Niet weten, niet willen weten, niet willen dat anderen weten
Hoeveel moet je weten om te weten hoeveel je niet weet? Historici Peter Burke en Mark Lilla bogen zich over het fenomeen van de onwetendheid en pakten dat ieder op hun eigen manier systematisch aan. Rineke van Daalen concludeert uit hun boeken dat de studie naar onwetendheid inzicht kan bieden in de dynamiek van sociale relaties, politiek, en uiteraard macht.
Besproken boeken
Volgens de Engelse historicus Peter Burke is zich sinds een jaar of dertig een nieuw onderzoeksgebied aan het ontwikkelen: de studie van onwetendheid. Burke kent het veld. Hij schreef A Social History of Knowledge (2000, 2012) en in 2023 verscheen zijn Ignorance: A Global History. Hij ziet kennis en onwetendheid als sociale creaties, die zich in relatie tot elkaar ontwikkelen en die ook in relatie tot elkaar moeten worden bekeken, in iedere samenleving en in ieder tijdperk. Elke vorm van kennis heeft een vorm van onwetendheid als complementaire tegenhanger. Ieder mens beschikt over een karakteristiek kennisrepertoire, met een specifieke combinatie van weten en niet-weten.
Peter Burke definieert onwetendheid als afwezigheid van kennis. Dat klinkt bedrieglijk eenvoudig, maar kennis en onwetendheid zijn nogal ongrijpbare sociale fenomenen.
Burke definieert onwetendheid als afwezigheid van kennis. Dat klinkt bedrieglijk eenvoudig, maar kennis en onwetendheid zijn nogal ongrijpbare sociale fenomenen. In het gangbare taalgebruik krijgen beide begrippen een enkelvoudige formulering, maar Burke vindt dat het meervoud meer recht doet aan hun grote verscheidenheid. Hij spreekt daarom liever over knowledges en ignorances. Hoe mensen zich in deze wereld oriënteren, wat ze wel en niet weten, en welke vorm hun weten aanneemt bestrijkt een breed en gedifferentieerd gebied. Burke geeft geen abstracte definities van knowledges en ignorances, maar in plaats daarvan brengt hij de empirische variaties in kaart. Achter in zijn boek heeft hij een lijst met bijna zestig soorten onwetendheid opgenomen die een beeld geven van die variatie. Bovendien zijn de knowledges, de ignorances en hun onderlinge relatie steeds in verandering. Nieuwe ontdekkingen kunnen leiden tot nieuwe vormen van onwetendheid. Bestaande kennis kan achterhaald raken of helemaal verdwijnen. De invoering van een nieuw curriculum in het onderwijs kan bijvoorbeeld leiden tot het verlies van eerder bestaande kennis. Zo weten kinderen die les krijgen in de wereldgeschiedenis minder van de lokale geschiedenis dan hun ouders wisten.
Onwetendheid mag dan een weerbarstig onderwerp zijn, de gevolgen ervan kunnen dermate rampzalig zijn dat Burke geen enkele twijfel heeft over de noodzaak van meer kennis over onwetendheid. Juist nu zijn er veel redenen om onderzoek te doen naar niet-weten, niet-willen-weten en niet-willen-dat-anderen-weten. Burke noemt wereldleiders zoals Donald Trump of Jair Bolsonaro, die een spectaculaire en gevaarlijke onwetendheid combineren met arrogantie en die te weinig weten van epidemieën of klimaatverandering om adequaat te kunnen ingrijpen. Maar niet alleen de onwetendheid van wereldleiders is gevaarlijk, ook het gebruik van sociale media leidt ertoe dat mensen uit alle lagen van de bevolking in aanraking komen met halve waarheden, nepnieuws, samenzweringstheorieën en twijfel over wetenschappelijke kennis. Meer kennis is daarom meer dan ooit noodzakelijk, maar in verschillende westerse landen doen zich juist nu tegenbewegingen voor. Er zijn bezuinigingen op onderwijs, censuur op wetenschappelijk onderzoek en machthebbers die de waarheid verdacht maken. De wil om te weten staat onder druk en mensen die anderen kennis willen onthouden krijgen hun kans.
Onwetendheid mag dan een weerbarstig onderwerp zijn, de gevolgen ervan kunnen dermate rampzalig zijn dat Burke geen enkele twijfel heeft over de noodzaak van meer kennis over onwetendheid.
Sommigen reageren op deze ontwikkelingen met een vlucht naar voren, zoals Steven Pinker met zijn Enlightenment Now: The Case for Reason, Science, Humanism, and Progress (2019). Pinker maakt zich er zorgen over dat de idealen van de Verlichting sleets zijn geworden en verzet zich tegen pessimisme over de richting waarin de wereld zich zou bewegen. Om de idealen weer glans te geven wijst Pinker – zoals hij al decennialang en op meerdere fora doet – op de vooruitgang, zoals de stijging van de gemiddelde levensverwachting en de daling van zuigelingensterfte. Hij verdedigt het idee dat we de toestand waarin de mensheid verkeert beter kunnen begrijpen door de wereld te onderzoeken en te begrijpen.
Anderen reageren door zich af te vragen hoe het komt dat de idealen van de Verlichting minder enthousiasme teweegbrengen. Zij verschuiven hun aandacht en zoeken naar nieuwe invalshoeken die beter aansluiten bij het toegenomen wantrouwen tegenover wetenschap en politiek. Hoe zijn die ontwikkelingen te verklaren en te begrijpen? Het onderzoeken van onwetendheid is een van die nieuwe invalshoeken. Hoe werkt onwetendheid? ‘Who is Ignorant of What, When, Where and with What consequences?’ Dat is een eerste vraag die Burke zich stelt. Daarnaast is hij ook geïnteresseerd in de manieren waarop individuen en groepen kennis voor anderen en voor zichzelf trachten te verbergen en te verdraaien, en dan doet zich een tweede vraag voor: ‘Who wants Whom not to know What, and for What Reasons?’ En dan volgen nog meer vragen: wie heeft de mogelijkheden en de middelen om anderen van kennis uit te sluiten en wat zijn daarvan de gevolgen? Wat mensen leren en wat ze niet leren, wat ze voor anderen moedwillig verbergen of verdraaien, is gebonden aan de verhoudingen waarin ze leven, en Burke brengt gescheiden kenniscircuits in verband met machtsverschillen. De onwetendheid van sommigen kan een machtsbron zijn voor anderen die wel op de hoogte zijn.
Westerlingen wisten weinig
Peter Burke ziet de studie van onwetendheid als een tamelijk onontgonnen terrein. Als onderwerp heeft het iets ongrijpbaars. Een kaart van het onbekende kan als een tegenstrijdigheid klinken, zo schrijft Burke, maar hij vindt het onderwerp te belangrijk om zich daardoor te laten afschrikken. Hij presenteert zijn boek bescheiden, als niet meer dan een proloog op toekomstig onderzoek. Hij wil erkenning voor het onderzoeksveld en hoopt toekomstige onderzoekers enthousiast te maken voor het schrijven van een omvattende geschiedenis van onwetendheid. Hij hoopt dat ze zelf met zijn ideeën en hypotheses aan de slag zullen gaan. Zijn onderzoek is slechts een begin, een verkenning van een complex en uitgestrekt onderzoeksveld, met een reikwijdte die om een multidisciplinaire benadering vraagt.
Burkes onderzoek gaat voornamelijk over het Westen, en zijn onderzoeksperiode bestrijkt de afgelopen vijfhonderd jaar. Die lange periode maakt het hem mogelijk om verschijnselen zoals desinformatie ook in het verleden te onderzoeken. Hij baseert zich op een grote variatie aan secundaire bronnen, en bovenal is hij een onvermoeibare verzamelaar van empirisch materiaal. Burke onderzoekt de rol van onwetendheid in de geografie, psychologie, sociologie en religie, maar willekeurig gekozen voorbeelden illustreren dat hij zijn netten nog veel verder uitgooit. Zo behandelt hij de verbazing en bezorgdheid over historische of geografische ongeletterdheid in verschillende perioden en op verschillende plaatsen. Westerlingen wisten weinig van China, van de geografie, de geschiedenis, de taal, het schrift, de kunstuitingen. Omgekeerd was China tussen de zestiende en de achttiende eeuw een gesloten land met weinig belangstelling voor de buitenwereld. Dat veranderde in de negentiende eeuw, toen China het Westen als dreiging ging zien en er daarom meer over wilde weten. Maar Burke is evenzeer geïnteresseerd in de achttiende-eeuwse maatschappijen die in verschillende landen in Europa werden opgericht om de onwetendheid van boeren te bestrijden en zo de landbouw te verbeteren. Ook onderzoekt hij hoe verschillende militaire nederlagen het gevolg waren van onwetendheid, van een gebrek aan technologische of historische kennis, soms in combinatie met een overschatting van de eigen vermogens – denk aan de inval van Napoleon in Rusland in 1812, of die van Hitler in 1941. Om de onwetendheid van laatmoderne heersers te illustreren geeft Burke een lange opsomming, variërend van Nikita Chroesjtsjov tot verschillende Britse premiers, Woodrow Wilson en anderen. Ook onze tijdgenoten Trump en Bolsonaro krijgen daarin een plaats. Ze ontkennen het bestaan van het coronavirus en doen klimaatverandering af als bedrog.
Sociale en psychische obstakels
Burkes Ignorance: A Global History is een inventariserend boek. Het is degelijk, nauwkeurig, systematisch en erudiet. Inderdaad, een handreiking aan latere onderzoekers. Het heeft het karakter van een naslagwerk. Dat geldt niet voor Mark Lilla’s Ignorance and Bliss: On Wanting Not to Know (2024), dat een jaar later verscheen. Lilla is niet geïnteresseerd in de erkenning van onwetendheidsstudies als een nieuw onderzoeksveld, noch in een brede verkenning van het gebied. Afgaande op zijn verwijzingen heeft hij Burke niet gelezen. Hij ziet zijn essaybundel als een avontuurlijke onderneming, maar hij is minder bescheiden dan Burke en gaat losser te werk. Hij bespreekt één specifiek en intrigerend thema uit het onafzienbare veld van de onwetendheid en daarop vestigt hij al zijn aandacht.
Zijn fascinatie komt tot uitdrukking in de ondertitel van zijn boek: On Wanting Not to Know. De emotionele sturing van nieuwsgierigheid, daar gaat het hem om, de psychische weerstanden die mensen ondervinden bij het zoeken naar waarheid. Lilla probeert de innerlijke strijd die mensen met hun eigen nieuwsgierigheid voeren te begrijpen door producten van de menselijke verbeelding te bestuderen. Hoe hebben mensen het thema van niet-willen-weten bewerkt, in mythen en religieuze voorstellingen, in poëzie en toneelstukken? De grot van Plato leent zich daartoe, het verhaal van Oedipus.
Wie heeft de mogelijkheden en de middelen om anderen van kennis uit te sluiten en wat zijn daarvan de gevolgen?
Het werk van Burke en Lilla heeft belangrijke raakvlakken. Beiden vinden kennis beter dan onwetendheid. Beiden zijn voorstanders van de wetenschappelijke disciplinering van het denken. Ze zien dat de mensheid daardoor ver is gekomen, en dat onwetendheid meer negatieve dan positieve gevolgen heeft gehad. Maar ze zijn niet optimistisch over de mogelijkheden om niet-willen-weten te doen verdwijnen, geen van beiden ziet één opwaartse lineaire ontwikkeling van onwetendheid naar wetendheid. Niet-willen-weten zien ze niet als een tekort waarmee in een moderne samenleving zo snel mogelijk moet – en kan – worden afgerekend. Die visie is bijvoorbeeld te vinden in het Beveridge Rapport dat in 1942 werd gepubliceerd en uiteindelijk de grondslag vormde voor de sociaaldemocratische verzorgingsstaat in het Verenigd Koninkrijk. In dat rapport stond onwetendheid op één lijn met andere verschijnselen die bestreden moesten worden, zoals ziekte, oorlog en armoede. Vanuit dat perspectief hoorde niet-weten bij domheid, bijgeloof en achterlijkheid, en willen-weten bij vooruitgang. Maar die tweedeling heeft aan zeggingskracht verloren, zeker nu het juist de moderne technologie is die op grote schaal onzekerheid teweegbrengt en die de verspreiding van onwetendheid, leugens en bedrog qua schaal en tempo heeft bevorderd. En dan hebben Burke en Lilla het nog niet eens over de razendsnelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie.
Als collectief weet de mensheid meer dan vroeger, maar het is de vraag of individuele mensen meer weten dan hun voorouders. Mensen weten andere dingen, ze zijn zich meer bewust van onwetendheid in het verleden, en ze zijn in staat om steeds nieuwe en diepere vragen te stellen. Burke noemt ze ‘intelligent onwetend’, maar tegelijkertijd blijken ze ook behoudend te zijn, en lang gekoesterde overtuigingen niet graag te laten vallen. Ze zijn minder moedig en open-minded dan ze zelf denken en zouden willen, en dat geldt voor iedereen, meer of minder intelligent, meer of minder ontwikkeld. Voor sommige kennis staan ze wel open, voor andere sluiten ze zich juist af. Ze kunnen zich niet aan selectieve perceptie onttrekken. Dit menselijke onvermogen heeft iets verontrustends, en het maakt arrogantie tegenover mensen die minder weten of die er andere vormen van kennis en onwetendheid op nahouden misplaatst.
Lilla benadert niet-willen-weten psychologisch en psychoanalytisch. Hij richt zich op innerlijke worstelingen en laat bijvoorbeeld zien hoe de angst dat je dingen ontdekt die je liever verborgen had willen houden een belemmering kan vormen voor nieuwsgierigheid naar jezelf of naar de wereld. Uit zijn onderzoek kun je een soort archetypen distilleren, waarvan er een paar wonderwel in het hedendaagse populistische universum passen. Zoals de ‘misologen’, cynici die teleurgesteld zijn over eerdere zoektochten naar kennis en die zich daarom afsluiten voor argumenten en logisch redeneren. Of de ‘uitverkorenen’ die menselijke kennis en wereldse wijsheid achter zich hebben gelaten en denken dat ze daardoor eerder dan anderen de waarheid kunnen doorzien, die zalige onwetendheid als ideaal zien en de spot drijven met zogenaamd wetenschappelijke kennis. Of de ‘nostalgici’, eveneens vertrouwde personages in het hedendaagse politieke landschap. Zij kunnen het niet verkroppen dat de tijd onherroepelijk verstrijkt en dat de ontwikkeling die zijzelf en de samenleving doormaken onomkeerbaar is. Hun verlangen naar de wereld van vroeger vormt een hindernis voor kennisverwerving in het hier en nu. Deze nostalgici flansen een brokkelig en rooskleurig verleden in elkaar en creëren zo episodes waarin de wereld eenvoudiger was en waarin zijzelf krachtiger en gelukkiger waren. Het zijn sentimenten die zichzelf versterken. Hoe meer de nostalgici dromen over een wereld die ze kwijt zijn geraakt, des te somberder schilderen ze het heden af. Ze verlangen naar vroeger en dat belemmert hen om het heden te onderzoeken. Ook bij hen speelt teleurstelling een rol, ditmaal over wat de modernisering heeft aangericht.
De misologen: cynici die teleurgesteld zijn over eerdere zoektochten naar kennis en die zich daarom afsluiten voor argumenten en logisch redeneren.
Maar innerlijke worstelingen staan niet los van sociale relaties. Als iemand zich bedreigd of ongemakkelijk voelt en zich daarom voor kennis afsluit, zijn bij die dreiging of bij dat ongemak bijna altijd anderen betrokken. Over de sociale belemmeringen van het weten heeft Burke meer te zeggen. Hij gaat dieper in op de moeilijkheden die mensen elkaar aandoen, de verboden die ze elkaar opleggen, de dingen die ze voor elkaar geheim houden of waarbij ze de andere kant op kijken, die ze vergeten, ontkennen of verdraaien. Burke laat zien dat machtsrelaties daarin belangrijk zijn, en dat verschuivingen in macht inzicht kunnen geven in nieuwe onderzoeksgebieden.
Dat laat het ontstaan van vrouwenstudies bijvoorbeeld zien. Vrouwelijke historici ontsloten in de jaren zeventig van de twintigste eeuw de alledaagse wereld van huis, tuin, keuken en kinderen. Het was een onderzoeksgebied waar mannelijke historici tot dan toe overheen hadden gekeken. Binnen de geschiedwetenschap was herstory een nieuwe wereld waarover weinig bekend was en die tot die tijd niet tot het vakgebied behoorde. Maar Burke geeft ook voorbeelden van verzet tegen zulke paradigmawisselingen. Zoals wetenschappers die zich voor nieuwe ontdekkingen afsluiten, omdat deze de theoretische uitgangspunten waarmee zij zijn opgegroeid in twijfel trekken. Hun functioneren binnen gesloten netwerken beperkt hun horizon, hun onderlinge sociale controle verhindert een onderzoekende houding.
Vrouwelijke historici ontsloten in de jaren zeventig van de twintigste eeuw de alledaagse wereld van huis, tuin, keuken en kinderen. Het was een onderzoeksgebied waar mannelijke historici tot dan toe overheen hadden gekeken.
Onze verhouding tot de waarheid
In een samenleving waarin de klimatologische dreiging in toenemende mate zichtbaar en voelbaar wordt, is de verwerving van kennis steeds urgenter. Tegelijkertijd maakt die dreiging het steeds verleidelijker om je ogen zo lang mogelijk te sluiten en de ernst van de situatie niet tot je door te laten dringen. Willen-weten wordt een daad van moed. Onderzoek dat zich richt op niet-weten, niet-willen-weten, en willen-dat-anderen-niet-weten kan licht werpen op de vraag hoe de ogen van mensen open kunnen blijven. Een morele of rationele oproep blijkt daartoe niet voldoende. Kennis over onwetendheid is noodzakelijk om meer greep te krijgen op de grote problemen van deze tijd. Daarin ligt voor mij het belang en het bestaansrecht van onwetendheidsstudies.