Advertentie
2026-2 – Banner Sommer dNBg (voor website)

Voorbij Gaza

Pankaj Mishra groeide op in een gezin waarin de staat Israël werd bewonderd. Inmiddels is hij een felle criticus van Israël en de reactie van westerse regeringen op de verwoesting van Gaza. In De wereld na Gaza onderzoekt Mishra de geschiedenis van de botsende, maar ook overlappende perspectieven op Palestina. Een leerrijke verkenning, waar een sterk moreel appèl van uitgaat, schrijft Jozef Waanders in deze bespreking.

Geen conflict in de wereld kent zo’n kluwen van mogelijke perspectieven als het Israëlisch-Palestijnse. Met de Europese geschiedenis in het achterhoofd zien velen in het Westen doorgaans vooral een bedreigd Joods thuisland dat na de gruwelen van de Holocaust alle bescherming verdient – Duitsland noemt de veiligheid van Israël zelfs ‘Staatsräson’. Daartegenover staat het postkoloniale perspectief vanwaaruit grote delen van de rest van de wereld in Israël een gewelddadige en anachronistische koloniale staat op het grondgebied van de Palestijnen zien. Zionistische, koloniale, geopolitieke, internationaalrechtelijke, islamitische of (joods-)christelijke perspectieven leveren dan weer heel andere impressies op en bij veel mensen is er ook nog sprake van een combinatie van deze perspectieven. 

Het is dus niet voor niets dat de Indiase essayist Pankaj Mishra zijn boek De wereld na Gaza begint met een motto van Hannah Arendt: ‘Als we willen dat de solidariteit van de mensheid gebaseerd is op iets meer dan de terechte angst voor de duivelse daden waartoe we in staat zijn (…) dan moeten we onszelf en elkaar beter leren begrijpen.’ Mishra pakt die handschoen op en stelt zich daarbij vooral de vragen: hoe kan een land dat gesticht is om toevlucht te bieden aan een vervolgd en thuisloos volk, ertoe komen zo’n verschrikkelijke macht over leven en dood uit te oefenen over een ander volk dat bestaat uit vluchtelingen? Hoe kan het dat – in Mishra’s woorden – de mainstream in het Westen amper tot een veroordeling daarvan kan komen? En hoe kan het dat het Israëlische optreden in de Gazastrook wereldwijd zulke verschillende reacties en emoties oproept?

Botsende referentiekaders

In zijn zoektocht naar antwoorden laat Mishra de twee dominante morele referentiekaders vanwaaruit de wereld kijkt naar wat zich sinds de brute aanslag van Hamas op 7 oktober 2023 in Gaza heeft voltrokken frontaal op elkaar botsen. Daarvoor gaat hij op zoek naar de genealogie van de twee dominante visies op de ontstaansgeschiedenis van het Israëlisch-Palestijnse conflict. De eerste, voornamelijk westerse, is geworteld in de herinnering aan de Holocaust; de tweede, vooral niet-westerse, in een gevoel van lotsverbondenheid met de Palestijnen als slachtoffers van koloniale onderdrukking. De eerste visie leidde tot verregaande morele, politieke en militaire steun voor Israël; de tweede tot diepgevoelde verontwaardiging over wat leek op een nieuw en anachronistisch hoofdstuk van nietsontziend ‘westers’ koloniaal geweld. Mishra groeide zelf op in een hindoe-nationalistische familie met sympathie voor Israël als strijdlustige ‘postkoloniale’ staat, maar heeft het desondanks over een ‘kleurgrens tussen mensen uit de vroegere kolonies die bijna automatisch solidair zijn met de Palestijnen’ en ‘de heersende klassen’ in het Westen die Israël ten koste van alles blijven steunen.

Wat Mishra toevoegt is een verklarende geschiedenis, op basis van een fundamentele lezing van zowel westerse als niet-westerse schrijvers en filosofen.

Dat beide perspectieven bestaan is geen nieuwe constatering. Wat Mishra toevoegt is een verklarende geschiedenis, op basis van een fundamentele lezing van zowel westerse (onder wie Joodse) als niet-westerse schrijvers en filosofen. Daarin schetst hij ook de wijze waarop de (herinnering aan de) Holocaust – ‘als symbool van Joodse kwetsbaarheid in een eeuwig vijandige wereld’ – door politieke verschuivingen in Israël en het Westen in toenemende mate politiek werd geïnstrumentaliseerd en toegeëigend door rechts-nationalistische krachten. 

In Israël gebeurde dat vooral binnen het militante revisionistisch zionisme dat met het premierschap van Menachem Begin vanaf 1977 de dominante factor in de Israëlische politiek werd. In die traditie staat ook de Likud-partij van Benjamin Netanyahu, wiens vader persoonlijk secretaris van de stichter van het revisionistisch zionisme was. In het Westen identificeert de radicaal-rechter flank zich ondertussen steeds nadrukkelijker met Israël als etnisch-nationaal project dat de Palestijnen systematisch onderdrukt en zijn dodelijke kracht jegens hen genadeloos de vrije loop laat gaan. Israël werd voor radicaal-rechts – dat de steun aan Israël tevens kon gebruiken om moslims in eigen land antisemitisme aan te wrijven – gaandeweg een modelstaat. Zelfs etnische zuivering of genocide was daardoor kennelijk te rechtvaardigen.

Nooit meer voor wie?

Maar met dat ongemakkelijke verbond is het verhaal over de westerse reactie op Israëls genocidale geweld in Gaza nog niet klaar: ook de mainstream van meer liberale politici en opiniemakers kwam afgelopen jaren volgens Mishra amper tot een veroordeling. Sommigen van hen waren zelfs bereid om het nietsontziende Israëlische optreden te rechtvaardigen, al dan niet met een beroep op de herinnering aan de Shoah. 

Daarom raakt Mishra’s boek ook aan pijnlijke vragen over onze eigen herinneringscultuur: wat verklaart een plotselinge en soms bijna agressieve vorm van ‘filosemitisme’ in Europese landen die de Joden ooit als ongewenst beschouwden? En, in de woorden van Mishra, ‘wanneer wordt georganiseerde herinnering een dienares van brute macht en legitimatie van geweld en onrecht?’ Het naoorlogse waardenstelsel dat na de Shoah in Europa werd opgebouwd, draaide om het ‘nooit meer’ van de Holocaust. In het huidige politieke krachtenveld is dat vertaald naar een vrijwel onvoorwaardelijke steun aan Israël, ook als dat land massaal Palestijnen vermoordt en uithongert – en daarvoor ter rechtvaardiging ook zelf een beroep doet op de Holocaust (denk aan de Jodensterren waarmee de Israëlische diplomatieke delegatie eind 2023 in de VN-Veiligheidsraad verscheen).

Mishra gaat nog een stap verder. Hij trekt zelfs de Duitse motieven voor de naoorlogse omarming van Israël en de vormgeving van de Shoah-herdenking in twijfel: die zouden vooral politieke doelen hebben gediend voor een land dat in de context van de Koude Oorlog wanhopig op zoek was naar rehabilitatie als onderdeel van het Westen. Mij lijkt dat hij hiermee wat te gemakkelijk voorbijgaat aan de indrukwekkende kanten van de Duitse Vergangenheitsbewältigung; had Rusland maar zo’n proces van kritisch-moreel zelfonderzoek doorgemaakt. Maar dat laat onverlet dat de steun aan een staat die mede op etnisch-nationalistische gronden aan het moorden slaat, kritische vragen oproept over onze omgang met de Holocaust-herinnering.

Had het ‘Nie wieder’ geen universele betekenis moeten krijgen: een ‘dit nooit meer voor niemand’? En heeft een exclusief nationalistische toe-eigening van de Holocaust – iets waarvan Arendt de voortekenen al vreesde te ontdekken in het Eichmann-proces – dat niet ernstig vertroebeld? Heeft Israël daardoor niet een (in de woorden van Mishra) ‘op eliminatie gerichte doden-of-gedood-worden-versie van “dit nooit meer”’ geïnternaliseerd en het meedogenloze principe omarmt ‘dat alleen wie sterk is en als eerste toeslaat, verdient te leven’? En als dat zo is, wat blijft er dan eigenlijk nog over van het fundament waarop het naoorlogse Westen zijn morele orde bouwde? Sneuvelt de mensenrechtendroom niet juist in Gaza? 

Pijnlijke vragen met een lange en bittere voorgeschiedenis. Arendt pleitte voor een binationale federatie in Palestina en brak al vroeg met de zionistische beweging, toen die in 1942 op de Biltmoreconferentie onder leiding van David Ben-Goerion het ideaal van een etnisch homogene nationale staat omarmde. Voor haar was de dwangvoorstelling van een etnisch-nationale staat waarin de meerderheid van de Arabieren hoogstens minderheidsrechten zou krijgen een absurditeit – en ironisch genoeg een overname van het negentiende-eeuwse natiestaatidee dat in Europa het politieke antisemitisme mogelijk had gemaakt. Vreedzaam samenleven met Arabieren en grensstaten zou er permanent door onmogelijk worden gemaakt, en het zou later ook de oplossing van het Palestijnse vluchtelingenprobleem (waarvoor Arendt zich, getuige ook het recent verschenen Over Palestina, zeer zou inzetten) volstrekt onmogelijk maken. Voor Arendt volgde de Palestijnse rechteloosheid en ontheemding rechtstreeks uit die etnische vernauwing binnen het zionistische denken. 

Mishra laat veel andere Joodse intellectuelen, onder wie Stefan Zweig en Victor Klemperer, aan het woord die net als Arendt al vroeg waarschuwden voor de koers van het zionisme.

Mishra laat veel andere Joodse intellectuelen, onder wie Stefan Zweig en Victor Klemperer, aan het woord die net als Arendt al vroeg waarschuwden voor de koers van het zionisme. Ook Joseph Roth vreesde lang voordat Israël als staat het daglicht zou zien dat de zionisten ‘de slechte gewoontes en gebruiken’ van Europa mee zouden nemen naar Palestina: ‘Het Europese merkteken van Kaïn was je er niet af.’ Bijzondere aandacht geeft Mishra aan de Auschwitz-overlevenden Jean Améry en Primo Levi, die zich ook na de vestiging van Israël en ondanks een complexe emotionele band met het land eind jaren zeventig en tachtig gaandeweg steeds kritischer uitlieten over het Israëlische staatsgeweld richting de Palestijnen. Beide schrijvers, die voor hun Israël-kritiek een hoge persoonlijke prijs betaalden en uiteindelijk allebei zelfmoord pleegden, belichamen voor Mishra de universalistisch-humanitaire lessen die uit de Holocaust getrokken hadden moeten worden. Volgens Mishra contrasteren ze scherp met de bijna onvoorwaardelijke westerse steun voor Israëls huidige koers: ‘Vandaag de dag zullen bedenkingen zoals die van Améry en Levi in Israël en het hele Westen waarschijnlijk als uitgesproken antisemitisch worden veroordeeld.’

Israël als koloniaal anachronisme

Dan het dekoloniale perspectief, dat ondanks de westerse steun voor Israël ook onder jongere generaties in het Westen terrein lijkt te winnen. Voor grote delen van de wereld is niet de Tweede Wereldoorlog, de Shoah, de Koude Oorlog of de val van het communisme, maar de dekolonisatie de ingrijpendste gebeurtenis uit de twintigste eeuw. Die dekolonisatie ging niet alleen over machtsverschuiving en onafhankelijkheid, maar ook over culturele en intellectuele verschuivingen die nog altijd doorwerken. In het Westen blijft dat volgens Mishra evenwel vaak een blinde vlek. 

Vanuit dat perspectief is het genocidale nazi-imperialisme in Europa volgens Mishra deels ook te begrijpen als een ‘naar binnen slaan’ van typisch westers-imperialistisch geweld dat men in andere delen van de wereld allang had leren kennen (een verband dat Arendt ook heeft gelegd in Imperialisme). Gelet op de door het Duitse Keizerrijk uitgevoerde Namibische Genocide (1904-1908) en de manier waarop Hitler zich liet inspireren door de Britse exploitatie van India en de grootschalige Amerikaanse verdrijving van de oorspronkelijke bevolking is dat aannemelijk. Het verklaart ook veel van de nog steeds in het ‘mondiale Zuiden’ levende antiwesterse sentimenten evenals een heel andere kijk op het Israëlisch-Palestijnse conflict.

Dat het Britse kolonialisme in het spoor van de Balfour-verklaring (1917) medeoorzaak is van de ellende in het voormalige mandaatgebied Palestina is algemeen bekend. Minder bekend is dat paradoxaal genoeg ook het Europese zionisme uit die koloniale bron gedronken heeft. Zo fantaseerde Theodor Herzl, grondlegger van het zionisme, in zijn dagboek over het ‘discreet over de grenzen laten verdwijnen’ van de inheemse bevolking van het land waar de Joodse staat gerealiseerd moest worden en schreef hij in De Jodenstaat (1896) dat een Joodse staat in de Levant een onderdeel moest vormen ‘van de verdedigingswal van Europa tegen Azië, een buitenpost van de beschaving tegen de barbarij.’ 

De demografische en territoriale minimalisering van de Palestijnen was altijd al een belangrijk doel binnen het politieke zionisme. Daarop wees ook de beroemde Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said in The Question of Palestine. De leuze ‘een land zonder volk voor een volk zonder land’ was een vroege intentionele ontkenning van de historische Palestijnse aanwezigheid. Sommige van de zogenaamde Israëlische ‘Nieuwe Historici’, onder wie Ilan Pappé, auteur van De etnische zuivering van Palestina, en Avi Shlaim, sluiten zich inmiddels bij die zienswijze aan. Ze concludeerden na uitvoerige bestudering van de Israëlische archieven en staatsvorming dat de etnische zuivering van de inheemse Palestijnen in ieder geval sinds de Nakba in 1948 tot de beleidsdoelen van het Israëlische leiderschap behoorde, en dat dat volgde uit de zionistische ideologie waarin (als etnische vernauwing van het pluralistische Jodendom) een systematische ongelijkheid besloten ligt. 

De demografische en territoriale minimalisering van de Palestijnen was altijd al een belangrijk doel binnen het politieke zionisme. Daarop wees ook de beroemde Palestijns-Amerikaanse literatuurwetenschapper Edward Said.

Ook de Palestijns-Amerikaanse historicus Rashid Khalidi trekt in zijn fameuze De honderdjarige oorlog tegen Palestina de conclusie dat het politieke zionisme vanaf het begin al uit was op de verdrijving van de oorspronkelijke bevolking in Palestina en dat de systematische etnische discriminatie die er altijd al wezenlijk onderdeel van uitmaakte iedere leefbare oplossing onmogelijk maakt. Allemaal zien ze de Israëlische staatsvorming om die reden inmiddels als een vestigingskoloniaal apartheidsproject waarbij de inheemse bevolking gaandeweg vervangen moet worden door migrerende Joden. De Joodse veiligheid wordt in dat proces als rechtvaardiging aangewend voor het steeds excessievere Israëlische staatsgeweld. De prijs die de Palestijnen daarvoor moeten betalen loopt steeds verder op. 

Mishra deelt die visie dat het zionisme begrepen moet worden als een vervolg op het westerse kolonialisme dat halverwege de twintigste eeuw instortte. Een groeiende groep jonge mensen in het Westen sluit zich daarbij aan en komt inmiddels ook met de beschuldiging dat Israël – dixit Mishra – ‘een hardvochtig koloniaal en Joods-suprematistisch regime is, gesteund door extreemrechtse westerse politici en meeliftende liberalen.’

De lange schaduw van de Shoah

De verschillende perspectieven op het Israëlisch-Palestijnse conflict zijn bijna onverzoenbaar, maar werpen wel licht op de vaak tegengestelde stellingnames over het Israëlische optreden in de Gazastrook. Het blijft, ook in ons eigen land, een splijtzwam en een rechtvaardige oplossing van het conflict lijkt met de huidige politieke en internationale verhoudingen verder weg dan ooit. Alhoewel Gaza volgens Mishra een ‘breuk in de tijd’ zou moeten betekenen die ook de referentiekaders voor de betekenis van het ‘nooit meer’ doet verschuiven, maakt hij zich daarover weinig illusies: hij vreest dat Israël ‘met zijn overlevingspsychose’ de ‘voorbode van een toekomstige failliete en uitgeputte wereld’ kan zijn. Toch put hij hoop uit de massale protesten van een jonge generatie in het Westen en spreekt hij ook de hoop uit dat we ‘vanuit het intuïtieve gevoel van de overlevende dat leed ondeelbaar is gaan kijken hoe de botsende narratieven van Shoah, slavernij en kolonialisme met elkaar verzoend kunnen worden.’

Mishra spreekt de hoop uit dat we gaan kijken hoe de botsende narratieven van Shoah, slavernij en kolonialisme met elkaar verzoend kunnen worden. Daarvoor doet De wereld na Gaza een waardevolle aanzet, die tevens een aanklacht is tegen de westerse reactie op het Israëlische handelen in Gaza.

Daarvoor doet De wereld na Gaza alvast een waardevolle aanzet, die tevens een aanklacht is tegen de westerse reactie op het Israëlische handelen in Gaza. De hypocrisie van het Westen is volgens Mishra immers evident: eerst heeft men getracht om de onoplosbare Europese schuld voor de gruwel van de Holocaust af te wentelen op een volk dat daar niets mee te maken had, om de misdaden die tegen dat volk worden begaan vervolgens mede mogelijk te maken. Ondanks dat het boek verschillende perspectieven in stelling wil brengen, is dus duidelijk waar Mishra zelf staat: hij biedt een niet-westers perspectief op een vooral door het Westen veroorzaakt conflict. Vanuit dat perspectief is de aanklacht richting het Westen scherp en polemisch, maar anders dan in sommige andere teksten van Mishra ontspoort de polemiek (op een enkele uithaal na) niet in een onmachtig-honende toon en blijft zijn betoog stevig geworteld in een historische en morele argumentatie die niet zomaar weg te wuiven is.

Edward Said schreef ooit dat feiten nooit zomaar voor zich spreken, maar altijd een sociaal acceptabel narratief nodig hebben waarin ze opgenomen kunnen worden. In Europa vonden de talloze feiten over de Israëlische misdaden jegens de Palestijnen dat acceptabele narratief maar zelden. Het leek onmogelijk om Joden na de Holocaust als daders te zien, en door schuldgevoel (of andere motieven) gedreven schaarden westerse regeringen zich hoe dan ook achter Israël en lieten ze het na om moreel en internationaalrechtelijk stelling te nemen. Maar Gaza heeft volgens Mishra ‘de schaduw van de Shoah verlengd, die nu over veel meer mensen valt dan alleen de Joden’. 

Voor een vooral machteloos Europa dat in een fragmenterende wereldorde nu ook zelf voor zijn zelfbehoud moet vechten, rest daarom ook de vraag: zouden we inmiddels niet, zoals we na de Holocaust een historische verantwoordelijkheid voor de Joodse veiligheid voelden, medeverantwoordelijkheid moeten voelen voor de veiligheid van de Palestijnen als – in de woorden van Said – ‘slachtoffers van onze slachtoffers’? Na de vernietiging van Gaza, die we live konden volgen en waarvan we dus nooit zullen kunnen zeggen dat we het niet hebben geweten, wordt het wellicht tijd om onze gewetens te laten spreken. Te lang hebben de meeste westerse beleidsbepalers de Palestijnen vooral gezien als veiligheidsprobleem voor Israël, en maar zelden als een volk met eigen zelfbeschikkingsrecht. Toch geldt nog altijd dat de enige duurzame en rechtvaardige oplossing gezocht kan worden in wederzijdse acceptatie en volledige (ook politieke) rechtsgelijkheid. Het alternatief daarvoor aanschouwen we nu in de hel die Gaza heet.