Advertentie
BOOM – Banner DNBG 2026 #1 – px

Regimewisselingen toen en nu

De arrestatie van de Venezolaanse president Maduro laat zien dat Amerikaanse interventie in de binnenlandse politiek van andere landen allerminst een historisch verschijnsel is uit de Koude Oorlog. Ook toen speelden de Verenigde Staten wereldwijd een actieve rol bij het omverwerpen van communistische regimes en het onderdrukken van communistische bewegingen. Nu de Nederlandse vertaling van Vincent Bevins’ De Jakartamethode is verschenen, vraagt historicus Clemens Six zich af of dit boek ook nieuwe, actuele inzichten biedt in hedendaagse regimewisselingen.

De gerespecteerde Amerikaanse journalist en historicus Anne Applebaum, die in 2024 een boek publiceerde over de opkomst van autoritarisme, noemde de voornaamste politieke missie van de huidige Amerikaanse regering een ‘regimeverandering’. De eerste stappen in die richting werden met veel bombarie gezet door het inmiddels alweer opgeheven Department of Government Efficiency (DOGE), tot mei 2025 geleid door Elon Musk. Maar ook zonder DOGE blijft de regering-Trump aanvallen uitvoeren (zoals blijkt uit wat er recentelijk in Venezuela is gebeurd). De aanvallen richten zich niet alleen op instellingen die cruciaal zijn voor de Amerikaanse democratie en het buitenlands beleid, maar ook op de politieke cultuur zelf, inclusief de onafhankelijke positie van het ambtenarenapparaat. Volgens Applebaum maken deze maatregelen deel uit van een allesomvattend project om het bestaande Amerikaanse politieke systeem te vervangen door een nieuwe bestuursvorm waarin persoonlijke loyaliteit aan de president het enige is wat telt.

Op vergelijkbare wijze zien invloedrijke rechtse kringen in Washington Europa, en vooral de Europese Unie, als een toneel voor regimewisseling. In mei van dit jaar publiceerde Samuel Samson, senior adviseur bij het Bureau voor Democratie, Mensenrechten en Arbeid van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, een officieel document met de titel ‘The Need for Civilizational Allies in Europe’. Daarin pleit hij voor niets minder dan regimewisseling in meerdere Europese landen, om zo de basis te leggen voor een zogenoemde ‘beschavingsalliantie’ bestaande uit christelijk georiënteerde naties, verspreid over het oude continent. Toen in december 2025 het document van Trump (‘veiligheidsstrategie’) uitlekte, betekende dit voor veel Europese leiders een definitieve bevestiging van hun al langer gekoesterde vermoedens.

Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken pleit voor niets minder dan regimewisselingen in meerdere Europese landen, om zo de basis te leggen voor een zogenoemde ‘beschavingsalliantie’ bestaande uit christelijk georiënteerde naties.

Los daarvan gebruiken journalisten en wetenschappers het concept van regimewisseling ook om kritiek te uiten op het Amerikaanse buitenlandbeleid in het Midden-Oosten en daarbuiten. Na de desastreuze oorlogen in Irak en Afghanistan waarschuwen zij Washington voor de onvoorspelbare risico’s en potentieel catastrofale gevolgen van nieuwe militaire interventies in landen als Iran en Jemen, die bedoeld zouden zijn om bestaande politieke regimes en ordes te vervangen. Zulke missies zijn niet alleen militair riskant; ook de langetermijngevolgen voor de burgerbevolking en lokale economieën wijken vaak sterk af van de ‘nobele’ retoriek en idealistische plannen die ze moeten rechtvaardigen. In deze context is regimewisseling eerder een recept voor (meer) onheil dan een strategie voor meer democratie en welvaart.

Nieuwe inzichten

Regimewisseling is een historisch verschijnsel dat na 1945 een opmerkelijke ontwikkeling doormaakte. Intensief onderzoek stelde historici in staat een veel scherper beeld te krijgen van de politieke en economische motieven erachter, de uiteenlopende manieren waarop zulke veranderingen tot stand kwamen, en de gevolgen ervan, zowel op korte als op lange termijn, vooral voor lokale gemeenschappen.

Dankzij een aantal inmiddels vrijgegeven documenten, met name uit Amerikaanse archieven, weten we dat het ministerie van Buitenlandse Zaken, het Pentagon en de CIA tijdens de Koude Oorlog regimewisseling breed definieerden als ‘een proces waarbij de structuur van de zittende regering wordt ontmanteld en vervangen door een andere regeringsvorm’ (CIA, 1986). Die definitie omvatte zowel de angst voor regime- en leiderschapswisselingen die het communisme in zogenoemde derdewereldlanden zouden bevorderen, als het idee dat regimewisseling voor Amerikaanse beleidsmakers een veelbelovende strategie was om het kapitalisme en de liberale democratie wereldwijd uit te breiden.

In het buitenland afgedwongen regime- en leiderschapswisselingen hebben niet opgeleverd wat ze moesten opleveren: de bevordering van democratie en mensenrechten.

Tegelijkertijd zijn historici en deskundigen op het gebied van internationale betrekkingen – zoals Lindsey A. O’Rourke – tot de conclusie gekomen dat zulke door het buitenland afgedwongen regime- en leiderschapswisselingen, hoewel bepalend voor de wereld van vandaag, meestal niet hebben opgeleverd wat ze moesten opleveren: de bevordering van democratie en mensenrechten.

Dat roept de vraag op wat de vertaalde studie van Vincent Bevins over de ‘Jakartamethode’ en ‘hoe het Amerikaanse anticommunisme de wereld veranderde’ nog toe te voegen heeft aan deze inzichten. Kan de Nederlandse vertaling van dit boek, vijf jaar na de oorspronkelijke Engelse editie, nieuwe perspectieven bieden die tot nu toe te weinig aandacht hebben gekregen – ook in het maatschappelijke debat?

Erfenis van de Koude Oorlog

Vincent Bevins is een Amerikaanse journalist en internationaal schrijver die jarenlang voor The Washington Post werkte als correspondent voor Zuidoost-Azië. Hij was gestationeerd in Jakarta en raakte niet alleen geïnteresseerd in de hedendaagse Indonesische geschiedenis, maar ook in de impact van externe invloeden op de Indonesische samenleving en economie tijdens en na de Koude Oorlog.

Het boek identificeert ‘Jakarta’ overtuigend als blauwdruk voor interventies gericht op massamoorden en regimeverandering in ten minste elf andere gevallen.

De Jakartamethode is zijn poging om een nieuwe interpretatie te geven aan het Amerikaanse buitenlandse beleid na 1945, toen het zijn noodlottige invloed niet alleen in Indonesië, maar ook in andere samenlevingen in het mondiale Zuiden ontwikkelde. In deze context verwees ‘Jakarta’ niet in de eerste plaats naar de Indonesische hoofdstad, maar naar een codenaam die de CIA in de jaren zestig en zeventig gebruikte in Brazilië, Chili en andere landen voor door de VS geleide uitroeiingsplannen tegen linkse of communistische regeringen in Latijns-Amerika, Afrika en Azië.

De term gaat terug op de anticommunistische massamoorden die in 1965 en 1966 in Indonesië plaatsvonden op Java en andere eilanden van de archipel. Volgens Bevins vormden deze massamoorden, uitgevoerd met steun van Washington, Londen en andere westerse hoofdsteden, de basis voor een politieke strategie van massamoord en regimeverandering die niet alleen tijdens de Koude Oorlog werd toegepast, maar ook in onze huidige wereld. Bevins stelt dat zowel de militaire omverwerping van de jonge democratie in Brazilië in 1964 als de noodlottige gebeurtenissen in Indonesië in 1965/66 ‘resulteerden in een monsterlijk systeem van uitroeiing – dat wil zeggen: de stelselmatige massamoord op burgers, een systeem dat voor een heel groot deel vormgaf aan de wereld waarin wij nu leven.’

Wat voor ons vandaag relevant blijft, is dat de Jakartamethode collectieve, grotendeels onopgeloste trauma’s veroorzaakte. Ze vernietigde namelijk elk geloofwaardig alternatief voor de kapitalistische wereldorde en installeerde een repressieve en paranoïde politieke stijl die nog steeds gangbaar is.

Het boek identificeert ‘Jakarta’ overtuigend als blauwdruk voor interventies gericht op massamoorden en regimeverandering in ten minste elf andere gevallen. Voorbeelden hiervan zijn de machtsgreep van dictator Marcos op de Filipijnen eind 1972, de omverwerping van Allendes democratisch gekozen, socialistische regering in Chili in 1973 en de militaire staatsgreep in Argentinië in 1976. Als zodanig moet de Jakartamethode minder worden begrepen als een door de CIA geleide wereldwijde politiek, maar meer als een ‘los netwerk’: een strategie die vorm kreeg in verschillende historische conflicten tussen de VS en linkse krachten wereldwijd. Amerikaanse buitenlandbeleidsmakers verspreidden deze strategie over de hele wereld om hun imperiale belangen veilig te stellen, onder meer via politieke controle en economische penetratie. Bovendien droegen deze ‘uitroeiingsprogramma’s’, gerechtvaardigd door anticommunistische principes, in belangrijke mate bij aan de ‘Amerikaanse overwinning’ op de Sovjet-Unie eind jaren tachtig. Wat voor ons vandaag relevant blijft, is dat de Jakartamethode collectieve, grotendeels onopgeloste trauma’s veroorzaakte. Ze vernietigde namelijk elk geloofwaardig alternatief voor de kapitalistische wereldorde en installeerde een repressieve en paranoïde politieke stijl die nog steeds gangbaar is.

Optimistisch vertrouwen

Het boek biedt inderdaad een inspirerend langetermijnperspectief op gewelddadig anticommunisme en regimeveranderingen tijdens de Koude Oorlog. Het concept van een patroon, of eerder een los netwerk, stelt ons in staat de verstrengeling en wederzijdse beïnvloeding te begrijpen tussen geografisch ver verwijderde gewelddadige conflicten, die zich voordeden in verschillende tijdsgebonden en maatschappelijke contexten. Twee discussiepunten verdienen echter nadere aandacht.

Je zou kunnen stellen dat de Tweede Wereldoorlog zelf de belangrijkste inspiratiebron was voor het interventionisme van de Koude Oorlog.

Ten eerste kan de poging om sleutelgebeurtenissen te identificeren voor het ontstaan van dergelijke patronen niet beperkt blijven tot Brazilië en Indonesië in de jaren zestig. Als alternatief zou men kunnen stellen dat de Tweede Wereldoorlog zelf de belangrijkste inspiratiebron was voor het interventionisme van de Koude Oorlog. De overwinning van de geallieerde strijdkrachten en de wederopbouw van politieke systemen, niet alleen in Europa maar ook in Japan en andere Aziatische samenlevingen, luidden het succesverhaal van regimewisseling in, dat na 1945 leidde tot een te optimistisch vertrouwen in dergelijke methoden. In dat licht was de uitkomst van de Tweede Wereldoorlog en de naoorlogse planning de geboorte van het paradigma van regimewisseling. Een ander alternatief is de door de CIA geleide omverwerping van het presidentschap van Jacobo Árbenz in Guatemala in 1954, die door historici van de Koude Oorlog grotendeels wordt beschouwd als een cruciale episode die het interventionisme van de Koude Oorlog vormgaf.

Een tweede overweging betreft de rol van binnenlandse factoren bij anticommunistisch geweld en regimewisselingen. Bevins’ nadruk op externe factoren leidt ertoe dat wordt onderschat hoe spanningen en conflicten binnen deze samenlevingen zelf bijdroegen aan politieke onrust, een aspect dat door verschillende recente historische casestudies overtuigend is aangetoond.

Nu Nederland nog

Over het geheel genomen is het boek van Bevins een verhelderende analyse van een duister maar invloedrijk historisch patroon. Het valt te hopen dat de Nederlandse vertaling meer onderzoek zal stimuleren naar een verwant, eveneens weinig onderzocht onderwerp: de Nederlandse bijdrage aan het gewelddadige anticommunisme sinds 1945. Een van de relevante voorbeelden in deze context is de anticommunistische massamoord in Indonesië in 1965 en 1966 zelf. Meer systematische studies van documenten die destijds zijn geproduceerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken, het ministerie van Financiën, de Raad van Ministers en de ministeries van Algemene Oorlogvoering van het Koninkrijk (AOK) en van Algemene Zaken (AZ), allemaal bewaard in het Nationaal Archief in Den Haag, bieden inzicht in de Nederlandse aanpak van deze specifieke regimewisseling. Hoewel de Nederlandse autoriteiten Soeharto’s pogingen om het geweld te orkestreren niet met militaire middelen lijken te hebben gesteund, waren de Nederlanders zich duidelijk bewust van de ondersteunende rol van de Verenigde Staten bij de massavervolgingen, zagen zij de situatie al vroeg als een kans voor toekomstige economische en politieke samenwerking met een anticommunistisch regime, en verleenden zij financiële steun aan de kringen rond Soeharto om de politieke dominantie van de massamoordenaars te helpen stabiliseren. Er is ontegenzeggelijk meer onderzoek nodig naar deze en andere vormen van Nederlands anticommunisme, ook om hier in Nederland meer publieke aandacht te genereren voor deze controversiële hoofdstukken, zeg maar gerust donkere kanten van het Nederlandse Koude Oorlog-beleid.