De wijsheid van Mencius in beeld
Onlangs verscheen een Engelstalig stripboek naar een geschrift van de Chinese filosoof Meester Meng (Mencius), die leefde van 371 tot 289 voor Christus. Paul van Els legt uit in welke context we Meester Mengs ideeën moeten begrijpen, en vraagt zich af hoe en waarom de vorm van het stripboek bijdraagt aan de leesbaarheid van deze zeer oude maar ook vermakelijke gesprekken over de deugd.
Besproken boeken
Bruisend geestesleven
In China staat Meester Meng, hier beter bekend als Mencius, te boek als de Tweede Wijze. In zijn vormende jaren zou Meng Ke (371–289 v.Chr.), zoals hij eigenlijk heette, les hebben gehad van een kleinzoon van Kong Qiu (551–479 v.Chr.), alias Meester Kong, oftewel Confucius. De invloed van die Eerste Wijze op zijn gedachtegoed is duidelijk merkbaar. Confucius en Mencius leefden tijdens de Zhou-dynastie (circa 1045–256 v.Chr.). Met bijna acht eeuwen was dit het langstzittende vorstenhuis in de Chinese geschiedenis. Dat zegt echter weinig. In de eeuwen na de stichting raakte de koninklijke familie de grip op het rijk geleidelijk kwijt. De koning werd slechts een ledenpop die de gebruikelijke rituelen uitvoerde om de schijn van eenheid en continuïteit te bewaren. De feitelijke macht lag ondertussen bij lagere edelen. Zij deelden de lakens uit in hun lenen, die zich gaandeweg ontwikkelden tot zelfstandige staten. De vrede tussen die staten werd bewaard door een kwetsbaar spel van diplomatieke betrekkingen, strategische bondgenootschappen, onderlinge huwelijken en wat dies meer zij. Dat spel werd met steeds grotere regelmaat verstoord door meningsverschillen, machtsgrepen, opstanden en oorlogen, waarbij sterkere staten de zwakkere opslokten. Met wanorde alom lieten vele duizenden het leven. Maar ook toen gold: de één zijn dood is de ander zijn mantou. Dus kwamen er denkers op om de edellieden van raad te voorzien. Dit waren gouden eeuwen voor ‘meesters’, zoals deze marskramers in denkbeelden in China worden genoemd. Zeker een van de bekendsten was Meester Meng. Die bezocht, naar verluidt met een groot gezelschap volgelingen, verscheidene adellijke hoven. In het naar hem vernoemde boek staan gesprekken opgetekend die hij met de betreffende landsheren zou hebben gevoerd. In die tweespraken nam hij bepaald geen blad voor de mond en liet hij zijn gesprekspartner soms op niet mis te verstane wijze weten wat er schortte aan diens bestuur. Behalve met edellieden onderhield Mencius zich ook met leerlingen en denkers die er andere wereldbeelden op nahielden. Al die voor lezers vaak vermakelijke gesprekken geven blijk van een tijd met een bruisend geestesleven, waarin gedachten werden gewisseld als nooit tevoren.
Wie goed doet…
In het eeuwenoude boek Mencius komt de gelijknamige denker naar voren als iemand die uitging van het goede in de mens en die geloofde in de maakbaarheid van een betere wereld. Net als Confucius streefde hij naar een wereld waarin mensen leven naar bepaalde deugden, zoals medemenselijkheid of rechtvaardigheid, en handelen volgens gepaste omgangsvormen. Zulke zaken waren voor hem letterlijk van levensbelang:
Vis, daar ben ik dol op. Berenpoot, daar ben ik ook dol op. Als ik zou moeten kiezen, dan ga ik liever voor dat laatste. Het leven, ook daar ben ik dol op. Rechtvaardigheid, daar ben ik eveneens dol op. Als ik zou moeten kiezen, dan ga ik wederom voor dat laatste.
Een deugd zoals rechtvaardigheid is voor Mencius even verrukkelijk als de meesterlijk bereide poot van een beer. Het ging hem niet zozeer om het in zich opnemen van deugden, maar vooral om het uitvoeren ervan. Hij was overtuigd van de kracht van het goede voorbeeld. Hoe hoger de voorbeeldige, hoe breder de reikwijdte. Deugd uitgestraald door een leidinggevende kan tal van ondergeschikten bewegen om zich ook zo te gedragen. Met de harde hand leiding geven werkt daarentegen averechts. In bomen klimmen om vissen te vangen, noemt de Tweede Wijze dat smalend.
Behalve met edellieden onderhield Mencius zich ook met leerlingen en denkers die er andere wereldbeelden op nahielden. Al die voor lezers vaak vermakelijke gesprekken geven blijk van een tijd met een bruisend geestesleven, waarin gedachten werden gewisseld als nooit tevoren.
Ontkiemen
Waar zijn eigen grote voorbeeld, Confucius, zich nauwelijks uitliet over de aard van de mens, deed Mencius dat wel. Hij nam aan dat wij allemaal ‘kiemen’ van het goede in ons hebben en toonde dat aan met een gedachte-experiment. Stel, we zien een kind in een put vallen. Plots worden we bevangen door angst. Dat komt, stelt hij, omdat ons hart het lijden van anderen niet kan verdragen. Of we tot handelen overgaan, dat is een tweede. Als iemand bijvoorbeeld wordt belaagd door een groep woeste relschoppers, kunnen we wel willen ingrijpen, maar toch besluiten om dat niet te doen. Hun toorn kan zich dan immers gaan richten op ons, met alle onprettige gevolgen van dien. De afweging om al dan niet in te grijpen wordt gemaakt door onze rede, meent Meester Meng. Het oorspronkelijke, spontane gevoel – medelijden met het slachtoffer – toont volgens hem echter onze ware aard. De zaadjes van het goede die sinds onze geboorte in onze aard aanwezig zijn, kunnen zich ontwikkelen tot volwaardige deugden. Net zoals de natuur uit zichzelf opbloeit, drinkend van de regen en badend in de zon, zo ook kan onze innerlijke natuur vanzelf ontkiemen. Daar is weinig voor nodig. Een goede omgeving en een beetje zorg, meer niet. Onze ontwikkeling tot volwaardige mensen heeft wel tijd nodig. We moeten die niet willen overhaasten, toont Mencius aan met deze anekdote:
Een boer uit Song, bezorgd dat zijn plantjes niet groeiden, trok ze één voor één omhoog. Doodmoe keerde hij naar huis en zei tegen zijn gezin: ‘Vandaag was zwaar! Ik heb de plantjes helpen groeien.’ Zijn zoons gingen halsoverkop kijken, maar de plantjes waren al verdord!
Met zijn onnodig ondernemende houding had de oenige boer zijn plantjes naar de knoppen geholpen. Wie op stel en sprong een toonbeeld van goedheid wil worden, komt mogelijk ook van een koude kermis thuis.
Met de paplepel
Met de harde hand leiding geven werkt averechts. In bomen klimmen om vissen te vangen, noemt de Tweede Wijze dat smalend.
Het is een prettige gedachte dat wij, ondanks onze onvolkomenheden, een kern van goedheid in ons hebben. Dat maakt Mencius tot aantrekkelijk leesvoer. Niet voor niets schreef de prozaïst Han Yu (768–824): ‘Toen ik de geschriften van Meng Ke begon te lezen, besefte ik pas hoe achtbaar de leer van Confucius is en hoe uitvoerbaar de weg van de wijze!’ Door toedoen van de neoconfucianist Zhu Xi (1130–1200) zijn de boeken met uitspraken en gesprekken van Confucius en Mencius onderdeel geworden van de verplichte leesstof voor de staatsexamens. Door de eeuwen heen hebben talloze kandidaten deze werken moeten leren. Zo raakte de geletterde bovenlaag van de samenleving doordrongen van hun gedachtegoed. Omdat Mencius is geschreven in een vrij zuivere vorm van het Klassiek Chinees, de schrijftaal van keizerlijk China, leest het boek prettig en wordt het graag gebruikt in het Klassiek Chinees taalonderwijs. Verder spreken de vele anekdoten die in het werk voorkomen erg tot de verbeelding. Ze hebben geleid tot spreekwoorden – zoals ‘in bomen klimmen om vissen te vangen’ of ‘aan planten trekken om ze te helpen groeien’ – die ook nu nog worden gebezigd. Kinderen krijgen deze spreekwoorden en de achterliggende verhaaltjes met de paplepel ingegoten. Zo zijn op YouTube veel tekenfilmpjes te vinden door te zoeken op 緣木求魚 en 揠苗助長, de Chinese tekens van de genoemde spreekwoorden. Het is dus niet vreemd dat Mencius ook onder striptekenaars tot de verbeelding spreekt.
Kawaii
Net zoals de natuur uit zichzelf opbloeit, drinkend van de regen en badend in de zon, zo ook kan onze innerlijke natuur vanzelf ontkiemen. Daar is weinig voor nodig. Een goede omgeving en een beetje zorg, meer niet.
De tekenaar van dit boek is Chih-chung Tsai (1948), een van de meest geliefde striptekenaars in de Chinees-sprekende wereld. Geboren in een dorpje in Taiwan, wist hij al op jonge leeftijd dat hij wilde tekenen voor beroep. Als tiener stopte hij met school om te gaan werken voor een uitgeverij in Taipei. Nadat hij jarenlang ervaring had opgedaan als tekenaar, vatte hij het idee op om filosofische teksten in stripvorm te gieten. Zijn eerste boek, Zhuangzi shuo 莊子說 (Zhuangzi spreekt), kwam uit in 1986. Zijn keuze voor het werk van Meester Zhuang is geen toeval. Dit taoïstische meesterwerk staat boordevol verhalen met wonderlijke personages: een apentrainer, een wielenmaker, een meesterlijke slager, een gedrochtelijke wijsgeer, sprekende bomen, dieren, geesten, schedels, enzovoort. Het is schier onmogelijk om de wondere wereld van dat boek te betreden zonder ons de verhalen in te beelden. Daarom leent het zich uitstekend voor een beeldverhaal, zeker in Tsai’s onnavolgbare stijl die omschreven kan worden als kawaii, de uit Japan overgewaaide term die zoiets als ‘schattig’ betekent. De Taiwanese striptekenaar kiest de boeiendste passages uit de Klassiek Chinese tekst, vertaalt die in de hedendaagse schrijftaal, maakt er schattige tekeningen bij en vat de moraal van elk verhaal samen in het laatste plaatje. Zo maakt hij het oeroude filosofische geschrift toegankelijk en aantrekkelijk voor moderne lezers. Zijn stripversie werd al snel een bestseller, waardoor de verstripping van andere teksten, veelal taoïstisch en boeddhistisch, niet kon uitblijven. Ook die boeken gingen als warme broodjes over de toonbank en zijn tekeningen prijken inmiddels op drinkbekers, onderzetters, pennenzakjes en paspoorthoesjes.
Dit doorslaand succes bleef ook elders niet onopgemerkt. In de vroege jaren negentig werden Tsai’s boeken uitgebracht in de Volksrepubliek China, wat leidde tot de verkoop van miljoenen exemplaren. In diezelfde tijd verschenen ook de eerste vertalingen, onder meer in het Engels, Japans, Russisch en Spaans. Inmiddels is zijn werk in tientallen talen uitgegeven en werden hem tal van prijzen toegekend. In Nederland ontving hij in 1999 de Prins Claus Prijs. De jury schreef:
Met zijn strips draagt Tsai niet alleen bij aan het behoud van de traditionele Chinese cultuur, maar wekt hij ook een hernieuwde belangstelling op voor wijsgerig onderzoek en zelfreflectie. Zijn vermogen om ingewikkelde gedachten te vertalen naar eenvoudige maar diepgaande beeldverhalen, heeft hem veel lof opgeleverd en maakt hem tot een geliefde figuur in de wereld van de stripkunst.
In de Engelstalige wereld maakte Tsai zijn debuut in 1992. Toen kwam Zhuangzi Speaks: The Music of Nature uit bij Princeton University Press. De vertaling door Brian Bruya, die Chinees had gestudeerd in Taiwan, werd in de tekstballonnen gepend door de striptekenaar Wayne Truman. Het boek bevatte een nawoord van professor Donald J. Munro, specialist op het gebied van de Chinese filosofie. Bruya is inmiddels zelf hoogleraar met meerdere goed ontvangen wetenschappelijke werken op zijn naam. In de loop der jaren is hij de stripboeken van Tsai blijven vertalen.
Sinds 2018 geeft Princeton University Press nieuwe edities uit onder de noemer The Illustrated Library of Chinese Classics. Volgens de uitgever bundelt deze reeks aantrekkelijke beeldverhalen, geschreven en getekend door Tsai, wiens unieke stijl – speels, geestig en toch verrassend verhelderend – een uitstekende kennismaking biedt met invloedrijke denkers en teksten. Na Confucius: The Analects (2018), Sunzi: The Art of War (2018), Zhuangzi: The Way of Nature (2019), Laozi: Dao De Jing (2020) en The Ways of Zen (2021) is nu deel zes verschenen. Alle boeken in de reeks hebben een eenvoudige kaft, waarop een tekening en een schreefloze titel helder afsteken tegen een witte achtergrond. De vergelijkbare omslagen stralen eenheid en rust uit. De boeken bevatten striptekeningen met de oorspronkelijke tekst in Klassiek Chinees in de flanken. Verder is er telkens een inleiding door de vertaler en een uitleg van de uitspraak van Chinese woorden. Elk deel is bovendien voorzien van een voorwoord door een bekende naam in het vakgebied. Bij Mencius: A Cure for Chaos (2025) is dat Christine Gross-Loh, die samen met Michael Puett een wereldwijde bestseller heeft geschreven op het gebied van de Chinese filosofie.
Verstripping van filosofie
Bij de verstripping van filosofische geschriften kunnen vergelijkbare vragen worden gesteld als bij de verfilming van historische gebeurtenissen. Zou Alexander de Grote zich herkennen in Colin Farrells vertolking in de Hollywoodfilm? Zou Alexanders tijdgenoot Mencius menen dat Tsai’s tekeningen recht doen aan zijn leer?
Bij de verstripping van filosofische geschriften kunnen vergelijkbare vragen worden gesteld als bij de verfilming van historische gebeurtenissen. Zou Alexander de Grote zich herkennen in Colin Farrells vertolking in de Hollywoodfilm? Zou Alexanders tijdgenoot Mencius menen dat Tsai’s tekeningen recht doen aan zijn leer? Filmmakers staan voor de uitdagende taak om evenwicht te vinden tussen kunstige vrijheid en geschiedkundige nauwkeurigheid. De druk om kijkers te trekken kan hen bovendien verleiden tot een al te eenvoudige weergave van het verleden, waarbij mensen worden teruggebracht tot helden of schurken. Daarmee verdwijnt de verfijning in ons begrip van de geschiedenis. Tsai staat voor eenzelfde uitdaging: recht doen aan de oude meesters terwijl hij hun werken omzet voor lezers van nu. Dat valt niet mee. De denkers waren soms lang van stof. Hij moet dus keuzes maken. In het geval van Mencius tekent Tsai nog geen tiende van de tekst, waarbij sommige hoofdstukken beter zijn vertegenwoordigd dan andere. Hij knipt langere gesprekken in stukken of kiest er een paar regels uit. Zo maakt hij op zichzelf staande lessen van hooguit enkele bladzijden. Een les gaat bijvoorbeeld over het verschil tussen ‘niet kunnen’ en ‘niet willen’, wat in Mencius onderdeel is van een groter betoog. In het stripboek komen uiteraard de vertrouwde verhalen aan bod, zoals dat van de boer die zijn plantjes omhoog trok. Minder bekende anekdotes worden gelukkig niet geschuwd. Zo lezen we bij Tsai over een tijgervanger die zich ontwikkelt tot een voorbeeldig persoon, maar tijdens een uitje naar het platteland als vanouds weer een verscheurend dier te lijf gaat. (*) In Mencius wordt dit voorval niet nader toegelicht. In Tsai’s werk legt cartoon-Mencius uit dat dit gaat over het belang van het behoud van morele integriteit. Als stripfiguur zegt Mencius dus soms meer dan in de oorspronkelijke tekst. Net zoals die tekst is geschreven in helder Klassiek Chinees, leest ook het beeldverhaal lekker weg. Wel kunnen we bedenkingen hebben bij bepaalde woordkeuzes. Zo trekt de onnozele boer volgens de striptekenaar aan rijstplantjes. Waar Mencius leefde vond vooral gierstteelt plaats, terwijl rijst in het zuiden van China wordt verbouwd. Ook noemt hij de tijgervanger ‘Mevrouw Feng’. Hoewel de roepnaam van die persoon inderdaad ‘vrouw’ kan betekenen, zien andere vertalers de onverschrokkene als man.
Degelijke inleiding
Het moge duidelijk zijn dat Tsai een eigenzinnige bewerking biedt van het boek Mencius. Het hoge kawaii-gehalte van zijn tekeningen trekt lezers. Zij krijgen een vermakelijke en toch heel degelijke inleiding tot de leer van de oude Chinese meester voorgeschoteld. Wie zich daarin verder wil verdiepen, kan er een uitvoerige beschrijving of volledige vertaling op naslaan. In Amerika waardeert men deze aanpak. Dat een roemrijke uitgeverij en meerdere wetenschappers maar al te graag hun naam verbinden aan strips die bedoeld zijn voor een breed lezerspubliek, geeft aan dat Tsai’s speelse tekeningen daar serieus worden genomen. Misschien is dit iets om ook te overwegen voor andere filosofische tradities. Is Nederland bijvoorbeeld klaar voor Spinoza in de stijl van Dick Bruna?
(*) Een uitleg van de tijgervanger-passage is te vinden in Paul van Els, ‘De heer en het beest: De eerbare mens volgens Mencius,’ Tijdschrift voor Filosofie 82 (2020): 241–264.