Een spannend spel met auteurschap: de vertaler Henkes
Robbert-Jan Henkes geldt al jarenlang als gezichtsbepalende literair vertaler. Zijn werk is spannend, speels en creatief. Vertaalwetenschapper Ton Naaijkens – zelf ook prijswinnend vertaler – bespreekt Henkes’ dichtbundel Nachttroittoir, waarin 77 keer hetzelfde gedicht van Aleksandr Blok is vertaald in evenzoveel stijlen.
Besproken boeken
Soms lijkt het of Robbert-Jan Henkes sneller vertaalt dan zijn schaduw, in dit geval de auteur. Een riskante uitspraak, ik weet het. Maar soms staat de auteur inderdaad in de schaduw omdat alle aandacht uitgaat naar een creatieve vertaler wiens parateksten bovendien meer dan de moeite waard zijn om ook los van het desbetreffende boek te lezen.
Ik geef twee voorbeelden, waarvan het ene enige tijd terug ligt en ook op conto gaat van Henkes’ mede-vertaler Erik Bindervoet: ik bedoel het in 2018 verschenen Varia van James Joyce, een boek met lezingen, essays, artikelen, gedichten en toneelwerk van de Ier, maar vooral ook voorzien van uitgebreide ‘Nawoorden en aantekeningen’ van zo’n 130 pagina’s. Een tweede voorbeeld betreft een dun boekje van amper zestien bladzijden: Antonin Artaud, De indiaanse cultuur (2025). Daar gaat het om één enkel gedicht, dat vier pagina’s beslaat, waarna een nawoord en een postscriptum volgen van zeven pagina’s. De paratekst – alle tekst om de eigenlijke tekst heen – is dus dubbel zo lang als de tekst die erdoor omgeven wordt. Henkes ten voeten uit.
De afgelopen tijd verschenen aan de lopende band vertalingen van zijn hand. Ik noem er enkele, op het gevaar af er een paar te vergeten. Alasdair Gray’s Arm ding (2025), ongetwijfeld mede naar aanleiding van de recente verfilming ervan als Poor Things (door Yorgos Lanthimos, met Emma Stone in de hoofdrol). Dan: Vladimir Vysotski’s Instructies voorafgaand aan een buitenlandse reis (2025), met de ondertitel ‘een halfhonderd en een chansons’. En onlangs de vuistdikke cultroman Eindeloos vertier (2026) van David Foster Wallace.
Auteur, tekstbezorger of vertaler?
Maar de aanleiding voor deze beschouwing is de dichtbundel Nachttrottoir, waarvoor Henkes zelf als auteur tekent, met 77 gedichten die zich gehuld hebben in het verraderlijke kleed van vertaling. Ik verklaar me nader door de auteur te citeren die zich in zijn nawoord ‘tekstbezorger’ noemt. Deze tekstbezorger doet het voorkomen dat de oorspronkelijke auteur van de gedichten Aleksandr Blok (1880-1921) zou zijn, die als het ware postuum geregeld heeft dat een schare Nederlandstalige schrijvers zich een Russische tekst van zijn hand toe-eigent:
‘In Nachttrottoir heeft Blok, met als uitgangspunt zijn titelloze gedicht “Notsj, oelitsa, fonar, apteka”, gedateerd 10 oktober 1912, zo’n tachtig stemmen ingeschakeld om het inzicht [een ‘epifanisch inzicht’ waar het gedicht van Blok om draait, red.] opnieuw en steeds maar opnieuw onder woorden te brengen, steeds in andere constellaties, met andere omstandigheden, in andere vormen en hoedanigheden. Dat het voornamelijk Nederlandse stemmen zijn, en stemmen uit de toekomst, hoeft gezien de tijd- en ruimteloosheid van de ervaring niet te verbazen. Het inzicht is universeel.’
Vintage Henkes (iets als: doen alsof de auteur er zelf om vraagt; alsmaar zoeken naar de juiste woorden en dan herformuleren; goochelen met onmogelijkheden, zoals de toekomst van een overleden dichter).
Blok schakelde zogenaamd zijn eigen vertalers in, terwijl de eigenlijke vertaler, Henkes, de stemmen van tal van anderen leende om ‘Nacht. Trottoir. Drogist. Lantaren’ in alle variëteit te bewerken. Een bewonderenswaardig experiment.
We horen hoe bijvoorbeeld Astrid Lampe, Anne Vegter of Tonnus Oosterhoff aan het vertalen zijn geslagen, naar verluidt dus buiten de tekstbezorger om. Want auteur Blok schakelde zogenaamd zijn eigen vertalers in, terwijl de eigenlijke vertaler, Henkes, de stemmen van de genoemden en tal van anderen leende om ‘Nacht. Trottoir. Drogist. Lantaren’ in alle variëteit te bewerken. Een bewonderenswaardig experiment dat ook fascineert door het spel met identiteiten waarin elke status van auteur, vertaler en editor geestig ondermijnd wordt. Je kunt er zo een theorie van het auteurschap aan ophangen die Roland Barthes’ essay ‘De dood van de auteur’ van 1967 aan een interessant echo helpt. Mooi dus dat het bij Koppernik verschenen boekje als auteur niet Blok maar Henkes vermeldt en het genre op het omslag eenduidig vastlegt als ‘gedichten’.
Stijloefeningen
Schatplichtig is deze manier van werken aan de moderne traditie die Raymond Queneau (1903-1976) inzette met zijn Exercices de style. Queneau maakte overigens in dezelfde periode een pseudovertaling door zichzelf op te voeren als ene Sally Mara van wie een Ierse roman door ene Michel Presle vertaald werd onder de titel On est toujours trop bon avec les femmes. Zowel de stijloefeningen als de roman verschenen in 1947. Dat spelen met identiteit en auteurschap vormt een parallel met Nachttrottoir, maar ook met het oorspronkelijk in 1992 verschenen en hierboven genoemde boek van Alasdair Gray, die zich eveneens opvoert als tekstbezorger. Gray presenteert het boek als autobiografie van een fictionele verteller en bespreekt ‘voorvallen uit het vroege leven van dokter Archibald McCandless M.D. van de Schotse dienst Volksgezondheid’.
Ook in dit boek is sprake van parateksten die voor een speelse, spannende omkadering zorgen: een inleiding en ‘kanttekeningen, kritisch en historisch’, nu ontegenzeglijk van de hand van Gray en door Henkes ‘gewoon’ vertaald. Hoe deed Rudy Kousbroek dat destijds toen hij in 1978 zijn vertaling van Queneau Stijloefeningen publiceerde? Kousbroek kon niet zonder paratekst, bij hem was dat een inleiding met als titel ‘Raymond Queneau en de oerhond’, met daarin een uitgebreide verantwoording ‘over deze vertaling’. Kousbroek betoont zich in dit vertaalhistorisch belangrijke essay een stuk braver dan Henkes. Dat komt omdat hij al met al toch vooral als traditioneel vertaler spreekt en keurig vermeldt dat hij de Parijse autobus waarin een jongeman ruzie krijgt omdat hij op zijn tenen wordt getrapt, verandert in lijn 16 en het Gare Saint-Lazare in het Concertgebouw.
We zijn door de literaire wol geverfd en staan open voor allerlei literaire operaties. Die literaire operaties zijn in één woord speels. Of hij nu een nawoord schrijft, een aantekening maakt, vertaalt of schrijft, Henkes’ stijl is speels.
Anders dan Kousbroek vraagt Henkes geen toestemming aan de lezer. Daar is tijd overheen gegaan. Zijn de opvattingen inderdaad zo veranderd? In ieder geval zijn we – door Gray, Queneau en nog heel wat anderen – gewend geraakt aan dit soort literatuur waarin gespeeld wordt met auteurschap en verwarring zaaiende paratekst; we zijn met andere woorden door de literaire wol geverfd en staan open voor allerlei literaire operaties. Die literaire operaties zijn in één woord speels. Of hij nu een nawoord schrijft, een aantekening maakt, vertaalt of schrijft, Henkes’ stijl is speels.
Het is verleidelijk om verder de theorie in te duiken, zeker omdat Robbert-Jan Henkes een flink aantal van zijn vertaalessays heeft gebundeld in Vertalen wat er niet staat (2025). De essaybundel is één groot pleidooi voor meer lef bij het vertalen, voor ‘vertalen zonder angst en vrees. Zolang je maar de toon vertaalt, die altijd de muziek maakt. Zolang je maar vertaalt wat er niet staat.’ Ook deze essaybundel (een en al paratekst) wordt heel wat gespeeld, maar er verder in duiken heeft hier tot gevolg dat we verder afdwalen van Nachttrottoir. Komt misschien door de grote paratekstuele druk die Henkes uitoefent en natuurlijk ook het uitdagende dat daarin schuilt.
Want wat gebeurt er nou helemaal in de bewuste boeken? Bij Queneau wordt een opgeschoten tiener op z’n tenen getrapt, die dan boos wordt. Meer gebeurt er niet. Het speelt in de jaren veertig, dus verwacht geen mes tussen de ribben. Maar je zou de Exercises de style natuurlijk opnieuw kunnen vertalen. Iets wat in Duitsland gebeurde, waarbij de vertalers Frank Heibert en Hinrich Schmidt-Henkel na hun vertaling allemaal opsomden wat ze nog meer hadden kunnen doen.
Van Rhijnvis Feith tot carnavalskraker
En Nachttrottoir is vele malen vertaald in tal van talen. Wat gebeurt er als je dat gedicht omzet? Ik neem eerst een vertaling in ‘gewone’ taal, die van Jean Pierre Rawie, ook omdat die als dichter buiten de Henkesboot valt:
Nacht, straat, lantaarn, drogisterij,
een wereld voos en afgestompt.
Een kwart eeuw gaat misschien voorbij –
dit alles blijft. Geen mens ontkomt.Je sterft – en weer hetzelfde wacht,
met alle dingen als ze waren:
nacht, ijzig water in de gracht,
drogisterij, straat, en lantaren.
Van zo’n gedicht, dat gaat over de vergankelijkheid en de eeuwige wederkeer van hetzelfde, kun je nog zeggen dat het meer omvat dan een ruzietje: een existentieel gevoel dat in 1912 even actueel is als in 2026.
Wat doet Henkes? Hij doet alsof Boris N. Boegajev – bekend onder het pseudoniem Andrej Bely en met Blok een vaandeldrager van het Russisch symbolisme – een map heeft gevonden met 77 vertalingen van Bloks gedicht in evenzoveel stijlen. In het toegevoegde legenda is te vinden om welke stijl het gaat – van carnavalskraker en limerick tot die van bestaande dichters. Hij laat Nederlandse dichters in eigen ornaat voor zich paraderen. Ik kies Jan Engelman en zijn ‘En rade’, dat ten grondslag ligt aan dit fragment van Henkes:
voos is de maan
voos is het lampelicht
lampelicht, lampemaan
voos is de maan van de mistwit is de wereld
wit is de wee
wit keert ogenblik
weer op haar slee
Dit ligt in zeker opzicht ver van wat we bij Blok lezen, maar komt wel vlakbij het vage gevoel van hopeloosheid in het ‘origineel’. In de bundel is er sprake van bonte bewerkingen, veel staat ver van Blok af maar soms lijkt het gedicht terug te keren in de gedaante van de Rawie-versie, als ‘echte’ vertaling.
Ik noem de versie die volgens de legenda voor rekening komt van Rhijnvis Feith, en dan (als steeds) tegelijk als parodie dus: ‘Nacht, trottoir, drogist, lantaren – / Vliegen als een schaduw heen. / Leef nog twintig-dertig jaren: / Niets bestendigs hier beneên!’ Een drogist bij Feith is wennen, maar dat ‘beneên’ doet het ’m.
De versie die in de legenda ‘rhopalisch (op- en aflopend)’ wordt genoemd, heeft het meest weg van wat je bijna een letterlijke vertaling kunt noemen:
Nacht, trottoir, apotheek, straatlantaren –
Onbenullig, smoezelig, vunzig licht,
Leef desnoods talloze levensjaren:
Uitzichtloosheid overal. Alles dicht.Sterf – opnieuw dezelfde karresporen,
Onafzienbaar durende stomme klacht,
De brede kanalen toegevroren,
Straatlantaren, apotheek, trottoir, nacht.
In de reeks valt dat op, het woord ‘uitzichtloosheid’, het is in de geest van Prediker en diens alles is ijdelheid. Het is mooi dat zo’n oerinzicht zo bont en vrolijk wordt weergegeven. In rhopalische verzen neemt het aantal lettergrepen af- en toe – ‘eine früher beliebte poetische Spielerei’ lees ik ergens. Tussen dat ‘früher’ van eeuwen terug, de jaren vijftig van Queneau en deze hedendaagse stijloefeningen van Nachttrottoir is veel tijd verstreken, ook in het idee dat je je in de literatuur alles mag veroorloven. Maar misschien is er niets nieuws onder de zon. Wat er in ieder geval van afstraalt is wat het voor je inneemt: ongebreidelde creativiteit.