Advertentie
Banner-Mutsaers-1454×183 px

De fatale aantrekkingskracht van een Roemeens dorp

De Roemeense schrijver Iulian Bocai schetst het leven op het platteland in beelden die tegelijk uitnodigen en afstoten. Wat maakt zijn roman realistisch, en waar schuurt hij met het onwerkelijke? Hoe verhoudt de ontluisterende armoede zich tot de kinderlijke verwondering van het hoofdpersonage? Boekengids-redacteur Tommy van Avermaete las het boek en betrad een nogal macaber universum.

Besproken boeken

De Roemeense literatuurwetenschapper en schrijver Iulian Bocai (1986) is naar eigen zeggen een realist en zijn boeken beschouwt hij als sociaalpsychologische studies. Over zijn debuutroman Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu (2018) zei hij in een interview voor festival Passa Porta: ‘Het is mijn eerste boek, en ik wist niet echt wat ik aan het doen was. Ik wilde gewoon een boek schrijven. Als je niet weet wat te schrijven, dan kun je alleen over je eigen leven schrijven. Het gaat voornamelijk over dingen, plekken en mensen uit mijn jeugd.’ Zijn debuutroman is het eerste werk van Bocai dat in het Nederlands verschenen is, vorig jaar bij uitgeverij De Geus, in de vertaling van Charlotte van Rooden.

Dieren en woorden ontleden

In Het vreemde en aangrijpende leven van Priță Barsacu volgen we de titelfiguur Priță (uit te spreken als: Prietseh), die opgroeit op het Roemeense platteland, in een zeer klein dorp. Zijn wereld wordt gekenmerkt door armoede en geweld. Tegelijkertijd laat Priță zich betoveren door de weelderige natuur die hem omringt, in het bijzonder door allerlei soorten dieren en insecten. Misschien is het een manier van omgaan met de gruwelijke realiteit die hem omringt dat hij als kind zijn toevlucht neemt tot het tellen en ontleden van dieren, samen met zijn vriendinnetje Stanca. Het kan echter ook zijn dat dit gewoon voortkomt uit de nieuwsgierigheid van een intelligent en gevoelig jongetje, dat geen andere wereld kent dan die waarin hij opgroeit en die wereld probeert te verkennen en te begrijpen. We zien hoe Priță zich ontwikkelt van een kind dat de gebeurtenissen passief ondergaat tot een handelend subject: iemand die zich, langzaam maar zeker, ontwikkelt van ontvanger van indrukken tot waarnemer. Ook begint Priță taxonomieën aan te leggen van de dieren die hij vindt. Door voor hem onbekende wezens te classificeren, probeert hij houvast en overzicht te creëren in een wereld die voor hem moeilijk te doorgronden is.

Iulian Bocai gebruikt de taal op een ongebruikelijke, vertragende manier. Het is alsof hij onze perceptie langer wil laten aanhouden en wil ‘de-automatiseren’, om het met een term van de Russische literatuurtheoreticus Viktor Sjklovski (1893-1984) te zeggen. Die vertraagde perceptie staat ons toe om de wereld die Priță bewoont anders en intensiever waar te nemen.

Op een bepaalde manier doet deze roman voor ons als lezers exact het tegenovergestelde van wat Priță door middel van taxonomie doet. Door de manier waarop taal wordt ingezet, worden vertrouwde beelden en ervaringen onttrokken aan hun vanzelfsprekendheid en omgevormd tot iets waarnaar we opnieuw, met frisse ogen, kunnen kijken: iets wat nieuw en onbekend aanvoelt. De herkenning die door herhaaldelijke blootstelling en waarneming ontstaat, wordt op die manier tegengewerkt.

Bocai gebruikt de taal op een ongebruikelijke, vertragende manier. Het is alsof hij onze perceptie langer wil laten aanhouden en wil ‘de-automatiseren’, om het met een term van de Russische literatuurtheoreticus Viktor Sjklovski (1893-1984) te zeggen. Die vertraagde perceptie staat ons toe om de wereld die Priță bewoont anders en intensiever waar te nemen. Het is alsof we die wereld – vol betoverend natuurschoon, maar ook vol sociaal en fysiek geweld – voor het eerst zien, alsof onze voorgevormde classificaties en associaties bij dit soort thema’s vloeibaar of geannuleerd worden. In die zin doet deze roman het tegenovergestelde van taxonomie. Als lezer worden we aangezet om beter te zien in plaats van de beelden en classificaties te herkennen die al in ons hoofd zaten voor we begonnen met lezen.

Raadselachtig

We zien alles door de ogen van een kind dat de regels aan het leren is van een universum dat hem nog grotendeels onbekend en raadselachtig voorkomt. De troop van het verwonderde kind gaat vaak gepaard met een wereld waar een gloed van onschuld van afstraalt. Ook in Bocais roman is dat tot op zekere hoogte het geval. Maar door de gebeurtenissen die ons voorgespiegeld worden, blijkt dat deze wereld verre van onschuldig is, en bij herhaling onverbiddelijk wreed en guur: Priță’s broer eindigt in de gevangenis, talloze kinderen verdrinken in een nabije rivier, kinderen worden geslagen door hun ouders en leraren, er komen meerdere (al dan niet ‘succesvolle’) zelfmoordpogingen voor in het boek. We bevinden ons, kortom, in een behoorlijk macaber universum.

Samen met Priță leren we dit universum en de ongeschreven regels ervan kennen. Priță wordt geïnitieerd in deze wereld door confrontaties. Hij leert door ervaring. Illustratief voor dat proces is het moment waarop hij voor het eerst door zijn moeder mishandeld wordt, wanneer hij drie jaar oud is. Voor hem is de ervaring van geslagen worden nieuw. En het is precies dat gebrek aan vertrouwdheid, waardoor datgene waarmee we – als lezers – bekend denken te zijn weer vreemd wordt gemaakt. We denken te weten hoe het is als een kind geslagen wordt, maar deze roman beschrijft het op zo’n manier dat het is alsof onze zintuigen opnieuw geactiveerd worden. Onze reeds bestaande kennis ‘ontdooit’ en wordt vervangen door een nieuwe perceptie.

Om te demonstreren hoe dat er concreet uitziet wil ik de passage citeren waarin Priță door zijn moeder wordt geslagen. Hij heeft per ongeluk drie eendjes gedood, die zijn moeder had weten te bemachtigen op een markt – een nogal belangrijk gegeven in de armoedige omgeving waarin ze zich bevinden. Zijn moeder maant hem voorzichtig te zijn met de eendjes, waarop Priță zegt dat ze al dood zijn:

Daarop vertoonde hij een stralende glimlach die hij moet hebben overgeërfd uit een lang vervlogen en gelukkiger periode van het gezin, want geen van de mensen die hij nu kende kon zo glimlachen. Wellicht had Lenuta, als hij niet zo ongelooflijk onschuldig had gelachen, hem alleen uitgescholden zonder hem een klap te verkopen – maar juist toen hij zo dicht bij haar kwam staan dat ze de levenloze eendjes in zijn schoot kon zien liggen, sloeg ze hem op zijn kop zonder zich ook maar voorover te buigen, en keek ze onmiddellijk om zich heen op zoek naar een stuk hout waarmee ze hem kon afranselen voordat hij de benen nam. Niet alleen begon Priță echter tot haar verbazing niet te huilen, maar hij rende ook niet weg, hij volgde haar simpelweg met grote ogen om toe te kijken hoe zij een knoestige tak van de abrikozenboom waar ze onder stonden, naar zich toe trok en daar een twijg van afbrak.

Hier wordt duidelijk dat een bepaalde hardheid in deze omgeving overheerst en dat de onschuldige glimlach van een kind onverdraaglijk is, mogelijk juist omdat die herinnert aan een zachtheid die in deze omgeving niet kan bestaan. De druk om te overleven, om ook deze dag weer eten op tafel te zetten, is te groot. Er is geen ruimte voor een misstap als die van Priță, en al helemaal niet voor begrip en vergeving. Hoewel de klappen en het geweld echt zijn, en Priță er het slachtoffer van is, is de woede van zijn moeder ongericht. Haar werkelijke probleem is niet dat Priță onschuldig glimlacht, zelfs niet dat hij drie kuikens per ongeluk doodt, maar dat ze vanwege haar materiële omstandigheden worstelt om het hoofd boven water te houden. Anders gezegd: ze reageert haar – zeer begrijpelijke, maar daarmee niet onschadelijke – stress en zorgen af op Priță, die voor haar op dat moment een stoorzender is in een uiterst precair, door haar uit noodzaak opgetuigd ecosysteem. Het is niet zozeer de afwezigheid van empathie die hier centraal staat, maar het feit dat die empathie een ‘luxe’ is die steeds weer onderdoet voor de keiharde noodzaak om te overleven.

Een verhaal over armoede?

Schrijven over mensen in deze materiële omstandigheden betekent dat je als schrijver per definitie te maken hebt met een bepaalde habitus. Hoewel deze roman een onromantisch en tegelijk bij vlagen betoverend beeld geeft van ‘het’ leven op het Roemeense platteland, schiet die kwalificatie tegelijkertijd tekort. Het gaat Bocai om dit ene dorp, over deze mensen en hun specifieke verhalen. En die kunnen niet verteld worden zonder hun materiële omstandigheden en bijbehorende habitus erbij te betrekken. Tegelijkertijd laten hun verhalen zich niet zomaar reduceren tot ‘een verhaal over armoede op het Roemeense platteland’. Dat zou een ontindividualisering van de personages betekenen, en hun verhalen zouden hun specificiteit verliezen.

Voor zover er correspondenties aan te wijzen zijn, zou je kunnen zeggen dat de door Bocai beschreven wereld vanwege het klasse-element eerder aansluit bij schrijvers als Charles Bukowski en de George Orwell van Aan de grond in Londen en Parijs (al schreef die over mensen in de onderklasse, zonder er zelf toe te behoren), of in Frankrijk bij schrijvers als Édouard Louis, Didier Eribon, Joseph Ponthus en Thierry Metz, of in het Nederlands taalgebied bij Dimitri Verhulsts De helaasheid der dingen, dan bij de middenklasseauteurs die de literaire markt van vandaag domineren – in Nederland, maar ook daarbuiten. Maar hoewel er op grond van klasse en habitus misschien enige gelijkenissen aanwijsbaar zijn, is Bocais roman tegelijkertijd zowel stilistisch als qua verhaal te idiosyncratisch om dit soort vergelijkingen tot meer dan oppervlakkig te maken. Ook het feit dat Bocai over een rurale omgeving schrijft, en niet over de stad, is een verschil met enkele van de genoemde auteurs. Bovendien maken verschil in historische, geografische en politieke context dergelijke vergelijkingen lastig.

De grimmige en gewelddadige wereld die Iulian Bocai beschrijft is – zoals zijn roman illustreert – nooit alleen grimmig, nooit alleen gewelddadig, maar tegelijkertijd vol schoonheid en liefde.

De grimmige en gewelddadige wereld die Bocai beschrijft is – zoals zijn roman illustreert – nooit alleen grimmig, nooit alleen gewelddadig, maar tegelijkertijd vol schoonheid en liefde. Al is de manier waarop liefde in deze sociale klasse wordt uitgedrukt wellicht anders dan wat een groot deel van het lezerspubliek gewend is, omdat die vaak gepaard gaat met een bepaald soort mannelijke rituelen en trash talk. Zo maakt Bocai zichtbaar dat het alledaagse leven dat hij wil beschrijven – waar vriendschap, ruzie, liefde, seks, vijandigheid, etc. integraal onderdeel van uitmaken – niet los te zien is van hoe de personages gesocialiseerd zijn, hoe hun waarneming en gedrag gestuurd worden door ‘schema’s’ die voortvloeien uit de omgeving en sociale klasse waarin ze zijn opgegroeid.

Koffer en doodskist

Bocai laat in zijn roman net zozeer ruimte voor vulgariteit en lelijkheid als voor ontroering en intimiteit. De passages waarin (de totstandkoming van) geweld, of de dreiging daarvan, heel precies en gedetailleerd beschreven wordt maakten het voor mij soms moeilijk om in deze romanwereld te blijven, terwijl ik op andere momenten – bijvoorbeeld als Priță en Stanca de natuur in trekken, maar soms ook vanwege de verfijnde taalbehandeling – maar al te graag in het boek wilde blijven ronddwalen. In dat opzicht herken ik tegelijk wel en niet wat Lisa Weeda in een blurb zei: ‘Dit ogenschijnlijk kleine boek opent een grote, melancholische, duistere wereld waar je maar al te graag in rond zou dwalen.’

De aantrekkingskracht die Weeda beschrijft heeft voor mij niet alleen te maken met de wereld die de roman opent, maar ook met Bocais vormbewustzijn en stilistische keuzes. Hoewel in veel grote romans plot natuurlijk belangrijk is, is het vaak – en ook in deze roman – toch niet de plot die vanuit literair opzicht onderscheidend is, maar de manier waarop taal wordt ingezet om gebeurtenissen en ervaringen vorm te geven. Het is onder meer door zijn gebruik van stijl dat Bocai de dubbele aard van de realiteit die hij beschrijft kan laten zien. Wat deze roman bij vlagen adembenemend maakt is dat de verfijnde stijl soms op gespannen voet staat met de mistroostige realiteit die Bocai vastlegt. Het slot van de roman demonstreert bij uitstek die spanning tussen vorm en inhoud: een beschrijving van de doodskist van Priță, die op 13-jarige leeftijd bijna verdrinkt, gered wordt, maar kort daarna alsnog aan de gevolgen overlijdt en daarmee het lot van vele vroeg gestorven kinderen uit de regio deelt. Die beschrijving wordt afgewisseld door een haast achteloze, ogenschijnlijk ongepast cerebrale filologische reflectie:

Het was maar een ielig ventje, dus maakten ze een kleine, ongelakte kist voor hem, aan de binnenkant bekleed met een simpel laken, ietwat gelig in de hoeken, en met een wit kussen aan het bredere uiteinde. In de dorpen rondom de rivier noemden ze een doodskist destijds een troon, en een hele poos geloofde de verteller van dit relaas dat ze zo genoemd werden omdat al die mensen – door onwillekeurig gebruik te maken van wie weet wat voor spreektalige metafoor – een poëtisch verband hadden gelegd tussen die doos van de doden en de armstoel van de monarch, met als gevolg dat hij zich de dood voorstelde als een soort keizerschap. Later ontdekte hij dat de meest waarschijnlijke verklaring is dat het Roemeense woord tron is afgeleid van het Duitse Truhe, namelijk kist of koffer, want Priță’s doodskist was niet veel groter dan een koffer en twee mensen konden hem gemakkelijk van de kar af tillen, de een aan het voeteneinde en de ander aan het hoofdeinde.

De contrastering van de beschrijving van de doodskist met de afstandelijke reflectie op de herkomst van het woord voor doodskist leidt uiteindelijk, via het woord ‘koffer’, tot een onderstreping van hoe klein en licht de kist van Priță is. Het contrast verleent aan het beeld een des te grotere, voor mij haast ondraaglijke intensiteit, die de dood tegelijk prozaïscher – van troon naar koffer – en onverbiddelijker maakt. Bocai bedient zich van een ‘bemoeilijkte’ vorm om de onomkeerbaarheid van Priță’s dood over te brengen.

Vertraging

Als ik in het licht van deze en andere vormkeuzes terugdenk aan het feit dat Bocai zichzelf een realist noemt, dan vraag ik mij af: wat bedoelt hij daar eigenlijk mee? Wat betekent dat? Misschien betekent het in dit geval gewoon dat hij als schrijver een vormentaal probeert te vinden die past op de realiteit die hij wil beschrijven. Niets meer, niets minder. Een vorm die invoelbaar maakt wat het betekent om op te groeien in de even betoverende als meedogenloze wereld van Priță. Of je het realisme noemt of niet, de roman laat zien dat complicering van de vorm – door vertraging, vervreemdingstechnieken, beeldtaal, poëtisch taalgebruik – soms nodig is om bepaalde ervaringen voor de lezer toegankelijk te maken. In deze roman brengt de gecompliceerde vorm ons als lezer dichter bij een universum dat even intrigerend als vervaarlijk is, even uitnodigend als afstotelijk. Deels door het slot, maar ook door het geschetste universum als geheel, gaat er een soort fatale aantrekkingskracht uit van deze roman, waarin ik wil blijven ronddwalen, maar waaruit ik vanwege de alomtegenwoordige ellende, of de dreiging daarvan, ook maar al te vaak wilde wegrennen.