Naar het hart van de mijn: trots, schaamte en de identiteit van de Appalachen
Politieke duiding van populisme begint vaak in de mijnstreek, van Limburg tot in Kentucky. In het boek Gestolen trots onderzoekt Arlie Russell Hochschild hoe en waarom de mijnwerkers van de Appalachen hun hoop op Trump hebben gericht. Amerikanist Maarten Zwiers legt uit dat achter de stereotiepe beelden van de teleurgestelde en achtergestelde arbeiders in Trumpstaten een veel complexere en gelaagde werkelijkheid schuilgaat.
Besproken boeken
-
Arlie Russell Hochschild Gestolen trots. De verloren droom van rechts Amerika (vert. Demir Hilbrands) (Amsterdam University Press 2025), 384 blz. -
Arlie Russell Hochschild Vreemdelingen in hun eigen land. Een reis door rechts Amerika (vert. Ingrid Smeets) (Amsterdam University Press 2027), 424 blz. -
Angie Maxwell The Indicted South: Public Criticism, Southern Inferiority, and the Politics of Whiteness (University of North Carolina Press 2014), 324 blz. -
-
Phil A. Neel Hinterland: America’s New Landscape of Class and Conflict (Reaktion Books 2018), 192 blz.
Zo’n honderd jaar geleden woedde er een bloedige oorlog tussen de arbeidersklasse en het grootkapitaal in de bergen van Kentucky. In 1931 besloten lokale mijnbazen de lonen fiks te verlagen, waarop de mijnwerkers in actie kwamen. Gesteund door vakbonden zoals de United Mine Workers of America gingen de koempels de confrontatie aan met hun werkgevers, die op hun beurt konden rekenen op de lokale politie. Op 5 mei 1931 sloeg de vlam in de pan nabij het stadje Evarts in Harlan County, in het zuidoosten van de staat. Hulpsheriff Jim Daniels, die in het gebied bekendstond als ‘Kaiser’, liep met negen collega’s in een hinderlaag gelegd door een grote groep arbeiders. Honderden schoten werden op de agenten afgevuurd; een van hen verloor in de kogelregen zijn arm. Toen de kruitdampen waren opgetrokken, lagen drie politiemannen dood op de grond, waaronder Daniels. De schietpartij in Evarts was het begin van een langslepend conflict – de Harlan County War zou tot 1939 voortduren.
Door het geweld kreeg de streek de bijnaam Bloody Harlan en werd die een inspiratiebron voor verschillende muzikanten, waaronder de singer-songwriter Sarah Ogan Gunning. Ogan Gunning groeide op in oostelijk Kentucky en net als veel andere inwoners van dit gebied had haar vader een baan in de mijnen. In het najaar van 1937 nam de Amerikaanse folklorist Alan Lomax haar nummer ‘Come All You Coal Miners’ op, dat gaat over het harde leven in de mijnstreken van de Appalachen. ‘Oh miner, won’t you organize wherever you may be’, is haar oproep. ‘And make this a land of freedom for workers like you and me.’ De huidige populariteit van miljardair Donald Trump in mijnstaten zoals Kentucky en West Virginia is opmerkelijk, gezien de laatste zin van Ogan Gunnings lied: ‘Let’s sink this capitalist system in the darkest pits of hell.’
Hoe kan het dat een rurale regio als oostelijk Kentucky, die voorheen gekenmerkt werd door links vakbondsradicalisme, viel voor rechts-extremisme en de populistische politiek van Donald Trump? Deze vraag staat centraal in Gestolen trots. De verloren droom van rechts Amerika van de Amerikaanse socioloog Arlie Russell Hochschild.
Van Louisiana naar Kentucky
Hochschild is bekend geworden door haar vorige boek Vreemdelingen in hun eigen land uit 2016, waarin ze de ideologie van conservatieve Tea Party-aanhangers in Louisiana tracht te doorgronden. In deze zuidelijke staat bestaat de paradoxale situatie dat grote chemiebedrijven de leefomgeving vervuilen, terwijl de inwoners op de Republikeinen stemmen, ondanks het feit dat deze partij voor deregulering is en op de hand van big business. Hochschild hanteert hiervoor de deep story, het diepe verhaal, een methode die door het vertellen van herkenbare narratieven onderliggende wereldbeelden en sentimenten naar boven probeert te halen. Op basis van deze methodologie concludeert zij dat identiteitskwesties, emoties en gevoel net zo significant kunnen zijn als sociaaleconomische motieven bij het maken van politieke keuzes. De Tea Party–volgelingen zijn van mening dat door progressief beleid allerhande minderheidsgroepen ten koste van hen bevoordeeld worden, waardoor ze zich vreemdelingen in hun eigen land zijn gaan voelen.
In plaats van de economische realiteit als oorzaak aan te wijzen voor de armoedespiraal waarin menig inwoner van oostelijk Kentucky terecht is gekomen, geven zij in eerste instantie echter zichzelf de schuld – hadden ze maar harder moeten werken, zo is het credo.
Gestolen trots heeft eenzelfde thematiek maar een andere regionale focus: de mijnstreek in de Appalachen, in het bijzonder het stadje Pikeville in het oosten van Kentucky. Ditmaal heeft Hochschild het over een trotsparadox die het gebied kenmerkt. Deze paradox is tweeledig en heeft te maken met economische mogelijkheden en individuele verwachtingen. Sinds de neergang van de mijnbouw worstelen de Appalachen met armoede en werkloosheid, maar de inwoners hechten nog steeds veel waarde aan individuele verantwoordelijkheid en de American dream, het geloof dat je door hard werken hogerop kan komen. Door de combinatie van economische achteruitgang en de overtuiging dat men zelf verantwoordelijk is voor sociale mobiliteit ontstaat volgens Hochschild een paradoxale werkelijkheid. Bewoners van de Appalachen geloven in de American dream, maar de regionale arbeidsmarkt biedt hun niet langer de mogelijkheid die droom te verwezenlijken. Wat socioloog Max Weber de protestantse werkethiek noemde, leidt niet langer tot een beter leven, ook omdat er simpelweg weinig goedbetaalde banen voorhanden zijn. In plaats van deze economische realiteit als oorzaak aan te wijzen voor de armoedespiraal waarin menig inwoner van oostelijk Kentucky terecht is gekomen, geven zij in eerste instantie echter zichzelf de schuld – hadden ze maar harder moeten werken, zo is het credo. Datgene waar zij hun trots aan ontleenden (door noeste arbeid in de mijnen de American dream realiseren) is inmiddels een bron van schaamte geworden.
Net als in Vreemdelingen in hun eigen land draait het in Gestolen trots om gevoelens en emoties: trots, schaamte en uiteindelijk boosheid, veroorzaakt door het gevoel dat de burgers van Pikeville iets is afgepakt. Dit gevoel van beroving ziet Hochschild als een belangrijke verklaring voor het rechtse stemgedrag in de mijnstreken van Kentucky. In zijn verkiezingscampagnes verzekerde Donald Trump dat hij arme rurale staten zoals Kentucky weer welvarend zou maken door te investeren in de mijnbouw, het dereguleren van milieuwetgeving en een terugkeer naar traditionele culturele waarden: Make Appalachia Great Again. Trumps agenda beloofde een herstel van regionale trots binnen de nationale trotseconomie van de Verenigde Staten.
Het gevoel van trots heeft plaatsgemaakt voor een gevoel van schaamte, gekoppeld aan de neergang van de regionale economie. Hochschild stelt dat juist degenen die onderaan bungelen in deze economie, het meest bezig zijn met trots en schaamte.
Ooit waren de Appalachen trots op hun prominente economische positie in de VS. Hun steenkool verwarmde en verlichtte de natie en mijnwerkers waren trots op hun veeleisende ondergrondse arbeid. Maar dat gevoel van trots heeft plaatsgemaakt voor een gevoel van schaamte, gekoppeld aan de neergang van de regionale economie. Meer nog dan voorheen hebben inwoners van het gebied tegenwoordig het gevoel dat welvarende stedelijke elites op hen neerkijken. De financiële status van individuen, groepen en regio’s is derhalve een bepalende factor in de positionering binnen de trotseconomie. Hochschild stelt dat juist degenen die onderaan bungelen in deze economie, het meest bezig zijn met trots en schaamte.
Regionaal minderwaardigheidscomplex
De woedereflex die getriggerd wordt door schaamte past in een groter regionaal minderwaardigheidscomplex dat het Zuiden van de Verenigde Staten kenmerkt. Onder het Amerikaanse Zuiden worden de staten gerekend die slavernij hadden, zich afscheidden van de Unie tussen 1861-1865, vervolgens raciale segregatie instelden (tot aan de jaren zestig van de vorige eeuw) en tegenwoordig een invloedrijke machtsbasis vormen voor de MAGA-beweging van Trump. In vergelijking met de rest van de VS heeft het Zuiden een meer ruraal karakter, is het armoediger en spelen conservatisme en het evangelische geloof er een grotere rol. Vanwege zijn geschiedenis en sociaaleconomische structuur werd het Zuiden lange tijd gezien als een exceptionele en ‘on-Amerikaanse’ regio met een eigen identiteit.
Verschillende wetenschappers hebben onderzoek gedaan naar deze identiteit, onder wie de historicus Sheldon Hackney, die in 1969 een artikel publiceerde over het gewelddadige karakter van het Zuiden. In dit artikel, getiteld ‘Southern Violence’, beargumenteert Hackney dat de zuidelijke staten een siege mentality hebben: een belegeringsmentaliteit, oftewel het gevoel constant van buitenaf aangevallen te worden. ‘This has produced an extreme sensitivity to criticism from outsiders and a tendency to excuse local faults as the products of forces beyond human and local control’, schrijft Hackney. Zijn observaties sluiten aan bij het sentiment van ‘gestolen trots’ dat Hochschild waarneemt in Kentucky. Bewoners van de Appalachen zien zichzelf als het slachtoffer van diefstal; datgene waar ze trots op waren is hen ontnomen door externe krachten.
Een gevoel van slachtofferschap, gecombineerd met een regionaal minderwaardigheidscomplex en een siege mentality, kan leiden tot een in zichzelf gekeerde en reactionaire houding. In haar boek The Indicted South: Public Criticism, Southern Inferiority, and the Politics of Whiteness stelt geschiedkundige Angie Maxwell dat gevoelens van minderwaardigheid, verergerd door (vermeende) kritiek van buitenaf, het conservatisme in het Zuiden versterkt hebben: ‘Public criticism and a common experience of inferiority has contributed to white southern conservatism and homogeneity, which has survived and prospered with dogged perseverance.’
Hoewel Kentucky zich niet afscheidde in 1861, identificeert de staat zich wel als zuidelijk. Zo staan er veel meer monumenten voor zuidelijke soldaten die vochten in de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) dan voor noordelijke troepen, observeert Hochschild. Het bijzondere aan deze zuidelijke monumenten is dat ze verliezers (die bovendien vochten voor het behoud van slavernij) letterlijk op een voetstuk plaatsen. In de publieke ruimte worden witte zuiderlingen dus ook constant geconfronteerd met verlies van trots. Deze sensatie van verlies is bovendien tweeledig: in de eerste plaats het daadwerkelijke verlies van het Zuiden in de Burgeroorlog, ten tweede het gevoel dat men niet meer trots mag zijn op de strijd en opoffering van zuidelijke soldaten. Dit gevoel werd versterkt tijdens de Black Lives Matter-protesten, toen veel zuidelijke monumenten omver werden gehaald vanwege hun connectie met slavernij. Het waren opnieuw buitenstaanders, ditmaal in de vorm van BLM-demonstranten, die aan de haal gingen met de trots van het witte Zuiden, zo was althans de gedachte.
De Appalachen als achterland
De emotionele kant van het gestolen-trotsverhaal wordt versterkt door de materiële omstandigheden in de Appalachen. Aan het eind van de negentiende en begin van de twintigste eeuw begon de mijnbouw in de Appalachen te intensiveren, door de groei van de spoorwegen en de industrie en later door de vraag naar kolen voor elektriciteitscentrales. Het gebied ontwikkelde zich tot een ecosysteem gericht op de extractie van grondstoffen die vooral elders toegepast werden. De Appalachen werden zodoende een achterland dat in dienst stond van andere sectoren en (verstedelijkte) regio’s die brandstof nodig hadden.
De status van verloren regio maakte de mijnstreek uitermate geschikt voor een nieuw experiment: pijnstillers. Staten zoals Kentucky en West Virginia hadden een verarmde en laagopgeleide bevolking die bovendien kampte met gezondheidsklachten veroorzaakt door het werk in de mijnen, van longklachten tot versleten gewrichten.
De kapitalistische logica van extractie maakte het landschap en de inwoners van het gebied ondergeschikt aan winst voor de grote mijnbouwbedrijven – tegen deze logica kwamen de mijnwerkers in de jaren dertig in opstand. Vanaf de jaren tachtig ging het bergafwaarts met de werkgelegenheid in de steenkoolindustrie. Mechanisering, strengere milieuwetgeving en de vervanging van steenkool door (schalie)gas hadden grote gevolgen voor gemeenschappen zoals Pikeville, Kentucky. De armoede nam toe en dat gebeurde tijdens een periode waarin overheidsvoorzieningen onder het presidentschap van de Republikein Ronald Reagan werden teruggeschroefd, waardoor het sociale vangnet steeds poreuzer werd. Het achterland van de Appalachen, leeggezogen door de mijnbouw, werd een verloren regio.
De status van verloren regio maakte de mijnstreek uitermate geschikt voor een nieuw experiment: pijnstillers. Staten zoals Kentucky en West Virginia hadden een verarmde en laagopgeleide bevolking die bovendien kampte met gezondheidsklachten veroorzaakt door het werk in de mijnen, van longklachten tot versleten gewrichten. Een gebied dat economische uitbuiting, milieuverontreiniging en een gemarginaliseerde populatie als kenmerken heeft, wordt wel aangeduid als sacrifice zone, een ‘opofferingszone’ waar bewoners vaak niet de middelen (tijd, geld en knowhow) hebben om zich effectief op grassrootsniveau te organiseren. Dit soort gebieden zijn ideale doelwitten voor bedrijven die snel veel geld willen verdienen en weinig oog hebben voor de ecologische en sociale gevolgen daarvan, zoals de petrochemische multinationals in Louisiana en de mijnbouw en medische industrie in de Appalachen.
Hochschild ziet een connectie tussen de twee laatstgenoemde ondernemingen: toen de mijnen sloten en de banen verdwenen, begon pillenfabrikant Purdue Pharma rond het midden van de jaren negentig met het verspreiden van OxyContin in de regio, een zeer verslavende pijnstiller die een ware drugscrisis veroorzaakte. Het aantal verslaafden en doden door overdoses nam schrikbarend toe.
Hochschild vertelt het verhaal van een koempel die tijdens zijn werk in de mijnen een ongeluk kreeg, pijnstillers nam, verslaafd raakte en uiteindelijk zijn baan, huwelijk en de voogdij over zijn kinderen verloor. Hij kwam in een revalidatiekliniek terecht, waar hij zei dat hij zichzelf waardeloos vond. Verlies van trots en gevoelens van schaamte komen samen in dit verhaal over de transformatie van een zelfredzame arbeider naar een junkie die alles van waarde en zijn waardigheid kwijtraakte.
De rechts-extremistische reflex
Een achterland met een historisch gevormd minderwaardigheidscomplex, waar de banen verdwenen zijn en de American dream voor velen onbereikbaar is geworden, en waar de bewoners het gevoel hebben dat de gevestigde politiek hen in de steek heeft gelaten, vormt een vruchtbare bodem voor anti-establishmentbewegingen en populistische politici. In zijn boek Hinterland: America’s New Landscape of Class and Conflict (2018) beschrijft geograaf Phil Neel hoe rechts-extremistische groepen in opkomst zijn in overwegend rurale regio’s die hij typeert als far hinterland, het verre achterland. Reactionaire paramilitaire clubs zoals de Oath Keepers, die als knokploeg meededen aan de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021, zien het far hinterland als een veelbelovend rekruteringsgebied en het startpunt van wat zij beschouwen als een tweede Amerikaanse Revolutie. Deze revolutie moet een herstel van traditionalistische waarden inluiden en desnoods met geweld worden doorgevoerd.
De aantrekkingskracht van de Oath Keepers en vergelijkbare groeperingen op het Amerikaanse platteland kan deels worden verklaard door hun boodschap, maar ook door de concrete hulp die ze bieden aan plattelanders, bijvoorbeeld het opknappen van vervallen gebouwen, het bouwen van een speeltuin voor gehandicapte kinderen en andere vormen van liefdadigheid. Zo stappen zij in het gat dat door overheidsbezuinigingen is achtergelaten. Hoewel de Oath Keepers niet vanuit een van de dominante politieke partijen opereren, zien ze de Republikeinen en niet de Democraten als een logische bondgenoot, ‘due to the Republicans’ extent into the very areas of rural devastation that Democrats tend to ignore’, aldus Neel.
In de voorverkiezingen van 2016 kreeg niet alleen Donald Trump, maar ook democratisch socialist Bernie Sanders veel stemmen in West Virginia – een feit dat indruist tegen de typering van de Appalachen als Trump Country.
Een aanzienlijk aantal pagina’s in Gestolen trots is gewijd aan één specifieke gebeurtenis: een rechts-extremistische mars die in 2017 plaatsvond in Pikeville. Het past bij de gedetailleerde methodologie die Hochschild hanteert. Haar etnografische onderzoek is een ‘dichte beschrijving’ waarmee ze de diepgewortelde gevoelens die het leven in het Amerikaanse achterland probeert te achterhalen en te duiden. Hochschilds aanpak sluit aan bij de thematiek van het boek – de metamorfose van een regio die in vroeger tijden voornamelijk democratisch stemde maar inmiddels een bolwerk van Trumpisme is geworden – maar levert toch een wat eendimensionaal beeld van de Appalachen op.
West Virginia en Kentucky stemden weliswaar in 2016, 2020 en 2024 op Trump, maar hij had ook veel steun in delen van Californië en de staat New York, bijvoorbeeld op (het zeer stedelijke) Long Island. Waarom zien we de Appalachen als een broeinest van MAGA-sentimenten en Long Island niet?
Dit is een vraag die historicus Elizabeth Catte stelt in haar boek uit 2018 met de veelzeggende titel What You Are Getting Wrong About Appalachia. In de voorverkiezingen van 2016 kreeg niet alleen Donald Trump, maar ook democratisch socialist Bernie Sanders veel stemmen in West Virginia – een feit dat indruist tegen de typering van de Appalachen als Trump Country. Waar Catte voor pleit, is het benadrukken van de pluriformiteit van de mijnstreek, waar naast hardcore Trump-stemmers ook linkse mensen, BLM-aanhangers, milieuorganisaties en de lgbtq-gemeenschap een plek hebben. ‘The average Appalachian is not, then, a white, hypermasculine coal miner facing the inevitable loss of economic strength and social status, but the average Appalachian’s worldview may be impacted by individuals with cultural capital who are constantly assuming we are all made in that image’, betoogt Catte.Door een stem te geven aan groepen die niet passen in de dominante beeldvorming over de Appalachen kunnen schadelijke stereotiepe ideeën over de regio worden doorbroken. In 1937 riep Sarah Ogan Gunning hier al toe op. Mijnwerkers moesten wakker worden en de structurele oorzaak van de problemen in de mijnstreek van Kentucky onder ogen zien. Links-radicalisme, niet rechts-extremisme, bood volgens haar een uitweg. ‘Coal miner, won’t you wake up, and open your eyes and see’, zong ze. ‘What the dirty capitalist system is doing to you and me.’