Advertentie
banner Ambo Anthos koch 2026#2 (voor website)

Schaduwen knippen met een magische schaar

Gerdien Verschoor bespreekt Het bed met de gouden poot van Zigmunds Skujiņš. Eenendertig jaar na publicatie verschijnt het boek nu in Nederlandse vertaling. Dat geeft blijk van de huidige populariteit van familiegeschiedenissen. Verschoor schrijft: ‘Ze vertellen niet alleen persoonlijke verhalen, maar gaan over mensen die via het collectieve geheugen naar zingeving zoeken.’

Besproken boeken

De laatste jaren verschenen er heel wat familiegeschiedenissen die zich afspelen aan de andere kant van Europa. Neem bijvoorbeeld Zulajka opent haar ogen van de Russisch-Tataarse Guzel Jachina, Moedermelk van de Letse Nora Ikstena, Rode sirenes van de Oekraïense Victoria Belim of Het achtste leven (voor Brilka) van Nino Haratischwili. Het bed met de gouden poot van Zigmunds Skujiņš is ook zo’n familiegeschiedenis. Het is de tweede roman die direct vanuit het Lets naar het Nederlands is vertaald. De volkomen onbekende literatuur uit deze regio komt nu eindelijk in vertalingen tot ons. De Georgiërs, de Letten, de Oekraïners, en ook enkele Russen: ze deconstrueren het beeld van een homogeen Sovjetrijk zoals Poetin dat graag ziet. Ze nemen ons mee, hun eigen romans in, met personages die geweven zijn uit talloze verzonnen en waargebeurde verhalen. De boeken stellen het lot en de meerstemmige identiteit van families in het licht. Een mens bestaat nooit op zichzelf, schaduwen uit het verleden bepalen wie we zijn. Dat de grenzen tussen feit en fictie daarbij vervagen – nou en?

Spinnenweb van families

Zigmunds Skujiņš (1926-2022) werd geboren in Riga. Als jongen van zeventien werd hij opgeroepen voor het Duitse leger. Hij raakte gewond, werd naar een werkkamp in Siberië gestuurd en wist zichzelf te redden door in Letland uit de trein te springen. Na de oorlog studeerde hij aan de Janis Rozentālskunstacademie. Hij werd lid van de communistische jongerenbeweging Komsomol, werkte als journalist, en schreef korte verhalen en romans. Zijn vroegste personages voldeden aan het ideaalbeeld van de brave Sovjetburger, maar zijn stijl was wel vernieuwend. Vanaf de jaren zeventig begon hij kritischer te schrijven en werd hij minder door het socialisme beïnvloed. In de jaren tachtig zette hij zich actief in voor de Letse taal en cultuur. Hiervoor ontving hij een aantal hoge onderscheidingen.

Een mens bestaat nooit op zichzelf, schaduwen uit het verleden bepalen wie we zijn. Dat de grenzen tussen feit en fictie daarbij vervagen – nou en?

Het bed met de gouden poot verscheen in 1984 in een oplage van honderdduizend en werd meteen een bestseller. 1984! Tussenpaus Konstantin Tsjernenko was de leider van de Sovjet-Unie, Letland was nog steeds een Sovjetrepubliek, en het zou nog een jaar duren voordat Michail Gorbatsjov aan de macht zou komen en stapsgewijs zijn glasnost zou introduceren. Skujiņš schreef de roman dus in een tijd waarin het vrije woord niet vanzelfsprekend was en geeft een gekleurde kijk op de geschiedenis, zoals vertaalster Brenda Lelie in haar nawoord toelicht. Tegelijkertijd schrijft hij verhullend over situaties die in de Sovjet-Unie niet openlijk besproken konden worden en maakt hij rijkelijk gebruik van metaforen – waarvan er veel, vermoed ik, aan mijn aandacht zijn ontsnapt vanwege mijn beperkte kennis van de Letse geschiedenis.

Het boek begint met een familiestamboom die vijf generaties omvat en als een spinnenweb voor in het boek is afgebeeld. De oervaders van de familie Vējagals zijn Noass – een ondernemende scheepsmagnaat die de wereldzeeën bevaart – en zijn jongere broer Augusts, die zijn hele leven lang in de kustplaats Zunte blijft wonen en daar de familiezaken behartigt. Volgens de familielegende verbergt Noass zijn kapitaal in de poot van zijn bed – de zoektocht naar die schat loopt als een rode draad door het boek. We volgen de broers tijdens de Eerste Wereldoorlog, wanneer Augusts zich ontfermt over vondeling Marta en de Letse onafhankelijkheid aan de horizon gloort.

Nakomelingen

De krachtigste en meest tot de verbeelding sprekende personages in het boek zijn twee vrouwen: Leontīne, de dochter van Noass, en de al eerder genoemde Marta, de aangenomen dochter van Augusts. Marta keert na een verblijf in Moskou terug naar Letland om als partizanenhospik een rol aan het front te vervullen – we zijn inmiddels in de Tweede Wereldoorlog aanbeland. Wanneer ze terugkeert uit haar Duitse gevangenschap heeft ze moeite haar leven in Zunte weer op te pakken. ‘Haast ongemerkt was ze het soort vrouw geworden wier kleren naar sigarettenrook stinken, die afgevallen knopen vervangt door veiligheidsspelden en haar garderobe aanvult met mannenkleding.’

Leontīne keert terug naar Zunte vanuit de Sovjet-Unie, waar ze de burgeroorlog heeft meegemaakt. Ze arriveert geëmotioneerd met de eerste trein die na de oorlog weer naar Zunte rijdt. Maar al snel is haar moment van zwakte voorbij. ‘Ze veegde de tranen van haar wangen en snoot haar neus in haar vingers (de zakdoeken waren opgegeten, of beter gezegd geruild tegen eten, net als de handdoeken, jurken en zelfs vierendertig van de mooiste foto’s die Ruy Tripotier haar had gegeven).’ Net zo ondernemend als haar vader maakt ze het onbewoonde familiehuis op orde, begint er een winkel, en voedt er als alleenstaande moeder haar zoon Indriķis op – die op den duur plotseling uit haar leven verdwijnt. Jaren nadat hij vermist is geraakt, ontvangt ze van hem een brief uit Engeland. Pakjes uit Engeland en een uitnodiging om Indriķis te bezoeken, volgen. Maar daar treft ze tot haar schrik kleinkinderen aan die zich op geen enkele manier meer met Letland identificeren.

Familiegeschiedenissen leren ons meer te begrijpen van het menselijk handelen tegen de achtergrond van de grote geschiedenissen.

Collectief geheugen

Aan het einde van het boek krijgt een nazaat uit een volgende generatie, Imants Vējagals, van de gemeente Zunte de opdracht een bronzen standbeeld te maken van de revolutionair Eduards Vējagals alias John Wellingboy alias Eduward Weigel alias 1-2837284 alias Edward Rodriquez alias Eduards Noasevitsj, de zoon van Noass. De schaduwen uit zijn verleden zijn terug te vinden in al zijn aliassen.Maar hoe Imants zich ook inspant, het lukt hem niet zich een beeld van de man te vormen op basis waarvan hij zijn sculptuur kan boetseren. Niemand heeft hem goed gekend, niemand kan zijn uiterlijk beschrijven – Eduards is onder de ‘meest mysterieuze omstandigheden’ van de aardbodem verdwenen. ‘Er was maar één oplossing’, schrijft Skujiņš. ‘De zwaarte van het uit te voeren plan verdrijven met de zwaarte van daadwerkelijk aan de slag gaan, en langzaamaan het beeld dat was ontstaan uitwerken. Hij wist nu hoe de sculptuur eruit moest zien.’ Daarmee zien we misschien wel Skujiņš zelf aan het werk, en zijn streven een roman te schrijven op basis van historisch materiaal dat net als Eduards voortdurend van identiteit veranderde.‘Op de vraag naar de zin van het leven antwoordt iedereen met een opsomming van zijn levensloop’, schreef György Konrád. Misschien dat familiegeschiedenissen daarom steeds weer tot onze verbeelding spreken. Ze vertellen niet alleen persoonlijke verhalen, maar gaan over mensen die via het collectieve geheugen naar zingeving zoeken. Ze leren ons meer te begrijpen van het menselijk handelen tegen de achtergrond van de grote geschiedenissen. En de komende generaties? Wat staat hen te doen? ‘Hetzelfde als vele anderen’, zegt een wijze archivaris aan het einde van deze roman. ‘Hij zal op zoek gaan naar de magische schaar waarmee hij de schaduwen kan wegknippen.’