Gemeenschap als ideaal en praktijk: een interview met Tita Chico
Tita Chico verblijft gedurende het tweede semester van academisch jaar 2025-2026 aan het in hartje Amsterdam gevestigde Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS). NIAS selecteert ieder jaar meer dan vijftig excellente onderzoekers uit Nederland en de rest van de wereld om voor de duur van een of twee semesters voltijd vrij onderzoek te komen doen in een inspirerende multidisciplinaire woon- en werkomgeving.
Besproken boeken
-
Tita Chico On Wonder: Literature and Science in the Long Eighteenth Century (Cambridge University Press 2025), 78 blz.
[Merlijn Olnon] Hoe ben je hier aanbeland?
[Tita Chico] Al sinds het begin van mijn studie ben ik bezig met de verhalen die we onszelf vertellen over ons verleden en de verhalen die bepalen hoe we de wereld om ons heen begrijpen. Het leidde tot een voortdurende en uitdijende kritische interesse in de historiciteit van literaire vormen – dat wil zeggen, nadenken over wat soorten literatuur doen, wat metaforen en dergelijke doen – en de geschiedenis van ideeën. Voor mij contrasteren vorm (hoe iets verteld wordt) en inhoud (wat verteld wordt) altijd met elkaar, en informeren ze elkaar. Bijvoorbeeld, wanneer Jonathan Swift in 1729 A Modest Proposal for Preventing the Children of Poor People from Being a Burthen to Their Parents or Country, and for Making Them Beneficial to the Publick publiceert, is een belangrijk onderdeel van de satire dat hij als genre een door een bureaucraat geschreven ‘voorstel’ gebruikt. Dat genre verdiept de horror van de zogenaamde oplossing – het exporteren van Ierse baby’s als voedsel – vanwege de associatie met ogenschijnlijk droog overheidsbeleid. Zo worden zowel het genre als de inhoud onder vuur genomen.
Mijn onverzadigbare nieuwsgierigheid naar kunst en samenleving heb ik geërfd van mijn moeder – een onvermoeibaar reiziger, avonturier en historicus. Als klein meisje leefde ik al op als ik door haar kunstgeschiedenisboeken mocht bladeren en op een van mijn meest dierbare foto’s van ons samen draagt ze me bij de opening van een tentoonstelling over vrouwengeschiedenis die zij in 1972 samenstelde. Ik leer nog steeds van haar (ze is nu bijna 95) en ik open mijn boek, On Wonder, met haar reactie op een MRI die een neuroloog haar na een beroerte liet zien. ‘Maar dat verklaart niet wat een gedachte is’, verkondigde ze.
Momenteel houden vooral hoop voor mijn studenten en mijn gemeenschap en bezorgdheid over de schade die de regering van mijn land nationaal en wereldwijd aanricht me bezig.
Ik ben nu hoogleraar Engels aan de University of Maryland, gelegen op slechts tien mijl ten noordoosten van het Witte Huis in Washington D.C., en geef les aan bachelor-, master- en PhD-studenten Engels, voornamelijk in achttiende-eeuwse Britse literatuur, maar ook in literaire theorie. Onlangs ontwikkelde ik ook een cursus detectivefictie voor studenten van andere bacheloropleidingen, wat een geweldige kans was om een genre te onderwijzen dat problemen rond interpretatie, identiteit en sociale normen thematiseert. Als bestuurder was ik onder meer decaan, directeur van het programma voor Kritische Theorie, directeur postdoctorale studies, directeur van een onderzoekscentrum en voorzitter van de facultaire medezeggenschapsraad.
[MO] Wat houdt je tegenwoordig bezig?
[TC] Momenteel houden vooral hoop voor mijn studenten en mijn gemeenschap en bezorgdheid over de schade die de regering van mijn land nationaal en wereldwijd aanricht me bezig. Deze zorgen leiden me naar twee verwante vragen: hoe kun je in een gemeenschap zijn en hoe kun je rechtvaardige gemeenschappen cultiveren. Mijn professionele en persoonlijke leven komen samen in deze vragen. Wat betekent het, vooral in deze tijd, om gemeenschap te koesteren als ideaal en, ingewikkelder, als praktijk? Laat me twee voorbeelden geven van hoe ik dat probeer te doen, zowel beroepsmatig als privé.
Als directeur van het Center for Literary and Comparative Studies van de University of Maryland ontving ik in de loop der jaren meer dan honderd sprekers en verwelkomde ik zo’n zevenduizend deelnemers aan wetenschappelijke programma’s gericht op literaire studie ter bevordering van antiracismeonderwijs en -onderzoek. Om dat werk echt goed te doen, is het zaak je voor te stellen hoe organisaties beter zouden kunnen functioneren: hoe je het werk aanpakt is even belangrijk als dat je het doet. Mijn collega en vriendin Zita C. Nunes maakt het punt dat simpelweg opschuiven om plaats te maken voor nieuwe stemmen vooral dezelfde structuren reproduceert. De uitdaging is om ons veel vollediger voor te stellen hoe het zou kunnen zijn.
Maar ik woon ook in Washington D.C., een stad zonder vertegenwoordiging in het Congres. Mijn maatschappelijk werk draait om samenkomen met buren en vrienden om de macht de wacht aan te zeggen. Dat betekent in de metro stappen om te protesteren bij het Capitool, het Witte Huis of het Hooggerechtshof. Maar het betekent evengoed van deur tot deur gaan voor politieke kandidaten en ongedocumenteerde inwoners begeleiden naar hun afspraken met overheidsinstanties. Het heeft weleens geleid tot arrestatie door de Capitoolpolitie wegens burgerlijke ongehoorzaamheid. Maar het punt is: ik weiger de hoop op een betere toekomst op te geven… voor mijn studenten en voor mijn gemeenschappen.
[MO] Kun je ons iets vertellen over je onderzoek aan het NIAS?
[TC] Mijn interesse in epistemologie en literariteit groeide uit tot een steeds diepere fascinatie voor de veelvormige (en toenemende) verstrengelingen van literatuur met wat wij nu wetenschap en technologie noemen. Het boek dat ik schrijf bij NIAS, Devices of Enlightenment: A Literary History of Technology, is voortgekomen uit deze interesse. Het is ook een reactie op een diep verlangen: om de implicaties, groot en klein, te begrijpen van wat technologie heeft betekend, nu betekent en kan betekenen. Zoveel gesprekken – in de klas, met collega’s, of in mijn verschillende gemeenschappen daarbuiten – worden gedomineerd door acute zorgen over een zoveelste krantenkop over kunstmatige intelligentie, bijvoorbeeld over toenemende surveillance, of over bedreigingen voor kenniswerk en arbeidsmarkten. Voor mij is de belangrijkste en gevaarlijkste collectieve uitdaging waarvoor deze technologische veranderingen ons stellen dat er geen consensus meer bestaat over wat de werkelijkheid is.
Voor mij is de belangrijkste en gevaarlijkste collectieve uitdaging waarvoor deze technologische veranderingen ons stellen dat er geen consensus meer bestaat over wat de werkelijkheid is.
Ik kan me voorstellen dat lezers zich nu misschien afvragen wat dit allemaal met de achttiende eeuw te maken heeft. Een van mijn belangrijkste vondsten is dat zorgen over technologische verandering allerminst nieuw zijn, mede omdat ze dringende en hardnekkige vragen oproepen over wie ‘wij’ zijn en over onze relatie tot de wereld. Zo werden thermometers in de achttiende eeuw ontworpen om temperatuur weer te geven, maar we zien in de loop van hun ontwikkeling de nodige problemen en vragen opkomen over mogelijke temperatuurschalen. In deze periode werden er door heel Europa meer dan twintig verschillende schalen gebruikt, een bijzondere uitdaging voor waarnemers die probeerden de diepte en duur te vergelijken van wat Le Grand Hiver of The Great Frost van 1708-1709 werd genoemd. Le Grand Hiver brachtdrie maanden van ondraaglijke kou in grote delen van Europa en is een voorbeeld van ‘klimaatverstoring’ tijdens de Kleine IJstijd (ca. 1300-1850). Vanaf de achttiende eeuw won de schaal van Daniel Gabriel Fahrenheit (die van 1714 tot zijn dood in 1736 in Amsterdam woonde en werkte) aan populariteit, vooral in de Engelstalige wereld, tot in de jaren 1970. Als ik er nu op terugkijk, is de schaal van Fahrenheit interessant en prikkelend omdat deze drie punten markeerde: bevroren, kokend en ‘lichaamstemperatuur’. De eerste twee verwijzen naar buiten, naar een natuurlijk fenomeen. Maar de derde wendt zich tot de mens en definieert ‘lichaamstemperatuur’ als die van een gezonde, westerse man. Het begrijpen van de schaal van Fahrenheit, en de aannames waarop deze is gebaseerd, stelt ons in staat te erkennen dat die impliciet ondersteunde wat we ‘rassenleer’ zijn gaan noemen en hoe die niet-westerse, raciale en geslachtsgebonden lichamen als fysiologisch anders beschouwde. Dit is een kwestie van representatie en wereldvorming, precies het soort dingen dat ik in mijn boek bestudeer.
Er is een aantal redenen waarom ik de term device, ‘apparaat’, gebruik om deze objecten en representaties te beschrijven. Een apparaat is een object; als zodanig kan het een fysiek voorwerp zijn of iets discursiefs (zo heb ik ‘taalmachines’ ontdekt die de vorm van tabellen aannemen). Een apparaat is een proces met een duur; er is een begin, een midden en een einde. En een apparaat wijst naar een toekomst na het gebruik. Ik laat me inspireren door Kate Crawfords Atlas of AI, waarin zij betoogt dat we niet enkel rekenschap moeten afleggen, maar bovendien een radicale politiek van weigering moeten voorstaan die de zogenaamd neutrale instrumenten van macht die ons bestaan beheersen afwijst. Wat voor mij erg belangrijk is, is dat apparaten nieuwe ideeën over de mensheid en sociale relaties vormgeven, over de grenzen van ruimte en tijd heen.
De grote leugen over individualisme is dat het het tegengif is tegen groepsdenken. Maar beide benaderingen zijn armoedig. Moeilijk en ongemakkelijk denken en handelen zijn noodzakelijk voor collectiviteit, of die nu in dienst staat van het verbeteren van instituties of van arbeidsomstandigheden.
Ik hoop dat mijn onderzoek naar verlichtingsapparaten ons helpt het verleden te begrijpen en collectieve toekomsten te verbeelden. Om even stil te staan bij mijn gebruik van die term ‘collectieve toekomsten’: ik ben van mening dat intellectueel en sociaal ogenschijnlijk individuele benaderingen al te gemakkelijk beloond worden, terwijl we in feite samen stijgen en dalen. Dat collectieve gaat geenszins over conformiteit: de grote leugen over individualisme is dat het het tegengif is tegen groepsdenken. Maar beide benaderingen zijn armoedig. Moeilijk en ongemakkelijk denken en handelen zijn noodzakelijk voor collectiviteit, of die nu in dienst staat van het verbeteren van instituties of van arbeidsomstandigheden. En collectiviteit is de essentie van intellectueel werk.Ons onderzoek is voortdurend in gesprek met degenen voor ons en spreekt tot onze medestudenten en studenten, evenals tot degenen die na ons komen. Ik werk dan misschien stilletjes op mijn eentje, gebogen over een boek of een toetsenbord, maar ik ben nooit alleen.
NIAS is een ideaal forum voor mij om deze concepten en ideeën te onderzoeken en te ontwikkelen. Het biedt niet alleen een levendige, multidisciplinaire omgeving, maar ook een gemeenschap van internationale wetenschappers die dagelijks met elkaar in gesprek zijn.
[MO] Hoe verhoudt je huidige project zich tot andere disciplines en domeinen?
[TC] Gezien het historische karakter van mijn archief is mijn werk sowieso al multidisciplinair, aangezien de ‘disciplines’ zoals wij ze nu kennen pas in de negentiende eeuw ontstonden. Binnen de hedendaagse context gebruik ik de methodologie van literaire kritiek: de nauwkeurige lezing van technologische, wetenschappelijke en literaire (primaire) archiefbronnen in het kritische licht van theoretische, historische en conceptuele (secundaire) bronnen. Ik ontwikkel deze close readings op basis van wat Lisa A. Lowe in The Intimacies of Four Continents karakteriseert als de ‘intimiteit’ van het moderne, westerse liberalisme en de wereldwijde omstandigheden waarop het berust. Lowe spoort ons aan te kijken naar ‘scenes of close connection in relation to global geography that one more often conceives in terms of vast spatial distances.’ Mijn werk brengt ook de wetenschappelijke velden van literatuur en technologie, de geschiedenis van wetenschappelijke instrumenten en wetenschap, technologie en samenlevingsstudies bij elkaar, met name feministische en postkoloniale benaderingen van wetenschap, technologie en samenlevingsstudies.
[MO] En tot je eerdere werk?
[TC] Als wetenschapper van de Britse literatuur van de lange achttiende eeuw met een bijzondere focus op literatuur, wetenschap en technologie, ben ik vooral thuis in de historische periode die we ‘pre-disciplinair’ zouden kunnen noemen. Dit is een tijd waarin onze huidige indeling van academische en intellectuele landschappen nog niet bestond.
Wat het verhaal van vooruitgang ook mist, is hoe wetenschap en technologie niet alleen werkten (en werken) als een epistemologie en praktijk die onze hernieuwde kritische aandacht vereist, maar ook als een set relaties die mensen en instituties organiseren.
Wetenschap wordt vaak gezien als een zegetocht van ontdekking, innovatie en succes, inclusief de nodige missers die dan toch weer tot meer inzicht leiden. Hoewel het moderne leven talloze voorbeelden kent – zoals klimaatverandering – die de tekortkomingen en mystificaties van dat verhaal blootleggen, kan het lastig zijn om te ‘ont-denken’ dat wetenschappelijke en technologische ontdekkingen vooral nieuwe inzichten opleveren in de mysteries van het menselijk bestaan, het dagelijks leven verbeteren en uitbreiden, en de cultuur leiden naar een veelbelovende toekomst van steeds grotere ontdekkingen en vooruitgang. Wat het verhaal van vooruitgang ook mist, is hoe wetenschap en technologie niet alleen werkten (en werken) als een epistemologie en praktijk die onze hernieuwde kritische aandacht vereist, maar ook als een set relaties die mensen en instituties organiseren. Daarom is het verbeeldende van de literatuur essentieel om te begrijpen wat wetenschap en technologie waren en kunnen zijn.
[MO] Wat zou je willen dat je werk bereikt?
[TC] Ik hoop dat mijn werk ons leert dat onze hedendaagse preoccupaties een lange voorgeschiedenis hebben. John Wilkins stelde zich in de zeventiende eeuw een universele taal voor, Francis Lodwick, een universeel alfabet. Friedrich Knaus’ achttiende-eeuwse Allesschreibende Wundermaschine plaatste een ganzenveer in een miniatuurhand die op papier schreef. Sommige van deze taalmachines waren ontworpen om taal te automatiseren en te instrumentaliseren, met het idee dat het verminderen van taalkundige ambiguïteit ook politieke factievorming zou beperken. Al deze taalmachines daagden zeventiende- en achttiende-eeuwse publieken uit om zich opnieuw voor te stellen wat menselijke expressiviteit was; een confrontatie die sterke gelijkenissen vertoont met onze huidige met grote taalmodellen zoals ChatGPT. Ik wil niet alleen laten zien dat niets ‘nieuw’ is, maar ook hoe ons huidige moment onderdeel is van een langere historische boog. Ik beschouw onze tijd als een uitvloeisel van de Europese achttiende eeuw, met grote verschuivingen in wetenschap en technologie, kapitalisme en zoutwaterslavernij (ik gebruik de term van Stephanie E. Smallwood), politiek en media. Joseph Roach, Eugenia Zuroski en anderen wijzen erop dat wat destijds in de achttiende eeuw ontstond, nog steeds voortduurt. En Zuroski herinnert ons eraan dat ‘niemand zo goed weet hoelang de “achttiende eeuw” duurde als de Inheemse en Zwarte gemeenschappen in de koloniale natiestaten die in die periode werden opgericht. Het is een eeuw die weigert te stoppen.’
Graag roep ik hier de slotwoorden uit On Wonder in herinnering, want ze blijven mij leiden. Ik zie verwondering als een object, als een gevoel, als een uitnodiging om te studeren, en als een manier van denken. Verwondering staat centraal in het natuurfilosofisch onderzoek van de lange achttiende eeuw, en ze vereist observatie en verbeeldingskracht. Ten uiterste, betoog ik, stelt verwondering ons in staat om ons bezig te houden met wat Katherine McKittrick in Dear Science and Other Stories beschrijft als ‘the difficult work of thinking and learning across many sites, and thus coming to know, generously, varying and sifting worlds and ideas.’ Mijn hoop is dat mijn onderzoek ruimte creëert voor anderen om nieuwe ideeën te ontwikkelen die ons vakgebied en beroep, onze studenten en onze gemeenschappen naar een productieve toekomst zullen leiden.
Ik wil graag het aanstaande werk van enkele collega’s benoemen, dat juist om deze redenen bijzonder spannend is. Patrícia Martins Marcos, een wetenschapshistoricus, schrijft een geweldig boek over hoe het vroegmoderne concept van ras in Portugal en zijn Atlantische koloniën ‘wetenschappelijk’ was, waarbij ze put uit de Griekse geneeskunde, de aristotelische natuurfilosofie, de christelijke theologie en het Romeinse recht. Kristina Huang, opgeleid in literatuurwetenschappen en kritische rassenstudies, werkt aan een geweldig boek dat historische representaties van subalterne, tot slaaf gemaakte en geminoriseerde levens in de achttiende-eeuwse Atlantische wereld centraal stelt, waarbij ze hun representaties gebruikt om kritische theorie en politieke praktijk opnieuw vorm te geven. En Allison Gibeily, ook werkzaam in de literatuurwetenschap, is bezig met het afronden van een prachtig proefschrift over belichaamde en mondelinge literaire praktijken in achttiende- en negentiende-eeuwse Arabische reisverhalen. Deze wetenschappers illustreren gezamenlijk hoe rijk Lowe’s concept van ‘intimiteit’ kan zijn. Dergelijke routes zijn bijzonder veelbelovend voor achttiende-eeuwse studies.
[MO] Hoe invloedrijk kan dit soort literair-historisch onderzoek volgens jou zijn, en via welke wegen en op welke tijdsschaal?
[TC] Ik ben tegelijk voorzichtig en ambitieus als het over zulke vragen gaat. Ten tijde van dit interview worden zoveel mensen vermoord en ontheemd, terwijl ze onvoorstelbare verschrikkingen doorstaan. Helpt mijn werk daarbij ook? Dat kan onmogelijk.
In de Verenigde Staten is zoveel in het onderwijs aangevallen, gekleineerd, financieel uitgekleed en zelfs strafbaar gesteld, dat degenen die na mij komen een donkere toekomst hebben.
Maar als ik me dan even beperk tot het hoger onderwijs… In de Verenigde Staten is zoveel in het onderwijs aangevallen, gekleineerd, financieel uitgekleed en zelfs strafbaar gesteld, dat degenen die na mij komen een donkere toekomst hebben. Mijn collega en vriendin, professor Lisa M. Moore, publiceerde onlangs een opiniestuk waarin ze de talloze manieren documenteerde waarop de University of Texas werd vernietigd. Het leed en de schade zijn diepgaand, en de gevolgen zullen langdurig zijn. Maar, zegt Lisa:‘Net als de middeleeuwse monniken en nonnen die kostbare manuscripten begroeven om ze te verbergen voor de koningen die hun abdijen in brand staken, zullen wij deze kennis en vooruitgang bewaren voor een andere tijd in de toekomst. In de tussentijd kennen we de waarheid, en dat houdt ons vrij.’ Ik houd me vast aan Lisa’s woorden vanwege hun integriteit en visie.
En toch – en dat is cruciaal – maakt dit alles dergelijk werk niet onbelangrijk. In deze context wordt het alleen maar belangrijker dat velen van ons humanistisch werk doen, op alle mogelijke manieren. We hebben geschiedenis en verbeelding nodig. We hebben cultuur en onderzoek nodig. Die voeden ons met de verhalen die we over onszelf vertellen. Die helpen ons de wereld om ons heen te begrijpen, zowel zoals die is als zoals die zou kunnen zijn. Een andere collega en vriendin, Kandice Chuh, gebruikt de uitdrukking ‘imagine otherwise’ om te spreken over daden van wereldvorming. Dus deel ik ook haar wijsheid, om met hoop en vastberadenheid te vragen: hoe en wat kunnen we ons anders voorstellen? Welke radicale wereldvormende daden kunnen we verzinnen? Deze vragen opnemen en ze hooghouden, dat is, geloof ik, hoe we onze gezamenlijke toekomst vorm kunnen geven.
Redactie en vertaling: Merlijn Olnon