Advertentie
BannerNederlandseBoekengids-winter2025

Dubbelgangers, hersenschimmen en andere dwalingen. Over radicale psychiatrie in een patriarchale samenleving

Een proefschrift als literair debuut. Meerdere prijzen, al meer dan 60.000 exemplaren verkocht, met ook veel belangstelling buiten het Franse taalgebied. Een overrompelende familiegeschiedenis gecombineerd met een onthullend onderzoek naar radicale behandelingsmethoden in de psychiatrie. Manet van Montfrans las het spraakmakende boek Mon vrai nom est Elisabeth van Adèle Yon. 

Besproken boeken

Als filmwetenschapper ondernam Adèle Yon in 2019 een promotieonderzoek naar het motief van de dubbelganger in de twintigste-eeuwse film. Een van haar analyses betrof Rebecca (1940) van Alfred Hitchcock, een verfilming van de gelijknamige roman van Daphne du Maurier. Daarin probeert de tweede vrouw van een aristocratische weduwnaar haar plaats te vinden op een landgoed waar de geest van de eerste, mysterieus om het leven gekomen echtgenote nog rondwaart. Zij moet de confrontatie met deze voorgangster, Rebecca, aangaan om te ontdekken wie zij zelf is.

Tijdens dit onderzoek begon Yon zich, in de emotionele draaikolk van een ongelukkige relatie, eveneens te verdiepen in het leven van haar overgrootmoeder – Elisabeth, roepnaam Betsy – die in 1949 als schizofreen was gediagnosticeerd, daarop een lobotomie onderging en in 1950 onder dwang werd opgenomen in een psychiatrische inrichting. Deze overgrootmoeder was al overleden voor de geboorte van Yon in 1994. In de familie werd zij doodgezwegen, maar sinds Yons vroegste jeugd spookte haar beeld vooral op momenten van spanning en onzekerheid als een angstaanjagende schim door haar gedachten. De vrees dat zij erfelijk belast was en zelf onder de druk van een gespannen relatie haar verstand dreigde te verliezen, bracht haar ertoe om uit te zoeken wie deze overgrootmoeder was. Daarmee verankerde zij haar academische onderzoek in een persoonlijke vraagstelling, getuige ook het motto van haar boek, dat zij aan Roland Barthes ontleende: ‘Ik wilde er dieper op ingaan, niet als ware het een vraag (een opgave), maar als ware het een wond…’ (1)

In de jaren na 2019 voegde Yon haar wetenschappelijk onderzoek en haar persoonlijke queeste samen, en in december 2024 verdedigde zij haar proefschrift − een hybride tekst, waarin zij de geschiedenis van haar overgrootmoeder verweeft met haar persoonlijke ervaringen en haar onderzoek naar de geestelijke gezondheidszorg in Amerika en Frankrijk tussen 1945 en 1960. Het proefschrift werd in februari 2025 als boek uitgebracht, sloeg in als een bom en werd overladen met literaire prijzen. (2)

Een hybride tekst

Yon belooft in het begin van haar boek dat ze haar lezer geen enkele etappe uit haar caleidoscopische zoektocht zal besparen, en ze lijkt haar woord te hebben gehouden. Een afscheidsbrief van een zoon van Betsy doet dienst als proloog. Jean-Louis, zo luidt zijn naam, springt in januari 2023 uit het raam van een zevende verdieping, niet in een opwelling maar als een weloverwogen stap uit het leven. In zijn auto vindt zijn familie enkele boeken en een pasfoto van zijn moeder. Dat is alles wat hij heeft nagelaten. Met deze dramatische opening legt de vertelster meteen de centrale vraag van haar boek op tafel: wie was de vrouw op de foto? Wat is haar geschiedenis? Heeft de zelfmoord van haar zoon met haar te maken? Enigszins geholpen door haar eigen grootmoeder, Betsy’s oudste dochter, die zelf eigenlijk een vurig voorstander van het ‘heilzame vergeten’ is, zoekt Yon haar weg, eerst door de familiearchieven, daarna door de geschiedenis van de psychiatrie en moeilijk toegankelijke medische dossiers.

Yon belooft in het begin van haar boek dat ze haar lezer geen enkele etappe uit haar caleidoscopische zoektocht zal besparen, en ze lijkt haar woord te hebben gehouden.

Het boek telt drie delen. Deze behelzen een afwisseling van verhalende gedeelten, waarin de onderzoekster haar eigen situatie schetst, de weergave van haar gesprekken met generatiegenoten en nakomelingen van haar overgrootmoeder, kopieën van de briefwisseling tussen Betsy en haar echtgenoot André, fragmenten uit André’s dagboek en medische dossiers. Met deze expliciet aan de Russische filmregisseur Eisenstein ontleende montagetechniek eist zij de aandacht van haar lezer op. De losse fragmenten worden zonder verbindende tekst gepresenteerd: het is aan de lezer om te bedenken of en hoe die er ondanks de onderlinge tegenstrijdigheden een enigszins kloppend verhaal van kan maken. Pas in de laatste twintig bladzijden geeft Yon haar eigen interpretatie. De talrijke leden van haar conservatief katholieke familie – Betsy, de overgrootmoeder, was afkomstig uit een gezin van elf en was zelf moeder van zes kinderen − worden om redenen van discretie niet bij naam genoemd, maar als dochter, zoon, schoonzuster etc. aangeduid, eventueel met een voornaam. De briefwisseling en dagboekfragmenten dateren uit de periode 1940-1949, de gesprekken hebben merendeels plaatsgevonden in 2023, het laatste jaar van het onderzoek, na de zelfmoord van de zoon. Ze zijn her en der door het boek verspreid. Dit alles noopt tot veel terugbladeren en herlezen, en het is dan ook een boek om je grondig in te verdiepen, niet om in één adem uit te lezen.

In de briefwisseling uit de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog komt André, een beroepsmilitair, over als een conservatieve, starre man, die van zijn vrouw gehoorzaamheid verwacht en dat met een beroep op zijn godsdienst rechtvaardigt. Betsy, een mooie, intelligente en zelfbewuste jonge vrouw, wil – om een reden die pas aan het slot van het boek duidelijk wordt – door dit huwelijk haar familie ontvluchten zonder daarmee haar zelfstandigheid op te geven. Iets wat zij in de afsluiting van een brief subtiel duidelijk probeert te maken aan haar man: ‘Weet je wel dat mijn echte naam Elisabeth is?’ Niet de familiaire, mogelijk enigszins kleinerende roepnaam Betsy, maar de doopnaam voluit. Uit de brieven kunnen we al snel opmaken dat deze twee mensen niet bepaald voor elkaar bestemd waren.

Yon introduceert de correspondentie betrekkelijk laat, pas nadat ze een beeld heeft geschetst van een oude Betsy die nog slechts een schim van haar vroegere zelf is. Dat beeld wordt benadrukt door een foto die vlak voor haar dood moet zijn genomen, van een ernstig vermagerde vrouw met een afwezige blik in haar ogen. Door dit contrast komt de vrijgevochten inhoud van haar brieven als een verrassing. Yon heeft veel foto’s in haar boek opgenomen, maar in het geval van Betsy beperkt ze zich tot beschrijvingen.

Tijdens de gesprekken ontdekt Yon hoezeer het lot van deze overgrootmoeder op bijna al haar vrouwelijke familieleden gedrukt heeft of nog steeds drukt, bevreesd als ze zijn voor een genetische vloek. Vastbesloten om deze dreiging nader te definiëren, trotseert zij de medische bureaucratie en reconstrueert ze stukje bij beetje de geschiedenis van Betsy. In de eerste zeven jaar van haar huwelijk beviel Betsy van zes kinderen. De behandelend artsen meenden dat, ondanks herhaalde postnatale depressies, kinderen baren een goede remedie tegen haar onevenwichtigheid was. Dat bleek uiteraard niet het geval, en tussen haar bevallingen door werd ze behandeld met elektroshocks en insulinecoma’s. Na de geboorte van het laatste kind, in 1948, volgde in 1949 de diagnose: schizofrenie. Op aandringen van haar echtgenoot en haar vader en tegen het advies van de behandelend zenuwarts in, onderging Betsy in mei 1950 in een privékliniek een lobotomie. Naar haar eigen mening over deze ingreep werd al helemaal niet gevraagd. Omdat het gewenste resultaat uitbleef – transformatie tot een dociele echtgenote en een zorgzame moeder − werd ze onder dwang opgenomen in een gigantische psychiatrische inrichting met ruim twaalfhonderd, door zowel hun familie als de artsen opgegeven patiënten.

Pas in 1966 mocht ze, dankzij een grote organisatorische hervorming van de psychiatrische zorg, terug naar de maatschappij. Maar er waren zeventien jaar verstreken, in de familiekring was al die tijd angstvallig over haar lot gezwegen, haar kinderen waren door een schoonzuster opgevoed, de oudsten waren inmiddels getrouwd, haar echtgenoot had allang een nieuwe vrouw. Ze moest weer bij haar ouders gaan wonen. Slechts drie weken mocht ze ’s zomers samen met haar gezin in het Bretonse familiehuis doorbrengen. Haar kleinkinderen herinneren zich haar als een kinderlijke, vertederende, goedlachse vrouw met aan beide slapen een litteken.

Onomkeerbare psychiatrische ingrepen

In zijn glorietijd trok neuroloog Walter Freeman in een camper − in de overlevering ook wel ‘lobotomobiel’ genoemd − als een spullenbaas door Amerika en verrichtte soms wel twintig tot vijfentwintig operaties per dag. Hij fotografeerde zijn patiënten voor en na de ingreep, om te laten zien hoezeer ze opgeknapt waren.

In het tweede, meer academische deel van haar boek vat Yon aan de hand van een aantal wetenschappelijke bronnen de geschiedenis van de lobotomie samen. Voor de niet-medisch geschoolde lezer van 2025, die zich misschien alleen vaag films als One Flew Over the Cuckoo’s Nest (Miloš Forman, 1975) of An Angel at My Table (Jane Campion, 1990) herinnert, is het een verbijsterend verhaal. De bedenker van deze ingreep was de Portugese neuroloog António Egas Moniz, tevens een bemiddeld en invloedrijk politicus. De patiënten waren mensen met ernstige psychische klachten waarmee men zich geen raad wist en die zonder medisch ingrijpen veroordeeld zouden zijn tot levenslange opsluiting in overbevolkte gestichten. Tijdens de ingreep werd onder korte verdoving (morfine of elektroshock) de verbinding van het frontale gedeelte met de rest van de hersenen verbroken. Dit gebeurde via een boorgat in beide slapen. Het beoogde effect was een handelbare patiënt; de onvermijdelijke fysieke, emotionele en neurologische schade werd op de koop toe genomen. Deze methode wordt tegenwoordig als barbaars gezien, maar Egas Moniz kreeg in 1949 de Nobelprijs voor Geneeskunde. Het is een van de meest controversiële toekenningen in de geschiedenis van de prijs.

Egas Moniz’ uitvinding vond al voor de oorlog navolging in de Verenigde Staten dankzij het daadkrachtig optreden van de neuroloog Walter Freeman, die niet alleen naar een oplossing zocht om de onhoudbare situatie in de psychiatrische inrichtingen te bestrijden, maar die deze drastische maar op zich betrekkelijk eenvoudige ingreep helaas ook als een middel zag om zijn eigen ambities te verwezenlijken. Yon beschrijft in detail en met de nodige verontwaardiging de opkomst en ondergang van Freeman. Hij opereerde vanaf 1946 via de oogkas, wat de operatie minder veeleisend op het gebied van steriliteit en anesthesie maakte. In zijn glorietijd trok hij in een camper − in de overlevering ook wel ‘lobotomobiel’ genoemd − als een spullenbaas door Amerika en verrichtte soms wel twintig tot vijfentwintig operaties per dag. Hij fotografeerde zijn patiënten voor en na de ingreep, om te laten zien hoezeer ze opgeknapt waren. Daar zaten uiteraard niet degenen bij die tijdens de operatie overleden (mortaliteit 5 tot 8%) en ook niet degenen bij wie de ingreep niet tot de gewenste ‘verbetering’ had geleid (een derde van de patiënten). (3) In Amerika werden tussen 1936 en 1960 naar schatting meer dan 40.000 dergelijke operaties verricht. Met de opkomst van psychofarmaca in de jaren vijftig kwam er een eind aan deze ingrepen.

Maar toen was Freemans succes allang overgewaaid naar Europa. In Frankrijk verrichtte men de eerste lobotomie eind jaren veertig. Na een taaie rondgang door de medische archieven ontdekt Yon dat haar overgrootmoeder was geopereerd door de Franse evenknie van Freeman, Marcel David: een katholieke, militaire arts, een ‘De Gaulle van pappige boetseerklei, met slagershanden’, ‘een figuur uit een nachtmerrie’, aldus Yon, die, weinig wetenschappelijk verontwaardigd maar wel aanstekelijk, haar antipathie tegen deze ‘pionier van de neurochirurgie’ onder woorden brengt.

Betsy’s echtgenoot en vader drongen aan op een invaliderende operatie van een vrouw die, amper bekomen van haar laatste postnatale depressie, de last van een groot gezin niet alleen kon dragen, haar man afwees en aan woede-uitbarstingen leed.

In de bibliografie van David vindt ze een artikel met een precieze beschrijving van de operatie: ‘Enkele beschouwingen over prefrontale lobotomieën’ (ook opgenomen in het boek). De plastische details maken zo’n indruk op haar dat ze haar onderzoek opschort, haar dissertatie in de ijskast zet, en haar problematische vriend definitief de deur wijst. Ze gaat aan de slag in de keuken van een restaurant in Marseille, waar het haar taak is om grote stukken varken uit te benen. Het vlees is bestemd voor de bereiding van paté. Met de beschrijving van David voor ogen probeert ze zich fysiek in te leven in de sensaties die een chirurg bij een lobotomie ervaart: het scalpel dat over het bot schuurt, de weerstand van de weke, witte hersensubstantie, en ze vraagt zich af of hem tijdens dit werk net zoals haarzelf het resultaat ervan − ‘paté, paté, paté’ − voor ogen heeft gestaan.

Pas als ze dit handwerk onder de knie heeft neemt ze de draad weer op: de dissertatie over dubbelgangers en het onderzoek naar de familiegeschiedenis zijn inmiddels met elkaar verweven. De volgende verhelderende vondst die haar bronnenonderzoek oplevert is een medisch proefschrift uit 1951 dat een verhandeling bevat over ‘de plaats van de lobotomie in het familiedrama’. Daarin wordt het geval van haar overgrootmoeder besproken, en wordt ook de bedenkelijke rol van haar echtgenoot en vader duidelijk belicht. Zij drongen aan op een invaliderende operatie van een vrouw die, amper bekomen van haar laatste postnatale depressie, de last van een groot gezin niet alleen kon dragen, haar man afwees en aan woede-uitbarstingen leed. Uiteindelijk geeft de aanbeveling van een arts – die de patiënte nooit zelf heeft gezien maar die afgaat op wat haar echtgenoot over haar vertelt – de doorslag.

Schokkende bevindingen

De bevindingen die Yon op basis van haar onderzoek formuleert zijn onthutsend. In principe kwamen alleen patiënten met ernstige depressies, angst- en dwangstoornissen in aanmerking voor een lobotomie. Er werden echter ook mensen geopereerd die de orde binnen het gezin of in meer algemene zin verstoorden maar pas kort of nooit eerder door een arts voor psychische problemen behandeld waren. De ingreep werd bovendien met een schokkende achteloosheid verricht. Het optreden van Freeman slaat alles, maar ook in inrichtingen zoals die waar Yons overgrootmoeder verbleef was geen enkele operatiefaciliteit beschikbaar en deed de tafel waarop obducties werden verricht tevens dienst als operatietafel. De resultaten lieten, zoals al vermeld, te wensen over. En als klap op de vuurpijl: van de groepen patiënten waarover Yon gegevens kon verzamelen was meer dan 80% vrouw. Om dit percentage te kunnen generaliseren zou meer onderzoek moeten worden verricht, maar veel studie is hier, aldus Yon, nog niet van gemaakt. Hetgeen uiteraard ook boekdelen spreekt. (4)

Behalve psychiatrisch patiënten werden ook mensen geopereerd die de orde binnen het gezin of in meer algemene zin verstoorden maar pas kort of nooit eerder door een arts voor psychische problemen behandeld waren. Meer dan 80% van de patiënten was vrouw.

Inmiddels houdt de verontwaardiging van de lezer gelijke tred met die van de gedreven onderzoekster. Een individu, opvallend vaak dus een vrouw, cognitief en affectief beperken woog minder zwaar dan aanpassing aan de maatschappelijke normen. De vraag of die normen niet voor discussie vatbaar waren, werd niet gesteld. En dat er voor die ziekteverschijnselen ook andere dan fysiologische oorzaken zouden kunnen zijn, zoals het milieu waarin de persoon in kwestie is opgegroeid of een trauma, werd al evenmin in aanmerking genomen. De tijd van de antipsychiatrie à la Ronald Laing was nog niet aangebroken.

Maar, zo erkent Yon, ook haar eigen angst voor een genetisch psychische aandoening kwam voort uit het geloof in een fysiek substraat van de veronderstelde geestesziekte van haar overgrootmoeder, een geloof dat veel van haar familieleden blijken te delen. En dan komt zij, naar aanleiding van de hevige woedeaanvallen waaraan zij zelf soms ten prooi is, toch weer terug bij de vraag of de psychische gesteldheid van haar overgrootmoeder erfelijk is. Zouden die aanvallen haar zelf vijftig jaar geleden ook in een inrichting hebben doen belanden? Men zegt vaak dat ik ‘te’ (trop) ben, schrijft Yon, ‘te veel’, ik neem ‘te veel’ plaats in, ik ben ‘te’ aanwezig en ‘te’ temperamentvol. Dat zeiden ze ook over Betsy, zij was ook ‘te’ opstandig, ‘te’ vrij, ‘te’ geëmancipeerd, en dat ‘te’ is bij haar destijds ‘vakkundig’ gecorrigeerd. Een sprekend voorbeeld van het ‘te’ van Yon is haar anatomische les in de restaurantkeuken, waarin ze, met de lobotomist van haar overgrootmoeder voor ogen, verwoed de kunst van het uitbenen onder de knie probeert te krijgen.

Nadat ze zich in het derde deel, tijdens gesprekken met vroegere werknemers van de inrichting van haar overgrootmoeder, ook nog grondig heeft verdiept in haar onvoorstelbaar troosteloze bestaan aldaar, zoekt Yon tot slot een laatste familielid op, de dochter van een jongere zus van Betsy. Zij woont in een bergdorp vlak boven het katholieke bedevaartsoord Lourdes. En ironisch genoeg valt daar op die symbolische plek, waar zoveel wonderbaarlijke genezingen zouden hebben plaatsgevonden, nog een stukje van de puzzel op zijn plaats. Eindelijk hoort ze waarop tijdens al die eerdere gesprekken met haar familie al vaker is gezinspeeld maar wat nooit eerder hardop is uitgesproken: Betsy ontvluchtte in haar overhaaste huwelijk haar vader, die haar en haar jongere zus belaagde. En die haar uiteindelijk ook, als medeverantwoordelijke voor haar lobotomie, tot zwijgen bracht.

Een proefschrift als leerschool

Yon profiteert van haar overgeërfde temperament om Betsy’s levensverhaal om te smeden tot een felle aanklacht tegen een patriarchale maatschappij, waarin vrouwen geen zeggenschap over hun eigen lichaam hadden en waarvan de normen destijds ook door vertegenwoordigers van de medische wetenschap onderschreven werden.

Wat heeft de confrontatie met haar dubbelgangster Yon nu opgeleverd? Misschien is door de laatste onthulling de angst voor een genetische aandoening, de eerste drijfveer voor haar onderzoek, getemperd. Maar haar rondgang door de medische archieven heeft haar geloof in de wetenschap c.q. archiefonderzoek als middel om achter de waarheid te komen ernstig op de proef gesteld en haar wantrouwen tegenover autoritaire structuren versterkt. Net zoals de gesprekken met haar familie hebben de medische dossiers maar een heel onvolledig beeld van haar grootmoeder opgeleverd. Haar familieleden logen misschien niet maar konden of wilden niet alles zeggen, en de archieven, waarin de tijdgeest naar believen heeft gecensureerd, zijn partijdig. Hoe verwoestend al dat zwijgen is geweest blijkt niet alleen uit het leven van Betsy zelf en het schrikbeeld dat zij voor haar vrouwelijke nakomelingen was, maar ook uit de zelfmoord van haar zoon, die niet langer kon leven met het besef dat hij uit schaamte het bestaan van zijn moeder altijd had ontkend. Betsy kon door haar behandeling geen uiting meer geven aan haar woede, maar Yon profiteert van haar overgeërfde temperament om Betsy’s levensverhaal om te smeden tot een felle aanklacht tegen een patriarchale maatschappij, waarin vrouwen geen zeggenschap over hun eigen lichaam hadden en waarvan de normen destijds ook door vertegenwoordigers van de medische wetenschap onderschreven werden. Wie tien jaar geleden nog dacht dat dergelijke normen gelukkig verleden tijd waren, wordt nu helaas elke dag opnieuw door de actualiteit uit de droom geholpen.

Haar onderzoek heeft Yon ook haar schrijftalent doen ontdekken. Haar debuut is niet alleen emotioneel gedreven, maar ook heel vrij geschreven, meerstemmig, vol spreektaal en dramatische ironie in de vraaggesprekken, indirecte maar rake karakteriseringen van haar familieleden en een inventief spel met verwijzingen naar haar filmische en literaire voorbeelden. Onder haar pen groeit Betsy uit tot Elisabeth. Behalve van haar overgrootmoeder, schetst ze ook een liefdevol en humoristisch portret van haar grootouders, bij wie ze in deze moeilijke periode van haar leven terecht kon. Haar grootmoeder, de oudste dochter van Betsy, is een nuchtere, niet zo subtiele vrouw die het verleden het liefst zou willen laten rusten, maar die ook nieuwsgierig is en haar kleindochter toch steeds, zij het met tegenzin, een eindje verder op weg helpt. Aan haar, de oudste dochter van Betsy, heeft Yon het boek opgedragen. De grootvader, veel gevoeliger, corrigeert zijn vrouw als ze veinst bepaalde, ook voor henzelf pijnlijke zaken vergeten te zijn.

Op het overlijdensbericht van Betsy liet de familie een foto van haar als achttienjarig meisje afdrukken.

Als epiloog dient een korte chronologische levensbeschrijving van Betsy/Elisabeth. Daarin komt het leidmotief van de dubbelganger terug. Het is een variatie op een beroemde scène uit Hitchcocks Rebecca. (5) Mrs. de Winter probeert haar echtgenoot te verrassen door een gekostumeerd bal te organiseren. Op instigatie van de boosaardige huishoudster draagt zij een avondjurk die geïnspireerd is op een schilderij dat in het trappenhuis hangt, niet wetende dat haar voorgangster Rebecca datzelfde idee heeft gehad. Het komt haar op een woedende afwijzing te staan; Mr. de Winter wil onder geen beding herinnerd worden aan zijn vorige vrouw. Zo ook probeert Elisabeth na haar terugkeer haar echtgenoot weer voor zich te winnen met een kopie van de japon waarin ze zich dertig jaar daarvoor met hem verloofd heeft. Het contrast van zijn gehavende, vroeg verouderde vrouw met die stralende jonge verschijning van toen kan André niet verdragen – schrik, afkeer en boosheid strijden om voorrang. Hij beveelt haar de japon onmiddellijk uit te trekken en zegt dat ze zich niet zo moet aanstellen. Elisabeth draait zich kalm om en denkt: morgen ga ik het opnieuw proberen. Yon: ‘Elisabeth is nog vol vertrouwen. Ze is jong, ze heeft de tijd.’

Op het overlijdensbericht van Betsy liet de familie een foto van haar als achttienjarig meisje afdrukken.

Noten

(1) Roland Barthes, La Chambre claire. Note sur la photographie (Seuil 1980, p. 42). Vert. Maartje Luccioni, De lichtende kamer. Aantekening over fotografie (Arbeiderspers 1988, p. 30). Beschouwing over de fotografie naar aanleiding van zijn ontroering bij het zien van een jeugdfoto van zijn overleden moeder.
(2) Een proefschrift in een dergelijke vorm zou twintig jaar geleden nog ondenkbaar zijn geweest. Yon schreef het in het kader van de postdoctorale opleiding van de École normale supérieure de Paris en SACRe, een betrekkelijk nieuwe opleiding aan Université Paris Sciences et Lettres. Volledige titel: Mon vrai nom est Elisabeth. Enquête sur le double fantôme
(3) Zie over Freeman verder de documentaire The Lobotomist (2008) van Barak Goodman en John Maggio; Claudine Desmarteau, Le Nobel des massacreurs (Gallimard 2024); Willem van der Does, De magie van genezing. Radicale ideeën uit de geschiedenis van de psychiatrie (Alfabet Uitgevers 2023).
(4) Yon noemt als uitzondering op de regel drie studies, waaronder, betrekkelijk recent, een artikel van Aymeric Amelot, Marc Levêque, Louis-Marie Terrier, ‘Brain surgery: Most lobotomies were done on women’, in Nature, augustus 2017.
(5) In 1949 noteerde André in zijn dagboek dat hij Rebecca van Du Maurier had gelezen. Zou tijdens deze dramatische scène de gedachte aan die roman door zijn hoofd hebben gespeeld? Deze vraag blijft natuurlijk onbeantwoord, maar de schrijfster heeft er bij het bedenken van dit slot ongetwijfeld wel aan gedacht.