Advertentie
banner Ambo Anthos koch 2026#2 (voor website)

Het demasqué van het nederconservatisme

Al een kwarteeuw spelen de Nederlandse conservatieven een kwalijke rol bij het normaliseren en mobiliseren van extreemrechtse denkbeelden. Ze cultiveren een houding van goede boeken en klassieke muziek en pleiten voor beschaving, matigheid en fatsoen, maar steeds wanneer de crisis uitbreekt, krijgen ze last van autoritaire reflexen en raciale hiërarchieën. Daniël Boomsma en Jozef Waanders reconstrueerden de problematische bokkensprongen van de Nederlandse conservatieve beweging.

‘Doe ons ook een Trump’ luidde de kop van een artikel van 1 februari jl. in het uiterst rechtse digitale weekblad Wynia’s Week. Het was kort na Trumps inauguratie en de auteur was Bart Jan Spruyt, voormalig boegbeeld en roerganger van de conservatieve beweging in Nederland. Trumps ‘daadkracht’, zo schreef Spruyt een week later ook in het Reformatisch Dagblad (8 februari jl.), voelde als een frisse wind en stak ‘weldadig af bij het hopeloze gemodder in de Nederlandse polder’. Op cvandaag meldde hij later die maand nog ‘genoten’ te hebben van Trumps inauguratiespeech, waarin de kersverse president een gitzwart wereldbeeld deelde en sprak van ‘het verschrikkelijke verraad’ van ‘corrupte’ elites.

Een opmerkelijk enthousiaste en voorbehoudloze aanprijzing dus, van een autocratische president in wie kenners ook steeds vaker fascistoïde kenmerken menen te zien. Voorname Amerikaanse intellectuelen als Timothy Snyder, Marci Shore en Jason Stanley hebben de Verenigde Staten om die reden inmiddels verlaten. Alle drie hebben ze een groot deel van hun wetenschappelijke carrière besteed aan de bestudering van (de opkomst van) het fascisme in de twintigste eeuw. En alle drie zien ze beangstigende overeenkomsten tussen dat historische fascisme en de politiek van Trump. In een opinie-video van de New York Times waarschuwden ze voor de glijdende schaal waarop de VS waren beland. Een glijdende schaal die ook Europa bedreigt: inmiddels is duidelijk dat Trump en zijn vice-president JD Vance Europese radicaal-rechtse partijen (zoals de AfD) niet alleen actief steunen, maar, onder andere via de conservatieve denktank de Heritage Foundation, zelfs streven naar ‘regime change’ in Europa door ideologische bondgenoten aan de macht te willen helpen. Hoe belandde Spruyt – en andere ‘nederconservatieven’ met hem – in dit fascistoïde vaarwater? En in hoeverre wordt daarmee iets wezenlijks over het conservatisme blootgelegd?

Een kwarteeuw conservatisme

Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar het jaar 2000, toen Spruyt, samen met onder anderen de Leidse rechtsfilosoof Andreas Kinneging en de publicist Joshua Livestro, de Edmund Burke Stichting oprichtte. Het zou de geboorte blijken van de nederconservatieve beweging, die na 9/11 en de opkomst van Fortuyn in een stroomversnelling kwam en die niet los is te zien van de politieke lijn die Frits Bolkestein vanaf de jaren negentig als leider van de VVD al had ingezet. De Burke Stichting moest als conservatieve denktank bijdragen aan een nieuw ‘ethisch reveil’. Lectuur van onder andere politieke denkers als Edmund Burke en Alexis de Tocqueville zou – als onderdeel van de bredere revitalisatie van de zogenaamde Great Books-traditie – aan de basis moeten staan van een conservatieve heropleving in Nederland. In een ronkend conservatief manifest, qua toon een voorafschaduwing van de latere cultuuroorlogen, keerde Spruyt zich in 2003 in Trouw met intellectuele geestverwanten tegen links, tegen het multiculturalisme en tegen de geest en het zogenaamde cultuurrelativisme. Het was een regelrechte oorlogsverklaring aan wat werd beschouwd als het ideologische erfgoed van de jaren zestig.

Sindsdien valt er in de ‘ideologische werdegang’ van Spruyt een patroon te ontdekken. Enkele dagen nadat Wilders in september 2004 de VVD-fractie had verlaten, bezocht hij Spruyt thuis. Spruyt schreef toen – naar eigen zeggen – de visie voor Wilders’ partij in wording. Het jaar daarop reisde hij met Wilders naar de Verenigde Staten om conservatieve denktanks te bezoeken. Ondertussen werkte hij door aan de verdere groei van de Edmund Burke Stichting. Zo schreef hij onder meer een interne notitie, waarin hij stelde dat de stichting klaar moest staan voor het geval het Nederlandse systeem zou ‘imploderen’. In 2006 werkte Spruyt nog enige tijd in de Tweede Kamer voor de PVV, waarna hij de partij gedesillusioneerd verliet. In de periode daarna was Spruyt op zijn eigen weblog herhaaldelijk kritisch op de ‘natuurlijke neiging’ tot fascisme die het paniekerige conservatisme van de PVV zou belichamen. Na de aanslag van de rechts-extremistische terrorist Anders Behring Breivik (die Wilders meermaals instemmend aanhaalde in zijn manifest) in Noorwegen in 2011, waarbij in totaal 77 mensen om het leven kwamen, ging Spruyt in een schuldbewust interview met de NOS nog een stap verder: Wilders was ‘indirect verantwoordelijk’ voor het drama in Noorwegen en moest ‘verantwoorden (…) waar hij voor staat en waarin hij afwijkt van meneer Breivik.’

Opvallend genoeg weerhield dit scherpe commentaar Spruyt er niet van om zich in de jaren die zouden volgen positief uit te spreken over de opkomst van een nieuwe ster aan het radicaal-rechtse firmament: Thierry Baudet en diens Forum voor Democratie. Baudets boeken Conservatieve vooruitgang (2010) en Revolutionair verval (2012) hadden het conservatisme heel bewust als stuwende en engagerende kracht gepresenteerd, maar de duistere kanten ervan verhuld. Toch kwamen die duistere kanten bij Baudet zelf al spoedig aan het licht. Nog in 2019 – dus na Baudets uitspraken over de homeopathische verdunning van onze samenleving, de noodzaak van een ‘dominant blank Europa’ en zijn vele leugens over de toedracht van het neerhalen van vlucht MH17 – sprak Spruyt Baudet voor een volle zaal toe met een referentie naar de aankondiging van de Messias in het Matteüs-evangelie: ‘Zijt Gij het, Die komen zou (…) Of hebben wij een ander te verwachten?’ Korte tijd later was ook die liefde alweer bekoeld en vergeleek hij Baudet in een column in het ND met de legendarische Atheense populist Alcibiades: ‘een ambitieuze opportunist die een spoor van vernielingen naliet.’ De grote verkiezingsoverwinning van de PVV in 2023 bracht Spruyt nadien dan toch weer in vervoering voor Wilders: ‘We zien nu pas de echte Geert Wilders’, zei hij hoopvol in een gesprek met Roelof Bouwman op Wynia’s Week. En toen de Hollandse vluchtheuvels toch echt versleten waren, diende zich tenslotte (net als in 2016) ook nog een Amerikaanse verlosser aan: Donald Trump.

Bart Jan Spruyts ideologische heen-en-weer ten aanzien van radicaal-rechts populisme staat niet op zichzelf, maar lijkt illustratief te zijn voor de ontwikkelingsgang van het conservatisme in Nederland.

Spruyts ideologische heen-en-weer ten aanzien van radicaal-rechts populisme staat niet op zichzelf, maar lijkt illustratief te zijn voor de ontwikkelingsgang van het conservatisme in Nederland. Net als Spruyt was ook Andreas Kinneging aanvankelijk FvD-sympathisant, samen met zijn Leidse collega en conservatieve geestverwant Afshin Ellian. Zowel Ellian als Kinneging zouden zich na enthousiaste steunbetuigingen later alsnog distantiëren van Baudet omdat zij diens opvattingen of gedrag bij nader inzien toch wel wat ver vonden gaan. Maar ook Kinneging prijst Trump (en in diens kielzog aanvankelijk ook Elon Musk) op X inmiddels regelmatig aan als een ‘zegen’ vanwege diens vermeende ‘common sense’. Kinneging ging zelfs nog verder en omarmde op X meermaals gretig het verhaal waarmee Poetin zijn agressieoorlog tegen Oekraïne probeert te rechtvaardigen. Ook hierin is hij niet alleen in het ‘conservatieve’ kamp: filosoof Ad Verbrugge – die zich met de publicatie van zijn populair-filosofische essaybundel Tijd van onbehagen (2004) ook in het rechts-conservatieve kamp schaarde – herhaalt in de uitzendingen van zijn YouTube-kanaal De Nieuwe Wereld en in zijn boek De gezagscrisis (2023) bijvoorbeeld eveneens voortdurend het Kremlin-narratief over een door Oekraïne en het Westen uitgelokte of zelfs begonnen oorlog. En passant wordt daarbij Poetins leiderschapsstijl bewierookt en de soevereiniteit van Oekraïne in twijfel getrokken. Datzelfde geluid was ook populair bij Blue Tiger Studio – het mediakanaal van de ‘conservatieve uitgeverij’ De Blauwe Tijger, opgericht door de bij Verbrugge afgestudeerde Tom Zwitser. Blue Tiger Studio zou, zo melde Kinneging enthousiast in zijn speech bij de opening in 2019, een conservatief alternatief gaan vormen voor de pensée unique in het voor de rest zogenaamd geheel progressieve medialandschap van Nederland. Nog geen jaar later werd evenwel door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) gewaarschuwd tegen de uitgeverij en zijn opruiende oprichter (tevens FvD’er) als doorgeefluik van anti-overheidspropaganda, nepnieuws en complottheorieën. Het liet zien dat het zelfbenoemd conservatief-rechtse gedachtegoed niet alleen qua inhoud, maar ook qua bereik al lang niet meer onschuldig was: de soms wel honderdduizenden kijkers die sommige YouTube-uitzendingen van De Nieuwe Wereld en Blue Tiger Studio halen tonen hun enorm gegroeide bereik en mediamacht. Sinds de toelating van Ongehoord Nederland tot het omroepbestel is die macht ook bestendigd binnen de publieke omroep.

Existentiële vijanden

Het nauwe optrekken met radicaal rechts en de aanprijzing van autocraten lijkt illustratief te zijn voor de ontwikkelingsgang van het conservatisme in Nederland. Maar de vraag is wat dit zegt over het nederconservatisme. Gaat het om weliswaar herhaaldelijke maar toch min of meer toevallige en willekeurige aberraties van individuele conservatieven? Of wordt hier een wezenskenmerk van het conservatisme in algemene zin blootgelegd, waar ook het nederconservatisme een uiting van is?

Waarin sommige nederconservatieven zich onderscheiden van het conservatisme in algemene zin is dat ze vrijheden en verworvenheden claimen ‘als bewijs voor de superioriteit van de westerse beschaving’. Deze superioriteit wordt in stelling gebracht tegen wat ze als haar grote existentiële vijanden zien: de islam en relativistische linkse elites.

Het antwoord op die vraag hangt samen met de vraag hoe je het conservatisme benadert: vanuit een zuiver theoretisch perspectief, of op basis van de praktijk van haar voortrekkers. Om het nederconservatisme in haar specifieke vorm te begrijpen, zoals ook opgemerkt door socioloog Merijn Oudenampsen in verschillende teksten over wat hij ‘de conservatieve revolte’ noemt, moet het worden beschouwd als een ten opzichte van andere Europese landen zeer late reactie op de politiek van de jaren zestig. Waarin sommige nederconservatieven zich onderscheiden van het conservatisme in algemene zin is dat ze, dixit Oudenampsen, vrijheden en verworvenheden claimen ‘als bewijs voor de superioriteit van de westerse beschaving’. Deze superioriteit wordt in stelling gebracht tegen wat ze als haar grote existentiële vijanden zien: de islam en relativistische linkse elites. Of opnieuw in de woorden van Spruyt: ‘Er is de dreiging van buiten van de antiwesterse ideologie van de islam in zijn politiek-theologische uitwerking. Er is het verlammende relativisme dat ons van binnenuit bedreigt, en dat altijd uitmondt in containment en appeasement.’ Een uit opportuniteit geboren ‘synthese’ dus.

En daar is ook direct de overlap te zien met het conservatisme als brede, grensoverstijgende ideologie. Zeker, op papier gaat het in het conservatisme veelal om gestage verandering, matigheid, respect voor tradities en instituties, normen, fatsoen en gemeenschapszin. Termen waar op zichzelf weinig mis mee is. Maar of dat conservatisme, dat zo zorgvuldig in talloze teksten is gecultiveerd, in werkelijkheid wel bestaat is een andere vraag. In intellectuele zin kun je zeggen: ja, al gaat het dan al snel om een bepaalde esthetisering (een zekere houding, een bepaalde stijl en klederdracht, het lezen van Great Books etc.). Conservatieven blijken dan vooral goed in het op een zo zelfvleiend mogelijke manier beschrijven van hun ideologische drijfveren, in de verheven termen van ‘het goede’, ‘het ware’ en ‘het schone’. Misschien dat de in 2020 overleden Britse filosoof Roger Scruton – godfather voor veel hedendaagse conservatieven – dat nog het verst doorvoerde met zijn uitspraak: ‘conservatisme is de filosofie van de liefde.’ In de praktijk zien we echter vooral dat conservatieven zich al snel bedienen van vijanddenken en apocalyptische doembeelden van ondergang en verval. En, nog belangrijker, dat zij zich ook daadwerkelijk committeren aan politici die daar hun agenda van maken.

Waar de conservatieve theorie zichzelf beschouwt als een soort rem op de geschiedenis, toont de conservatieve praktijk juist een revolutionair en extreem gezicht: onder de vernislaag van ‘de beschaving’ gaan vaak etnonationalistische en autoritaire reflexen schuil.

Waar de conservatieve theorie zich presenteert als gematigd, is de conservatieve retoriek vanaf Burke meestal heel anders en vooral veel radicaler – zoals in ons land rijkelijk blijkt uit de schrijfsels en uitspraken van de conservatieve voorhoede. Waar de conservatieve theorie zichzelf, vrij naar William F. Buckley Jr., beschouwt als een soort rem op de geschiedenis, toont de conservatieve praktijk juist een revolutionair en extreem gezicht: onder de vernislaag van ‘de beschaving’ gaan vaak etnonationalistische en autoritaire reflexen schuil. Conservatieven hebben in Nederland, deels geïnspireerd door geestverwanten over de grens, hun politiek nadrukkelijk gebouwd op de cultuuroorlog. Het gevolg is niet alleen dat zij het rentmeesterschap ten aanzien van de natuur in tijden van klimaatverandering als thema helemaal hebben laten lopen, maar ook dat conservatieven niet zozeer politieke opponenten nodig hebben met wie ze ideologisch van mening kunnen verschillen, maar existentiële vijanden die de westerse beschaving van binnenuit en van buitenaf willen ondermijnen: van ‘links’ in abstracto tot ‘woke’, de islam of het cultuurmarxisme. Op het moment dat de beschaving daadwerkelijk in gevaar is en op de rand van de afgrond staat, blijkt vervolgens geen Messias gek genoeg te zijn om de boel op het nippertje van de ondergang te redden. Dat denken in existentiële vijanden zit diep verankerd in de conservatieve traditie: ook in Edmund Burkes Bespiegelingen over de revolutie in Frankrijk – een van de fundamentele bronteksten voor conservatieven – klinkt dat al door vis-à-vis de Franse revolutionairen, die Burke ook wel interpreteerde als kwaadaardige, ideologische samenzwering tegen het christendom en de monarchie. In die traditie (en nog veel ergere tradities) opereerde Spruyt ook toen hij in februari 2004 in Vrij Nederland een infame ‘brief aan mijn vijand’ vol leugens en verdachtmakingen schreef aan de gematigde PvdA-ideoloog Bart Tromp, waarin hij hem als baantjesjager en ‘hogepriester van de linkse kerk’ portretteerde en hem ervan beschuldigde ‘Nederland bedrogen en bestolen’ te hebben.

In de vorm die we bij de ‘nederconservatieven’ aantreffen is het conservatisme een rancuneuze en wraakzuchtige ideologie die vijandschap en negatie nodig heeft om zelf op te kunnen parasiteren: ze moeten wel doen wat ze doen, want links helpt de boel nu echt naar filistijnen!

Het conservatisme behelst in deze praktijk van antagonie dus vooral een reactionaire agenda, waarin een positief eigen idee ontbreekt. En dat nog op zijn best. In de vorm die we bij de ‘nederconservatieven’ aantreffen is het een rancuneuze en wraakzuchtige ideologie die vijandschap en negatie nodig heeft om zelf op te kunnen parasiteren: ze moeten wel doen wat ze doen, want links helpt de boel nu echt naar filistijnen!

Januskop

Dit alles wil niet zeggen dat alle conservatieven zich bewust zijn van hun discutabele positie in het politieke debat. Sommigen zijn, soms op bijna naïeve wijze, verbaasd over wat er uit naam van hun ideologie allemaal gaande is. Zo schreef de bekende Amerikaanse conservatief David Brooks naar aanleiding van de verkiezing van Trump in The Atlantic een reflectie met de veelzeggende titel: I Should Have Seen This Coming. ‘We conservatives earnestly read Milton Friedman, James Burnham, Whittaker Chambers, and Edmund Burke’, schreef hij. Om daarop de volgende vraag te stellen: hoe kunnen we dan toch bij Trump zijn uitgekomen? Voor iemand die zich zo goed heeft ingelezen in de grondslagen van zijn eigen ideologie is Brooks’ verbazing opvallend en ook illustratief voor het verschil tussen conservatieve theorie en conservatieve praktijk (al is de door hem genoemde James Burnham ook auteur van Suicide of the West, een boek dat gestoeld is op apocalyptische ondergangspolitiek). Brooks spant zich vooral in om te beargumenteren waarom Trump geen conservatief zou zijn; hij is immers anti-institutioneel, revolutionair en immoreel – min of meer het tegendeel van wat een conservatief zou moeten zijn. Matigheid is uitgelopen op mateloosheid, mores op crimineel gedrag en een onbegrensd egoïsme staat aan ieder zicht op een ‘common good’ of enige waardering van instituties in de weg. Ook de massabeweging waarop het trumpisme drijft zou iedere conservatief achterdochtig moeten maken. In zekere zin is het trumpisme de antithese van waar Brooks’ ‘fatsoenlijke conservatisme’ voor meent te staan. Een radicaal andere waardering van Trump dus, dan het enthousiaste onthaal dat hij van veel Nederlandse conservatieven kreeg.

Wie van hen – Brooks of Spruyt – is dan exemplarisch voor het conservatisme? In zekere zin zijn ze beide uitingsvormen van een conservatisme dat de kiem van haar eigen radicalisering altijd al in zich draagt. Dat Spruyt de revolutionaire verleiding niet kan weerstaan en zich voortdurend bekeert tot radicaal-rechtse en fascistoïde autocraten mag dan ook niet verbazen: het betreft geen echte ‘verleiding’, want het conservatisme schuurt zelf inhoudelijk al wezenlijk tegen de autocratische ideologie aan. In dat opzicht was het veelzeggend dat de radicaal-rechtse agitator Wierd Duk zichzelf eind mei aan tafel bij Vandaag Inside trots ‘een conservatief’ noemde. Dat betekent uiteraard niet dat conservatieven daar per definitie op uit moeten komen: Brooks’ verbazing is gemeend en hij zal zich als ‘fatsoenlijke conservatief’ blijven distantiëren van radicaal rechts. Maar tegelijkertijd slaat hij amper acht op het donkerdere en radicalere gedachtegoed van een deel van de denkers die hij enthousiast zegt te hebben gelezen.

Het conservatisme is met andere woorden een wezenlijk gespleten ideologie, die nu – voor de zoveelste keer – een fatale afslag heeft genomen. Een radicale afslag die dus altijd al de conservatieve ideologie definieerde – ook als aanhangers dat zelf niet zagen of wilden zien. Zolang er weinig aan de hand is zien we vooral het ‘verheven’ en behoudende gezicht van het conservatisme met haar pleidooien voor matigheid en fatsoen, maar zodra er – bijvoorbeeld door een toenemend crisisgevoel – druk op de ketel komt te staan, breekt het in de spelonken borrelende magma van radicalisering en autoritarisme al snel door naar de oppervlakte. De revolutionaire keerzijde van het conservatisme vreet dan, gevoed door een fundamenteel reactionaire en rancuneuze impuls, het behoudende element van het ‘conservare’ helemaal op – waardoor het conservatisme zichzelf als ideologie fundamenteel ondermijnt.

Alle ideologieën hebben in zekere zin een januskop (het politieke liberalisme kan bijvoorbeeld ontaarden in economisch woekerkapitalisme, en het socialisme in communisme), maar in geen van deze gevallen is de januskop zo manifest in tegenspraak met de eigen ideologische uitgangspunten als bij het conservatisme. Het conservatisme als behoudende houding verhoudt zich eigenlijk heel slecht tot het conservatisme als uitgewerkt ideologisch streven.

Demasqué

Zo eindigt wat in Nederland begon als een belegen leesclubje in een even enthousiaste als rancuneuze omarming van antidemocraten als Trump, Musk en in sommige gevallen zelfs Poetin.

Zo eindigt wat in Nederland begon als een belegen leesclubje waarin de studie van Burke, De Tocqueville en andere auteurs van Great Books een nieuw ethisch reveil in moest leiden in een even enthousiaste als rancuneuze omarming van antidemocraten als Trump, Musk en in sommige gevallen zelfs Poetin. Het is altijd riskant om te snel te grijpen naar een vergelijking met het fascisme van de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Een van de redenen daarvoor is dat het historische fascisme vervlochten was met de expliciete verheerlijking van geweld. In de Weimarrepubliek of het Italiaanse koninkrijk in het Interbellum was politiek geweld aan de orde van de dag. Het fascisme had hier zelf een groot aandeel in en moedigde de voortzetting van politiek met andere middelen aan. Dat is, zo wordt vaak terecht gezegd, in de huidige samenleving niet aan de orde. Maar voor hoe lang nog? Toen op 14 mei jl. vreedzame pro-Palestina-demonstranten in Katwijk kwamen demonstreren tegen de Israëlische genocide in Gaza werden zij in elkaar geslagen door lokale tegendemonstranten. Het was voor Spruyt aanleiding om op Wynia’s Week vol bewondering te schrijven over de ‘voorbeeldige Katwijkse assertiviteit’ en over ‘een waakzaamheid en eergevoel (…) waar de rest van Nederland iets van kan leren.’ ‘Leve Katwijk! Leve Israël!’ deelde hij op X met zijn gevolg. Op 20 september zagen we in Den Haag hoe het er precies uit ziet als ‘de rest van Nederland’ een voorbeeld neemt aan deze ‘voorbeeldige Katwijkse assertiviteit’.

Behalve deze expliciete en fascistoïde geweldsverheerlijking legt de Israël-obsessie van Spruyt en radicaal rechts in brede zin ook nog een ander duister element bloot, dat in de spelonken van het nederconservatisme woekert: het etnonationalisme. Israël wordt gedragen door een (zionistische) ideologie die streeft naar een etnisch Joodse staat, met een etnisch Joodse meerderheid. De onderdrukking of zelfs etnische zuivering van de Palestijnen als inheemse meerderheidsbevolking van het land waar de Joodse staat gerealiseerd moest worden, volgt daar (ook historisch) bijna noodzakelijkerwijs uit. Hoewel het als gevolg van het Europese antisemitisme historisch gezien te begrijpen valt dat Joden zichzelf als minderheid niet meer veilig waanden, verraadt de steun voor een etnocratie in radicaal-rechtse kringen (buiten eventueel religieus, cultureel of historisch ingegeven motieven) ook een heimelijk verlangen om, tegen het pluralisme van (moslim)minderheden in, de eigen etnisch-culturele dominantie ook in westerse staten te codificeren. Israël fungeert in die zin als modelstsaat die, ten koste van alles (en vooral tegen de islam), moet worden verdedigd.

Zo verraden hun reacties op buitenlandpolitieke ontwikkelingen (in de VS, Rusland en het Midden-Oosten) steeds nadrukkelijker het ware gelaat van de nederconservatieve vaandeldragers, en het radicale toekomstbeeld van Nederland dat zij zich heimelijk vormen. ‘Gematigd’, ‘behoedzaam’ of ‘behoudend’ is dat gelaat, hoezeer het nederconservatisme die vermomming ook probeert op te houden, allerminst.