Koloniale leugens afwerpen: makkelijker gezegd dan gedaan
In De gelogen kolonie onderzoekt journalist en voormalig correspondent Michel Maas hoe hardnekkig de koloniale blik het Nederlandse beeld van Indonesië blijft bepalen. Volgens Liang de Beer is zijn afrekening met tempo doeloe scherp en prikkelend, maar roept zijn positie als ogenschijnlijk neutrale buitenstaander ook vragen op.
Besproken boeken
Nederlanders kunnen het huidige Indonesië alleen bekijken door de bril van het koloniale verleden. Indonesiëcorrespondent Michel Maas laat in zijn boek De gelogen kolonie zien dat deze blinde vlek doorwerkt op allerlei niveaus: van politiek en diplomatiek (zo gaan op 17 augustus felicitaties naar de Indonesische regering voor de viering van Onafhankelijkheidsdag, maar wordt de onafhankelijkheid van Indonesië in Nederland de jure nog op 27 december 1949 gezet), tot mentaal (veel Nederlanders denken dat Nederland ook goede dingen heeft gedaan voor het land) en cultureel (Indisch eten is wijdverbreid in tegenstelling tot authentiek Indonesisch eten) tot individuele ‘nostalgische’ gevoelens (Maas krijgt uit allerlei hoeken ongevraagde anekdotes van Nederlanders te horen over hun familieverleden wanneer hij aankondigt naar Indonesië te gaan).
‘Het moderne Indonesië lijkt in Nederland alleen maar bij de gratie van het oude te bestaan: sporen van toen, gebouwen van toen, planten van toen, en stranden, dansen, tempels, paleizen en het eten van toen.’ Indië als fantasiewereld heeft in Nederland een hardnekkig bestaan. Ook ik ben daarvoor niet immuun. In 2023 maakte ik een reis door Indonesië om onderzoek te doen voor een roman die zich afspeelt in koloniaal Batavia. Als Chinees-Indische Nederlander van de derde generatie denk ik een band te voelen met het hedendaagse Indonesië, maar eenmaal daar besefte ik dat ik helemaal niks weet van dit land. Beide landen zijn tachtig jaar verder, ging er door mij heen, en Indonesië heeft niets gemeenschappelijks met het land uit de koloniale herinnering van mijn familiegeschiedenis. Maas merkt daarover op: ‘In Indonesië begon men op 17 augustus 1945 aan een nieuwe geschiedenis. In Nederland werd de tijd op 27 december 1949 stilgezet.’
Maas presenteert Indonesië als een leugen in onze collectieve verbeelding – omdat we altijd koloniaal kijken. Deze premisse in De gelogen kolonie intrigeerde me. Ik houd wel van de nietsontziende kritiek op de tempo doeloe (het verheerlijken van de koloniale tijd) omdat ik zo word gedwongen te reflecteren op mijn eigen positie en omdat ik erdoor nieuwsgierig word naar hoe Maas zich hieraan ontworstelt.
Naar Indonesië
Een paar jaar na de val van dictator Suharto en de Aziatische financiële crisis werd Maas in 2001 correspondent in Indonesië. Het was een bijzonder moment in de geschiedenis: er was eindelijk vrijheid op allerlei vlakken. Maas kwam aan in een land waar hij weinig van wist, en verliet achttien jaar later een volledig veranderd Indonesië. Tijdens zijn correspondentschap kwam hij steeds weer die clash tegen tussen de Nederlandse blik en de realiteit van het hedendaagse Indonesië.
De overtuiging dat een witte buitenstaander beter een neutraal verhaal zou kunnen brengen dan iemand met een link met de kolonie, is an sich een resultaat van ons koloniale verleden.
De ondertitel van het boek, Naar Indonesië om Indië te vergeten, veronderstelt dat Maas de lezer een stukje van het ‘echte’ Indonesië laat zien. Hij doet dat echter niet systematisch, maar fragmentarisch. Het voelt soms alsof er een aanzet voor twee of drie boeken zit in De gelogen kolonie. Het gaat deels over de denkfout die we in Nederland maken over Indië/Indonesië, en deels over de persoonlijke ervaringen als correspondent en de veranderingen die hij in het land zag. Ook licht Maas een aantal nogal excentrieke figuren uit, die hij waarschijnlijk ontmoet op reportage, maar die geenszins representatief zijn voor de Indonesiërs. Het is jammer dat geen van de drie lijnen in het boek grondig is uitgewerkt, waardoor je als lezer weinig nieuwe informatie of inzichten verkrijgt.
Zo observeert hij hoe in 2001 geen enkele vrouw een hoofddoek droeg en moskeeën onzichtbaar waren in het straatbeeld. Maas stipt aan dat dit nu heel anders is maar gaat in zijn werk niet dieper in op dergelijke ontwikkelingen, met als resultaat dat je als lezer Indië wellicht vergeten bent, maar het hedendaagse Indonesië niet beter hebt leren kennen. Hoewel ik zijn prikkelende uitspraken over de doorwerking van koloniale leugens interessant vind, gaat De gelogen kolonie inhoudelijk niet heel diep, en zijn de vragen niet voldoende uitgewerkt om daadwerkelijk andere perspectieven te bieden.
De ‘neutrale’ positie
Als Nederlander is het schier onmogelijk om geheel waardevrij te zijn over Indonesië – de koloniale leugens zijn daarvoor te sterk, aldus Maas. Toch doet hij een poging, door zich welwillend te positioneren als onwetende observant van buiten, iemand die zelf minimaal door tempo doeloe is besmet. (‘Ik sla alles in de wind en begin blanco. “Ik zal wel zien,” antwoord ik als iemand me vraagt wat ik ga doen.’) Hij komt aan in Jakarta met alleen een knipselmap (het is 2001!) en laat zich meevoeren in een veranderend land.
Hier neemt Maas gelijk een problematische positie in en wel die van de ‘neutrale buitenstaander’. Mijns inziens plaatst hij zich hiermee in een reeks van voornamelijk witte schrijvers die beweren een neutraal of nieuw perspectief op de koloniale geschiedenis te kunnen geven. Een aantal jaar geleden verscheen Revolusi (2020) van David Van Reybrouck. De Vlaamse schrijver positioneerde zich als buitenstaander die de geschiedenis van Indië van een andere kant zou bekijken. In zijn lijvige en zeker waardevolle werk plaatste hij het Nederlandse koloniale project in de wereldgeschiedenis en interviewde stokoude getuigen van de geschiedenis. Nog zo iemand is Martin Bossenbroek, auteur van De wraak van Diponegoro (2024), een boek dat begint bij de Java-oorlog van begin negentiende eeuw en eindigt bij de onafhankelijkheidsstrijd. In het boek uit Maas zijn bewondering voor Bossenbroek omdat hij ‘waardevrij en onbevooroordeeld’ Nederlands-Indië weet te aanschouwen, ‘voordat hij ooit in Indonesië is geweest’.
Laten we niet meer op Lourdes-bedevaart gaan naar een oud-kolonie, waarmee we Indonesië steeds maar weer een tweedehands land maken. Niet op zoek gaan naar de sporen van Nederland, maar het land zien zoals het nu is.
Gloria Wekker categoriseert dit mechanisme als een onderdeel van ‘witte onschuld’. Het betreft een hardnekkig wit, Nederlands zelfbeeld met wortels in eeuwenoud denken over ras. In de koloniale tijd kwam dit tot uitdrukking in de rechtvaardiging voor het overheersen van andere volken. Nederland zag zichzelf als inherent beter en als brenger van goeds voor de oorspronkelijke bevolking van de koloniën. Nu zie je de witte onschuld terug in witte kleurenblindheid: het juist ontkennen dat ras een rol speelt in heden en verleden. Onderdeel van die witte onschuld is de neiging om het witte als ‘neutraal’ te zien. De overtuiging dat een witte buitenstaander beter een neutraal verhaal zou kunnen brengen dan iemand met een link met de kolonie, is an sich een resultaat van ons koloniale verleden.
Maas haalt gelukkig Indonesische historici en schrijvers aan die hem in het denkproces hebben geholpen. Ook is hij dankbaar voor Adriaan van Dis die ontwaakt en bijna militant is geworden in zijn overzichtswerk De kolonie mept terug, maar Maas noemt geen Nederlanders van kleur bij naam. Hij gaat daarmee voorbij aan het vele dekoloniale onderzoek en activisme dat academici en schrijvers van Indische afkomst in Nederland hebben uitgevoerd en vormgegeven. De leugens van de kolonie zijn al heel lang bekend. Zo doet Reggie Baay al jaren diepgravend onderzoek naar thema’s als slavernij, de nyai (Indonesische voormoeders die kinderen kregen met Europeanen) en de Japanse bezetting, en publiceert deze in toegankelijke fictie en non-fictie. Ik denk ook aan initiatieven als de Dekoloniale Herdenking, die sinds een aantal jaar op 16 augustus wordt georganiseerd in Amsterdam. Het helen en herdenken vanuit burgerperspectief staat hier voorop, iedereen met een band met de koloniale en oorlogsgeschiedenis van het huidige Indonesië is welkom. Of neem schrijvers als Alfred Birney en Dido Michielsen, die de schaduwkanten van kolonialisme en oorlog voor een breed publiek toegankelijk maakten.
Indonesië bestaat echt
Mediamakers, culturele instellingen en uitgevers zouden meer oog moeten hebben voor stemmen uit het Indonesië van nu. Tot slot is het ook een appel om oprecht nieuwsgierig te zijn naar Indonesië en ons bewust te zijn van de besmetting in onze Nederlandse blik.
Dat gezegd hebbende: Maas legt de eenzijdige focus op Indië en het verleden goed bloot. Daarin ligt ook een opdracht aan het Nederlandse publiek besloten. Hij concludeert: laten we niet meer op Lourdes-bedevaart gaan naar een oud-kolonie, waarmee we Indonesië steeds maar weer een tweedehands land maken. Niet op zoek gaan naar de sporen van Nederland, maar het land zien zoals het nu is. Geen formuleringen meer gebruiken zoals ‘gezamenlijke’ geschiedenis of een ‘pijnlijke scheiding’ (de woorden van koning Willem-Alexander) die twee gelijkwaardige partijen veronderstellen, maar erkennen dat Nederland eenzijdig haar gewelddadige koloniale fantasie uitleefde. Om, vrij naar Wekker, heel actief ons culturele archief van witte onschuld te ontdoen en te dekoloniseren. Dat gebeurt in Nederland dus al door vele dekoloniale onderzoekers en activisten. Maar er is ook werk te doen: vooral om actief ruimte te maken voor het Indonesische perspectief op het land en de geschiedenis. Mediamakers, culturele instellingen en uitgevers zouden meer oog moeten hebben voor stemmen uit het Indonesië van nu. Tot slot is het ook een appel om oprecht nieuwsgierig te zijn naar Indonesië en ons bewust te zijn van de besmetting in onze Nederlandse blik.