een diepe menselijkheid uit die teksten, van iemand die de wereld heeft gezien en weet wat mensen voor elkaar kunnen betekenen en wat ze elkaar kunnen aandoen.’
Al jaren stond Mark Leenhouts op de radar van de jury van de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff. Bijna elke nieuwe vertaling van zijn hand werd opgemerkt en vormde aanleiding voor glanzende en gloedvolle rapporten. Vanaf het begin – midden jaren negentig – was de toon van die geschriften bijna wat verbaasd, alsof het iets wonderbaarlijks was dat de toen nog jonge vertaler zo veel taalgevoel tentoonspreidde. Niet alleen zijn kennis van de Chinese taal en cultuur werd toen al geprezen en als ‘meesterlijk’ bestempeld, maar ook zijn beheersing van het Nederlands werd als hoogst bijzonder beoordeeld: ‘innovatief’, ‘rijk’ en ‘speels’.
Oude professoren en jonge vakgenoten zwaaiden hem eensgezind en opmerkelijk genereus lof toe. In die leeservaringen van specialisten van de Chinese taal en collega-vertalers uit andere talen klinkt door de jaren heen ook iets van ontzag door. Het zegt onmiskenbaar iets over de bijzondere vermogens van onze laureaat, het laat tevens zien dat de taal van het grote China in ons land een kleine en vreemde taal is die in het verleden maar door enkelen grondig en met levenslange toewijding is geëxploreerd. Wie de vertaalcarrière en het vertaaloeuvre van Mark Leenhouts in ogenschouw neemt, en vooral ook de manier waarop hij de Chinese literatuur van allerlei tijden en perioden ontsluit, begrijpt hoe terecht het is dat hem vandaag de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff 2025 wordt uitgereikt.
Al vroeg in zijn loopbaan werd Mark Leenhouts als een pleitbezorger van het Chinees beschouwd, maar wat in zijn uitverkiezing in hoge mate meeweegt, is dat hij evengoed een pleitbezorger van het Nederlands kan worden genoemd.
Al vroeg in zijn loopbaan werd Mark Leenhouts als een pleitbezorger van het Chinees beschouwd, maar wat in zijn uitverkiezing in hoge mate meeweegt, is dat hij evengoed een pleitbezorger van het Nederlands kan worden genoemd. Met de uitreiking van de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff vandaag vieren we daarom twee talen en een vertaler die die beide talen tot in de verste uithoeken onderzoekt en in alle registers leven inblaast. Dat is wel ongeveer de samenvatting van de rapporten en leeservaringen die achtereenvolgende jury’s van deze prijs gedurende bijna dertig jaar onder ogen hebben gehad.
De academie, de straat en de kroeg
Mark Leenhouts studeerde Talen en culturen van China in Leiden en bekwaamde zich vervolgens verder aan Université Paris 7 en aan de Nankai Universiteit van Tianjin. Daar, in die havenstad aan het begin van de jaren negentig, raakte hij werkelijk ondergedompeld in de Chinese cultuur, in een nog heel andere tijd en in een heel andere fase van ontwikkeling van de Chinese samenleving dan nu. Als ambitieuze sinoloog uit het Westen kon hij zich daarin slechts vrij bewegen door zowel de taal van de academie en de klassieken als die van de straat en de kroeg tot in de finesses te doorgronden. Het verklaart waarom hij later voor het Nederlands Letterenfonds zo veel deuren in China kon openen en zelf zo vanzelfsprekend toegang kreeg tot de schrijvers die hij begon te vertalen. Met velen van hen sprak hij persoonlijk en bouwde hij een relatie op, ook als dat door de praktijk van de politiek lastig was. Dit is terug te zien in de vaak zeer onderhoudende en leerzame nawoorden die hij bij een flink aantal van zijn vertalingen schreef.
Leeskunst, een ongebreideld plezier in taal en een rijke levenservaring strijden daarin om voorrang. Er spreekt vooral een diepe menselijkheid uit die teksten, van iemand die de wereld heeft gezien en weet wat mensen voor elkaar kunnen betekenen en wat ze elkaar kunnen aandoen.
Voor het echter zover was, moest er worden gewerkt, en zoals bij zo veel vertalers laat het curriculum vitae van Mark Leenhouts een reeks van rollen, functies en werkzaamheden zien. Het is wat oneerbiedig gezegd economisch en idealistisch sprokkelwerk, maar wel met een visie waarin de Chinese taal en literatuur altijd centraal staan. Leenhouts doceerde Chinese Taal en Cultuur in Leiden (1998–2004), hij schrijft sinds 2000 over de Chinese letteren voor de Volkskrant, hij droeg bij aan vertaalworkshops en talrijke tijdschriften, hij engageerde zich in verschillende functies voor het Nederlands Letterenfonds, hij was medeoprichter en redacteur van het tijdschrift voor Chinese literatuur Het trage vuur (1995–2009), om maar enkele werkzaamheden te noemen. Ook schreef hij het overzichtswerk Chinese literatuur van nu. Aards maar bevlogen (2008). Deze opmerkelijke titel roept een hele wereld op en is welgekozen voor de twintigste-eeuwse stromingen en schrijvers die hij bespreekt. De titel is tegelijkertijd de perfecte synthese van zijn eigen levenshouding – want zoals zo vaak is een portret eigenlijk ook een zelfportret. Aards en bevlogen, zou de jury van de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff willen zeggen, daarmee is het arbeidsethos van Mark Leenhouts wel getroffen, als pleitbezorger en bruggenbouwer, en vooral in de hoogste mate als grondig en spiritueel vertaler.
Sinds 1996 vertaalde Leenhouts veertien romans en tientallen verhalen en essays voor een reeks van publicaties en tijdschriften. Veertien romans in bijna dertig jaar zou een gering aantal kunnen lijken in vergelijking met menig ander vertaler. Wie echter serieus studie maakt van het vertaaloeuvre van Leenhouts, komt tot de ontdekking dat veel van de werken die hij vertaalde zich onderscheiden door hun bijzondere kwaliteit en moeilijkheidsgraad en hun belang in de Chinese literaire geschiedenis. De meeste van de werken zijn hoogst origineel en gedurfd, op geen ander werk gelijkend, en vaak subtiel spelend met de (ideologische) grenzen die in verschillende tijden aan literaire expressie werden gesteld. Gedisciplineerd onderzoek, steeds opnieuw, en de ontwikkeling van een grote fijngevoeligheid zijn dan essentiële voorwaarden om tot een geslaagde vertaling te komen.
Veelheid aan disciplines
Aan de vertaling van de roman De droom van de rode kamer, een klassieker waarvan elke Chinees wel vormen kent (boek, theater of film), werkte hij meer dan tien jaar met uiterste toewijding samen met Anne Sytske Keijser en Silvia Marijnissen. Hun ambitie dit zeer omvangrijke, meer dan tweeduizend pagina’s tellende achttiende-eeuwse werk in het Nederlands te laten verschijnen, moet de vertalers soms de droom van de droom van de rode kamer hebben geleken. In 2021 verscheen de roman dan toch in vier schitterende delen, fantastisch uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep. De roman is als een meeslepende soapopera en tegelijk als een encyclopedie van de Chinese cultuur door de eeuwen heen. Om die te kunnen vertalen is volgens Wilt Idema, de enige sinoloog en vertaler uit het Chinees die Mark Leenhouts voorging als laureaat van de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff (1992), een heel scala aan talenten en vaardigheden nodig. Om te beginnen moet de vertaler een grondige kennis bezitten van het Mandarijn in al zijn registers uit het midden van de achttiende eeuw. Aangezien de auteur Cao Xueqin duidelijk een voortreffelijke klassieke opleiding heeft genoten, is een grondige kennis van het klassieke Chinees evenzeer noodzakelijk. De roman laat een zeer brede kennis van de Chinese cultuur in al zijn facetten zien (muziek, kalligrafie, poëzie), alsmede een gedetailleerde kennis van de materiële cultuur van die dagen (voorwerpen, stoffen, kledingstukken, instrumenten, meubels). De roman vertalen was daarom als een dagelijkse studie in een veelheid van disciplines, terwijl tegelijkertijd de talrijke verwijzingen naar andere klassieke teksten moesten worden opgemerkt en geduid. Dat de vertaling behalve zorgvuldig ook zo levendig, poëtisch en speels is geworden, is in de hoogste mate te prijzen.
Van de hand van Wilt Idema, nu emeritus hoogleraar aan de universiteiten van Leiden en Harvard, zijn verschillende (vroege) rapporten over het vertaalwerk van Leenhouts. Die lezend ziet de jury een even kritisch-onderzoekend als welwillend oog, en vanaf het begin waardering voor de veelzijdigheid die Leenhouts als vertaler toont. Zo is er bewondering voor zijn kennis van de verschuivingen in de Chinese literaire taal door de tijd heen, en speciaal van de grote veranderingen nog in die lange door politieke roeringen bepaalde twintigste eeuw. Dit geldt voor grammatica, idioom, stijlfiguren en toespelingen, en Leenhouts blijkt zich daarvan als geen ander bewust.
Ongrijpbaarheid
In 2005 promoveerde Mark Leenhouts aan de universiteit van Leiden op een proefschrift over de schrijver Han Shaogong, een uiterst verfijnd auteur van wie hij op dat moment al drie werken had vertaald. Nu is Han Shaogong (1953) wereldberoemd en gelauwerd, destijds was dat nog niet het geval. Idema vermeldt in een van zijn rapporten dat Han Shaogong een van de belangrijkste vertegenwoordigers is van de Xungen yundong (de beweging van het zoeken naar de wortels). ‘Schrijvers die hiertoe behoorden,’ schrijft hij, ‘zochten na de verwoesting van de Chinese cultuur tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) naar authentieke wortels van de Chinese beschaving in afgelegen plattelandssamenlevingen die in meer of mindere mate onder het vernis van de communistische cultuur toch elementen van de oorspronkelijke Chinese cultuur hadden bewaard. Han Shaogong combineerde in zijn werk de beschrijving van het “primitieve” platteland met de Maoïstische “newspeak” die aan vrijwel alle woorden een andere betekenis had gegeven.’
Han Shaogong wijkt dus af van het in die jaren gangbare sociaalrealisme en concentreert zich op de ongrijpbaarheid en de macht van de taal. Hem vertalen is daarom een bijzondere opdracht waarbij als het ware een gevecht van botsende talen in de eigen taal moet worden gevangen. Dit geldt in het bijzonder voor de roman Woordenboek van Maqiao (1996). ‘Al naar gelang het onderwerp wisselt het taalgebruik van semiwetenschappelijk en essayistisch tot platvloers en schunnig, en van uiterst verheven en gekunsteld tot lyrisch en poëtisch,’ schrijft Idema. Hij concludeert dat Leenhouts zich op voortreffelijke wijze ‘van deze helse klus’ heeft gekweten.
Eén onderwerp in zijn analyse trof de jury speciaal. Zo staat Han Shaogong stil bij woorden die in het dorp Maqiao in het standaard moderne taalgebruik een geheel eigen betekenis hebben gekregen, zoals ‘wetenschappelijk’, dat wordt verstaan als ‘lui’. Een steeds luidere echo hiervan zien we helaas in onze eigen tijd, niet in de verbeelding van een ver dorp als Maqiao, maar heel concreet en dichtbij in de aanval, ook in westerse culturen, op de wetenschap en de academische studie. Han Shaogong maakt ons er des te sterker van bewust waartoe polarisatie en vijanddenken kunnen leiden.
Sfeer van melancholie
Alle rapporteurs, zonder één uitzondering, tonen zich door de jaren heen onder de indruk van Leenhouts vertaalkwaliteiten, waarbij nu eens wordt ingezoomd op zijn grote gevoeligheid voor de gelaagdheid van het Chinees en dan weer op het levendige en leesbare Nederlands dat hij schrijft. Over zijn vertaling van de roman Jongens van glas (2006) van Pai Hsien-yung wordt door professor Sybesma opgemerkt dat hij ‘zeer goed de sfeer van melancholie heeft weergegeven’. De analyse die hij daaraan wijdt is uiterst boeiend. Sybesma merkt op dat Leenhouts de oorspronkelijke tekst trouw volgt, ‘maar niet woord voor woord of zelfs woordgroep voor woordgroep of zin voor zin. De vertaler laat duidelijk steeds een aantal zinnen op zich inwerken om die vervolgens in het Nederlands op te schrijven zoals we dat in het Nederlands zouden doen. Wat de vertaler veel doet (en wat we als zijn strategie zouden kunnen zien, of hij het nu bewust doet of niet) is de nodige betekeniselementen op een andere manier over de passages verdelen dan in het origineel gedaan is. Hierdoor stelt hij zichzelf in staat een goede Nederlandse tekst te maken zonder veel betekenis te verliezen.’
Sybesma geeft een reeks voorbeelden van geslaagde vertaalde passages in Jongens van glas, waarmee hij tevens laat zien voor welke problemen een vertaler uit het Chinees wordt gesteld, en welk een meesterschap ervoor nodig is om tot een werkende en levende vertaling te komen. ‘Op p. 57 van de Chinese tekst,’ schrijft Sybesma, ‘gaat het over een jongen die graag leest maar van zijn stiefmoeder, een speelster, niet thuis mag lezen. De reden voor haar verbod is dat het Chinese woord voor “boek” net zo klinkt als het Chinese woord voor “verliezen”: als hij “boeken” in huis haalt, denkt zij, “verliest” zij; door de “boeken” uit te bannen, hoopt ze ook de “verliezen” buiten de deur te houden. Dit is natuurlijk niet te vertalen. “Ik mag geen boeken lezen, omdat zij dan zal verliezen” zou helemaal nergens op slaan. Leenhouts vertaalt: “Al die letters die ik lees zijn niet goed voor haar cijfers, zegt ze.” Goed bedacht,’ besluit Sybesma zijn analyse.
Begrijpelijke keuzes
Het meest recente rapport betreft Leenhouts laatste vertaling uit 2023 van de meer dan 700 pagina’s tellende roman die als een van de moderne Chinese meesterwerken geldt: Notities van een theoreticus van Shi Tiesheng. Rapporteur Fresco Sam-Sin noemt Shi Tiesheng ‘een literaire gigant’ en stelt: ‘Shi schrijft kraakhelder hedendaags standaard Chinees, met uitzonderlijke finesse, in weloverwogen volzinnen (vaak ongebruikelijk lang voor het Chinees), met een maximale reikwijdte in zowel woordenschat als verbeeldingskracht.’
Ideofonen roepen heel direct geluid, textuur, gevoel of beeld op. De onomatopee is voor ons het bekendste voorbeeld.
Volgens Fresco Sam-Sin blijft Leenhouts ‘bewonderenswaardig dicht bij het origineel’ dat wordt geschetst als schrijftalig, literair, filosofisch en lyrisch. Tegelijkertijd schrijft Leenhouts ‘schitterend Nederlands’ dat ook door de jury als intens levend en oorspronkelijk wordt ervaren. Ook deze rapporteur geeft een reeks voorbeelden van bijzondere vertaalvondsten die zo kenmerkend zijn voor onze laureaat. Hij schrijft: ‘Tot de schilderachtigste woordklassen (in het Chinees) horen de ideofonen. Ideofonen roepen heel direct geluid, textuur, gevoel of beeld op. De onomatopee is voor ons het bekendste voorbeeld. Het Chinees is rijk aan ideofonen en ze vormen een uitdaging voor een Nederlandse vertaler.
Waar het gebruik van ideofonen in het Chinees tot een kunst verheven is, zouden ideofonische vertalingen in het Nederlands immers kinderachtig overkomen. Op pagina 444 staat de idiofoon 嘎 吱 gazhi ‘krak-piep’ in verdubbeling: 嘎 吱 嘎 吱 ‘krak-piep krak-piep’. 不 信你们 自 己 去听听 ,一 张 老 木 床 嘎 吱 嘎 吱响 得 就 像 新 婚 之 夜 . Leenhouts vertaalt: ‘Ga zelf maar luisteren als je het niet gelooft, het is een oud bed dat piept en kraakt alsof het hun huwelijksnacht is.” Als Leenhouts “het is een oud bed dat krak-piep krak-piep doet” zou hebben vertaald, dan zou dat voor een Nederlander flink opvallen. Leenhouts maakt hier een begrijpelijke keuze.’
Het zijn treffende analyses die een indruk geven van de finesses van het vak van de vertaler, en van de moeilijkheden en problemen waarvoor een vertaler uit het Chinees zich gesteld ziet. Wie echter werkelijk wil weten hoe knap en rijk, hoe ongedwongen en geestig, hoe klassiek en hedendaags het Chinees van Mark Leenhouts is, zou net als destijds de medewerkers van het Nederlands Letterenfonds eens een tochtje met hem moeten maken in een taxi in Peking, Tianjin of Shanghai, of nog liever in een van de immense provinciesteden Guilin of Jinan. Dit gebeurde veelvuldig in het eerste decennium van deze eeuw, culminerend in de grootse presentatie van meer dan dertig Nederlandse auteurs op de Boekenbeurs van Beijing in 2011. Het was in de jaren dat China zich leek te openen voor westerse culturen. Samen met Fransen, Amerikanen en Duitsers ontgon het Nederlands Letterenfonds de markt. Tientallen Nederlandse werken verschenen die jaren in het Chinees, en omgekeerd groeide de belangstelling van Nederlandse uitgevers voor literatuur uit het Chinees. Mark Leenhouts was jarenlang de verbindingsofficier, de gids en wegbereider voor het Nederlands Letterenfonds, kundig, briljant en bescheiden.
Dit moet een fabel zijn uit een vervlogen tijdperk. Verstaat hij werkelijk wat die man allemaal zegt? Komt het echt uit die mond? Ja, hij kan alles verstaan, sterker nog: geen Chinees praat zo fraai als hij.
Zo ging het ongeveer, zo’n tochtje met een taxi: de taxichauffeur kijkt de vreemdelingen aanvankelijk met enig wantrouwen aan, wat moeten die reuzen in zijn auto, weten ze wel waar ze heen willen? Dit moet hem weer overkomen, een invasie uit het westen. Een van de mannen met zo’n grote neus gaat ook nog eens naast hem zitten terwijl de achterbank in beslag wordt genomen door de andere kerels. Dan begint de man die naast hem zit te spreken. Eerst kan hij het niet geloven. Dit moet een fabel zijn uit een vervlogen tijdperk. Verstaat hij werkelijk wat die man allemaal zegt? Komt het echt uit die mond? Ja, hij kan alles verstaan, sterker nog: geen Chinees praat zo fraai als hij. De verwondering van de taxichauffeur slaat om in blijdschap. Hij is gered, hier komen geen moeilijkheden van. Algauw slaat hij van plezier op zijn stuur als het gesprek losjes alle kanten opgaat, de vreemdeling grapjes maakt, de wereld plotseling openligt. Met heel zijn lijf geeft hij zich over aan het gesprek. De vreemdeling is geen vreemdeling meer.
Met overtuiging en plezier, vanwege zijn brille en toewijding aan de taal, reiken wij de Cultuurfonds Vertaalprijs Martinus Nijhoff 2025 uit aan Mark Leenhouts.
De jury bestaat uit: Stella Linn, Marjoleine de Vos, Eric Metz, Jan Willem Bos, Hisham Hamad en Henk Pröpper (vz).