Worstelen met de tijd
Dagboeken, voor wie schrijf je die? Voor de eeuwigheid, ter ondersteuning van je gebrekkige geheugen, of voor toekomstige historici? Historicus Laura van Hasselt las Arianne Baggermans uitgebreide studie en bloemlezing van historische dagboekaantekeningen, waaruit we kunnen leren over de beleving van tijd en tempo in de achttiende en negentiende eeuw.
Besproken boeken
-
Arianne Baggerman De storm die wij vooruitgang noemen. Tijd, tempoversnelling en de transformatie van Nederland in egodocumenten 1750-2000 (Panchaud 2025), 540 blz.
Onvoorspelbare wereldleiders, klimaatverandering, de AI-transitie… Wat staat ons de komende jaren nog allemaal te wachten? Voor wie zich zorgen maakt om de toekomst heeft historicus Arianne Baggerman een relativerende boodschap: je bent niet de eerste en vast ook niet de laatste. Voor het overzichtswerk De storm die wij vooruitgang noemen (het boek staat op de shortlist van de LibrisGeschiedenisprijs 2025) onderzocht de emeritus hoogleraar boekgeschiedenis meer dan vijfhonderd dagboeken en autobiografieën van Nederlanders die geboren zijn tussen 1750 en 1919. Zorgen over een veranderende wereld en nostalgie zijn daarin terugkerende elementen. Maar ook: vooruitgangsgeloof en een vertrouwen in de maakbaarheid van de mens en de wereld.
Of de grondhouding nu positief of negatief is, we moeten ons verhouden tot een snel veranderende maatschappij. Al ruim twee eeuwen voelen veel Nederlanders zich overweldigd door de ontwikkelingen in de wereld om hen heen, getuige hun memoires en autobiografieën. Vandaar Baggermans treffende titel: De storm die wij vooruitgang noemen. Deze verwijst naar een beroemde beeldspraak van Walter Benjamin (1892-1940), die de geschiedenis vergeleek met een engel die het liefst voor altijd zou blijven waar hij is, namelijk in het verleden. Een stormachtige wind sleurt hem mee, tegen zijn zin: ‘Deze storm stuwt hem onstuitbaar de toekomst in, die hij de rug heeft toegekeerd, terwijl de stapel puin voor hem tot aan de hemel groeit. Deze storm is wat wij vooruitgang noemen.’
Die enorme kloof tussen heden en verleden is er volgens Baggerman niet altijd geweest, althans, niet in de beleving van mensen. Zij stelt dat we vanaf het revolutietijdperk, tussen grofweg 1750 en 1850, anders over tijd zijn gaan denken. Dat is ook de periode die ze het meest intensief lijkt te hebben onderzocht. De ondertitel van het boek – Tijd, tempoversnelling en de transformatie van Nederland in egodocumenten 1750-2000 – dekt daarom alleen al door die periodisering niet helemaal de lading. De eerste helft van de twintigste eeuw (waarin veel tempoversnellingen en transformaties plaatsvonden) komt in dit overzichtswerk wel af en toe aan bod, maar de overgrote meerderheid van de geciteerde egodocumenten is negentiende-eeuws. Er is maar zoveel dat een onderzoeker in een mensenleven kan doen, maar het is wel een gemis dat Baggerman het Nederlands Dagboekarchief heeft overgeslagen, een instelling die vooral twintigste-eeuwse dagboeken bewaart. Misschien een mooi volgend project?
De gevaarlijkste aller bronnen
Wie een historisch dagboek, brief of autobiografie in handen heeft, leest als het ware mee over de schouder van de schrijver. Het zijn unieke bronnen als het gaat om inleving in een historische figuur.
Veel historici hebben een haat-liefdeverhouding met egodocumenten – persoonlijke bronnen zoals dagboeken, brieven en memoires. De Amsterdamse historicus Jan Romein noemde ze vanwege hun subjectiviteit ‘de gevaarlijkste aller bronnen’. Ook Baggerman heeft een gezond wantrouwen ten aanzien van het waarheidsgehalte van autobiografieën en dagboeken (die niet zelden getuigen van selectie en zelfcensuur). Tegelijkertijd toont ze aan hoe belangrijk dit soort bronnen kan zijn. Wie een historisch dagboek, brief of autobiografie in handen heeft, leest als het ware mee over de schouder van de schrijver. Het zijn unieke bronnen als het gaat om inleving in een historische figuur.
Al eerder toonde Baggerman aan, samen met Rudolf Dekker, dat er vanaf 1800 een opvallende toename van Nederlandse egodocumenten is geweest. In de naweeën van de Franse Revolutie verlangden velen naar een al dan niet geïdealiseerde ‘goede oude tijd’. Bij anderen groeide juist een nieuw soort optimisme. Dankzij de snelle veranderingen in het revolutietijdperk ontstond een zogeheten lineair tijdsbesef. ‘Een cyclisch tijdsbesef betekent immer herhaling: van de toekomst verwacht men in de vroegmoderne tijd alleen maar meer van hetzelfde. Het moderne tijdsbewustzijn, het lineaire perspectief, impliceert daarentegen een verleden dat zich nooit meer op dezelfde manier zal voordoen – een gesloten verleden – maar ook een toekomst die openligt en te beïnvloeden is.’ Baggerman baseert dit onder meer op de veranderende terminologie in egodocumenten: vanaf 1800 zijn termen als ‘ouderwets’, ‘toen’, ‘thans’ en ‘nog niet’ in opmars.
‘Ik behoef mij nu niet in mijn geheugen te brengen wat ik vorig jaar gedaan heb. Ik heb een Dagboek!’
Het ‘moderne’ besef van tijd maakte de behoefte aan het bijhouden van een dagboek of het terugblikken in een autobiografie of in jeugdherinneringen sterker dan bij eerdere generaties. Als alles anders verandert wordt het belangrijk om zaken vast te leggen, ook als het gaat om het dagelijks leven. Zowel dagboek als autobiografie worden daarom ook wel aangeduid als ‘geheugenpaleizen’. Baggerman geeft wat dat betreft een toepasselijk citaat van de twaalfjarige Jan te Winkel (1847-1927) na de aanschaf van zijn eerste dagboek: ‘Ik behoef mij nu niet in mijn geheugen te brengen wat ik vorig jaar gedaan heb. Ik heb een Dagboek!’ Het dagboek fungeert voor hem als externe harde schijf, waardoor er meer ruimte overblijft in het werkgeheugen.
Naast de opkomst van het lineaire tijdsbesef noemt Baggerman de Verlichting als belangrijke stimulans voor de productie van egodocumenten, met name van kinderdagboeken. Verlichte denkers, Jean-Jacques Rousseau voorop, zagen het dagboek als een pedagogisch instrument. Het was een aansporing tot zelfreflectie en een middel van disciplinering. De ouders lazen bij dit soort dagboeken mee, wat de openhartigheid natuurlijk niet ten goede kwam.
Rommelig maar betrouwbaar
Over de invloed van het verlichtingsdenken en het ‘versnellen’ van de tijd op egodocumenten publiceerde Baggerman al eerder. De kracht van De storm die wij vooruitgang noemen zit hem niet zozeer in nieuwe ideeën, maar in het samenbrengen van decennia aan diepgravend (archief)onderzoek. Het boek is een synthese van Baggermans eerdere publicaties over egodocumenten, aangevuld met talloze nieuwe bronnen. Met bijna zeshonderd bladzijden is het een stevige pil, maar dat komt mede door de tientallen prachtige illustraties. Niet alleen het aantal, maar ook de diversiteit van al deze bronnen is indrukwekkend. Baggerman heeft zich beperkt tot dagboeken, memoires en autobiografieën (brieven komen niet aan de orde), maar daarbinnen is de variatie groot. Ze heeft in heel Nederland onderzoek gedaan naar egodocumenten van mannen en vrouwen, van alle rangen en standen, van heel jong tot hoogbejaard. Zo krijgen we kleine, fascinerende inkijkjes in het leven van bijvoorbeeld een katholieke korsettenmaker uit Maassluis, een arbeidersmeisje uit de Amsterdamse Jordaan en een boerenzoon uit het Gelderse Borculo.
Een nadeel van die rijkdom aan bronnen is dat je als lezer soms door het bos de bomen niet meer ziet. Paradoxaal genoeg doet zo’n grote hoeveelheid egodocumenten het individu uit het zicht verdwijnen.
Een nadeel van die rijkdom aan bronnen is dat je als lezer soms door het bos de bomen niet meer ziet. Paradoxaal genoeg doet zo’n grote hoeveelheid egodocumenten het individu uit het zicht verdwijnen. Daarbij valt op dat Baggerman weinig onderscheid maakt tussen dagboeken en geschreven terugblikken. Ze waarschuwt terecht dat negentiende-eeuwse dagboeken vaak ook door familieleden gelezen werden. Bovendien schreven sommige auteurs hun dagboeken met het oog op een latere autobiografie. Beide beïnvloeden de inhoud. Toch blijft het wezenlijk anders om over vroeger te schrijven met de kennis van achteraf, dan om aan het einde van je dag belevenissen te noteren. Dagboekschrijvers kunnen nog geen rekening houden met wat we later belangrijk zullen vinden. Dat maakt hun aantekeningen weliswaar rommeliger, maar in zekere zin betrouwbaarder dan autobiografieën en memoires.
Toen de trein gepasseerd was, merkte de jongen opgelucht dat de bloemen nog bloeiden, de leeuwerik nog zong en de zon nog steeds scheen: ‘Niets duidde op het einde der schepping.’
De mooiste citaten in het boek zijn afkomstig uit jeugdherinneringen. Zo beschrijft de Gelderse boerenzoon Hendrik Krebbers beeldend hoe hij in 1865 als dertienjarig jongetje voor het eerst een trein zag rijden. Hij was samen met zijn vrienden gaan kijken naar het wonder van techniek. ‘Welhaast hoorden we de grond zacht dreunen. ’t Geluid werd steeds heviger. ’t Vuurbrakend monster, de trein, kwam als op vleugelen van den storm aanhollen.’ Weer is daar die metafoor van de onstuitbare, beangstigende vooruitgang op ‘vleugelen van den storm’. Toen de trein gepasseerd was, merkte de jongen opgelucht dat de bloemen nog bloeiden, de leeuwerik nog zong en de zon nog steeds scheen: ‘Niets duidde op het einde der schepping.’ Dat geeft de lezer moed. De vooruitgang valt niet te stuiten, niet in het verleden en niet in de toekomst. Maar het einde van de wereld laat vast nog wel even op zich wachten.