Advertentie
banner Ambo Anthos koch 2026#2 (voor website)

Middenklasse in meervoud

Wat betekent klasse vandaag de dag? In het politieke en publieke debat gaat het maar al te vaak over afkomst en identiteit, waardoor economische verhoudingen naar de achtergrond verdwijnen. In dit essay bespreekt Arnold de Groot twee boeken die klasse weer centraal willen stellen. Maar zou een overtuigende klassenanalyse niet meerdere dimensies moeten omvatten? Materiële positie en cultuur, opleiding en levensstijl?  

Besproken boeken

In het Verenigd Koninkrijk kom je in de media met regelmaat de termen working class en middle class tegen. Die worden dan vaak gebruikt als adjectieven, die bepaald gedrag of iemands culturele achtergrond moeten beschrijven. Praat je plat, dan ben je working class. Eet je avocado? Heel erg middle class. In Nederland lijkt van dit soort sociaal-culturele aanduidingen, die mensen in hogere of lagere maatschappelijke groepen plaatsen, veel minder sprake te zijn. 

Wie weet nog wat klasse is? Politiek lijkt het begrip klasse iets van het verleden. In het linkse, op Marx geïnspireerde wereldbeeld had je de arbeidersklasse, het proletariaat, en de klasse van kapitalisten, de bourgeoisie. Wat links te doen stond was het voeren van een klassenstrijd: van de onderdrukte en uitgebuite arbeiders tegen de kapitalisten. Analyses van de samenleving en de economie in termen van klasse moesten mensen bewust maken van hun klasse en hun belangen, en van de noodzaak van de klassenstrijd. De afgelopen decennia lijken dit soort analyses te zijn verdwenen.

Identiteit

Als het waar is dat ‘klasse’ op de achtergrond is geraakt, hoe komt dat dan? Wat je regelmatig als antwoord op die vraag hoort is dat links, sinds het neoliberalisme dominant is geworden, klassenanalyse heeft opgegeven en een ‘culturele draai’ heeft gemaakt. Links is zich minder met economie gaan bezig houden en meer met kwesties van sociale rechtvaardigheid en ‘identiteitspolitiek’. ‘De arbeidersklasse – en in feite klasse in het algemeen – verdween langzaam als belangrijkste onderwerp van linkse theorie’, zo schrijft bijvoorbeeld de Britse socioloog Dan Evans, verbonden aan Swansea University, in zijn boek A Nation of Shopkeepers. The Unstoppable Rise of the Petty Bourgeoisie uit 2023. Bij links domineert volgens hem nu het discriminatie- en onderdrukkingsdenken, en hoogstens is ‘klasse’ daarin één dimensie waarin iemand onderdrukking kan ervaren. 

In Nederland heeft Ewald Engelen jaren geleden geschreven dat er een ‘causale pijl’ was van ‘onze collectieve preoccupatie met identiteit naar de dalende arbeidsinkomensquote, stagnerende inkomens, stijgende woonlasten’ etc. In daaropvolgende reacties werd hem tegengeworpen dat een strijd voor allerlei vormen van sociale gelijkheid onderdeel is van een strijd tegen kapitalisme, en dat het een niet ten koste hoeft te gaan van het ander. Dat is ook de positie van schrijver Dylan van Rijsbergen, die in 2024 het boek De net-niet elite. Hoogopgeleiden tussen macht en meritocratie schreef, waar hij de Sociologische Bril 2024 voor kreeg, een prijs voor het beste publiekssociologische boek.

Niettemin is dat een boek over klasse. In weerwil van alle identiteitsvraagstukken, bepleiten hij en Evans om het klassenbegrip weer centraal te stellen in het linkse denken. Volgens Evans zou links weer groot kunnen worden en verkiezingen kunnen winnen, als het maar de verschillende klassen die er volgens zijn analyse bestaan zou begrijpen, om vervolgens klassenallianties te bouwen (de arbeidersklasse alleen is niet in de meerderheid). Van Rijsbergen is bescheidener: hij wil het weggezakte begrip klasse uitleggen aan een breed publiek, en de middenklasse van hoogopgeleiden, zoals hij die analyseert, een spiegel voorhouden en in beweging brengen. 

Volgens Van Rijsbergen denken hoogopgeleiden vaak dat ze hun fijne middenklassebestaan aan hun eigen inspanningen te danken hebben, en dat dit voor iedereen haalbaar is.

Van Rijsbergen beschrijft zichzelf als iemand die min of meer een linkse, progressieve opvoeding heeft meegekregen maar in zijn eerste volwassen jaren minder radicaal werd en in de jaren negentig bij D66 uitkwam. Jarenlang had hij ‘gedacht dat het allemaal wel snor zat in Nederland’, en dat er vooral nog progressieve vooruitgang was te boeken met abortus, euthanasie en homohuwelijk. Maar de verrechtsing van de samenleving vanaf Fortuyn, verdere neoliberalisering onder Balkenende en Rutte, de toenemende ongelijkheid en ‘het ongegeneerde gegraai van de rijken en de valse beloften van de meritocratie’ hebben bij hem voor zo’n ongemak gezorgd, dat hij via links gedachtegoed bij de noodzaak van ‘systematische maatschappijkritiek’ is uitgekomen. 

Van Rijsbergen richt zich op zijn eigen groep: hoogopgeleiden, of ze nu links, progressief of ‘zakelijk rechts’ stemmen. Volgens hem denken hoogopgeleiden vaak dat ze hun fijne middenklassebestaan (‘een eigen huis, een auto, voldoende budget om dingen te kopen of te doen die je leuk vindt’) aan hun eigen inspanningen te danken hebben, en dat dit voor iedereen haalbaar is, als we maar voor ‘gelijke kansen’ zorgen. 

Dan Evans stelt dat links, voor zover het nog in termen van klasse dacht, te lang is blijven hangen in een overzichtelijke indeling van de samenleving, waarbij het arbeidersklasse en middenklasse samennam – soms als ‘de negenennegentig procent’ betiteld – tegenover de rijke, bezittende bourgeoisie (de ‘1 procent’). Veel linkse, progressieve jonge hoogopgeleiden zagen zichzelf als lid van een vooroplopende middenklasse, die het opnamen voor de ‘gewone mensen’ uit de arbeidersklasse. Waarbij ze maar niet konden begrijpen waarom zoveel van die ‘gewone mensen’ tegen hun veronderstelde belangen in voor Brexit of Boris Johnson stemden, of in de Verenigde Staten op Donald Trump. Zij vormen een groep die links volgens Evans nauwelijks registreert: hun levenservaringen niet, hun normen en waarden niet, hun smaak niet.

Kleinburgers

Boeken en artikelen over klasse bevatten bijna altijd een persoonlijk verhaal, en A Nation of Shopkeepers is geen uitzondering. Dan Evans groeide op in het plaatsje Porthcawl in Wales en zag zijn klasgenoten zelfstandige vaklieden in de bouw worden, of verkopers, of politieagenten, getrouwd met verpleegkundigen en kappers. Porthcawl was rijker ten opzichte van de omringende regio waar de mijnindustrie groot was geweest en daarom middenklasse, zo was het idee. Zelf was hij ook middenklasse, met ook nog een voet in de arbeidersklasse, als kind van twee docenten, en met een vader die eerst metselaar was geweest, en een grootvader die in de mijnen en de staalindustrie had gewerkt. Aan de universiteit in Cardiff leerde Evans echter medestudenten kennen die pas echt rijk waren, of zouden worden, die naar privéscholen waren geweest en later advocaten en managers werden. Echte middenklasse – zulke mensen werkten in de regel niet in de bouw, zo leek het.

Geen van beide auteurs komt met een heel heldere definitie van klasse, maar over de verschillende middenklassen valt in hun boeken veel te leren.

‘Klasse’ is altijd een versimpeling geweest, maar ooit kon je de samenleving overzichtelijk indelen in drie klassen. De ruime meerderheid van de mensen behoorde tot de arbeidersklasse, er was een kleine middenklasse en een nog veel kleinere bovenlaag, de heersende of bezittende klasse. Of mensen dat zelf ook zo zagen is nog een hele andere en ingewikkelde kwestie, zeker in Nederland met zijn verzuiling, waarin veel mensen zich primair met hun religieuze gemeenschappen identificeerden. Maar hoe dan ook zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw de economie en de samenleving sterk veranderd. De industrie waarin veel arbeiders werkten is relatief veel kleiner geworden en de dienstensector en de publieke sector waarin veel meer hoogopgeleiden kwamen te werken zijn enorm gegroeid.

De vraag voor sociologen en anderen in de marxistische traditie was met name hoe de gegroeide middenklasse, of in meervoud middenklassen, geduid moest worden. Volgens het marxistische schema zou de kapitalistische economie zich zo ontwikkelen, dat de bezittende klasse een steeds kleiner clubje zou worden met steeds grotere bedrijven, waardoor eigenlijk alle anderen afhankelijk zouden worden en tot het proletariaat zouden gaan behoren. Zo is het niet gegaan, en dus moest het marxistische denken over klassen worden aangepast. Evans en Van Rijsbergen steunen allebei op het werk van wetenschappers dat hierover gaat, met name Erik Olin Wright en Barbara en John Ehrenreich, en Evans ook sterk op dat van Nicos Poulantzas.

Geen van beiden komt met een heel heldere definitie van klasse, maar over de verschillende middenklassen valt in hun boeken veel te leren. Voor Evans is er tussen de ‘bovenste’ bezittende klasse en ‘onderste’ arbeidersklasse ten eerste een ‘middenklasse’ van wat hij met een verouderde, maar voor hem neutrale term ‘kleinburgers’ noemt. Dat waren vroeger vooral de ambachtslieden en de winkeliers, kleine zelfstandigen, die, zo schreven Marx en Engels in het Communistisch manifest, gedoemd waren ten onder te gaan aan voortschrijdende industrialisering en kapitaalaccumulatie. Dat is niet gebeurd, integendeel, deze middenklasse is juist gegroeid.

Volgens Dan Evans is het belangrijkste wat de kleinburgers van arbeiders doet verschillen dat zij individualistisch in het leven staan, waar de arbeiders collectivistisch ingesteld zijn.

Volgens Evans is er in de loop der tijd naast deze ene groep van ‘oude’ of traditionele kleinburgers een groep ‘nieuwe’ kleinburgers bij gekomen: mensen die ‘witteboordwerk’ doen, zoals aanvankelijk kantoorklerken en medewerkers in warenhuizen. Nu worden dit soort banen vaak gedaan door hoger opgeleiden, veelal in de dienstensector en de publieke sector. Evans stelt dat beide groepen ondanks nogal wat economische, sociale en culturele verschillen tot dezelfde klasse behoren. Van oudsher werden beide groepen sowieso al onderscheiden van de arbeidersklasse. De traditionele kleine zelfstandigen bezaten hun eigen ‘productiemiddelen’, zoals een werkplaats of winkel, of een vervoermiddel of gereedschap. De nieuwe kleinburgers waren hoger opgeleid en hadden banen waarin ze niet met de hand werkten en soms een zekere macht over arbeiders hadden. 

Het belangrijkste wat de kleinburgers van arbeiders doet verschillen, volgens Evans, en dat is voor hem een cruciaal punt, is dat zij individualistisch in het leven staan, waar de arbeiders collectivistisch ingesteld zijn. Evans gaat in zijn boek niet zo uitgebreid in op de arbeidersklasse, hij wil tenslotte de klasse van kleinburgers belichten. Maar zijn gedachte is dat arbeiders, omdat ze in hun werk en op de arbeidsmarkt zo zwak staan, alleen door organisatie en samenwerking verbetering van hun positie kunnen afdwingen. Hun arbeidsomstandigheden socialiseren hen tot het collectivisme van vakbonden en grootschalige acties zoals stakingen. Traditionele kleine ondernemers werken daarentegen zelfstandig, of zelfs geïsoleerd, en kunnen vaak alleen door individuele strategieën erop vooruitgaan. Voor ‘nieuwe’ kleinburgers geldt dat ook: zij hebben hun eigen diploma’s en werkervaring, en werken aan hun eigen carrière. Kenmerkend voor de klasse van kleinburgers is volgens Evans dus dat ze voornamelijk bezig zijn met hun individuele vooruitgang in de samenleving, met ‘opwaartse mobiliteit’, weg van de ‘onderkant’ van de samenleving. 

Professionals

Evans onderscheidt nog een tweede ‘middenklasse’, die hij op de maatschappelijke ladder boven de kleinburgers plaatst: de klasse van managers en ‘professionals’. Dat zijn hogere leidinggevenden in bedrijven, dat zijn artsen, advocaten en accountants. Ook deze klasse is in de tweede helft van de twintigste eeuw flink uitgedijd. De grens tussen deze groep en de nieuwe kleinburgers is niet scherp te trekken. Beide groepen doen ‘hoofdwerk’, op kantoren bij dienstverlenende bedrijven of voor overheidsinstellingen of in de publieke sector. Beide groepen hechten sterk aan hoger onderwijs, omdat dat noodzakelijk is om hun beroep uit te oefenen en om carrière te maken. (De echte bovenlaag beschikt over vermogen, en dan doen diploma’s er minder toe.) 

Het belangrijkste onderscheid tussen de ‘hogere’ middenklasse van professionals en managers en de nieuwe kleinburgers is volgens Evans dat die laatsten vaak een vorm van opwaartse mobiliteit hebben gekend, zij zelf of hun ouders, en een onzekere sociaal-economische positie innemen: ze kunnen verder stijgen op de maatschappelijke ladder, zoals ze dat zelf zien, maar ook afglijden. De klasse van professionals en managers daarentegen is een meer gevestigde klasse, waarbij nieuwe generaties toetreden met hulp van oudere, of die hulp nu bestaat uit vermogen, een netwerk, voorbeeldrollen of levensverwachtingen. 

Voeg je Evans’ nieuwe kleinburgers en de professionals en managers samen, dan heb je zo ongeveer de klasse van hoogopgeleiden waar Van Rijsbergen over schrijft. Net als bij Evans onderscheiden de hoogopgeleiden zich bij hem door hun (hogere) opleiding en een zekere vorm van individualisme. 

In een mooi historisch hoofdstuk laat Van Rijsbergen zien hoe de middenklasse van hoogopgeleiden in Nederland vanaf haar ontstaan in de negentiende eeuw verbonden is met het doorlopen van hoger onderwijs. Door economische verandering ontstonden er in fabrieken, bij bedrijven en in het openbaar bestuur nieuwe administratieve en technische functies, waarvoor nieuw, hoger opgeleid personeel nodig was. Het onderwijs breidde in die periode daarom uit, en ook onderwijzers gingen tot de nieuwe middenklasse behoren. Deze groep was aanvankelijk klein, maar in de loop van de twintigste eeuw groeide deze klasse verder – in 2023 was het aandeel hoogopgeleiden (hbo of universiteit afgerond) in de beroepsbevolking zevenendertig procent. 

Kenmerkend nu voor deze klasse, schrijft Van Rijsbergen, is dat de relatief ‘hogere’ positie in de samenleving die de hoogopgeleiden innemen, verbonden is aan het behalen van diploma’s. En omdat de hoogopgeleiden het hogere onderwijs zelf doorlopen hebben, omdat hun diploma in hun ogen hun eigen verdienste is, denken velen van hen ook dat hun hogere salaris en hun hogere aanzien in de samenleving ‘verdiend’ is. Dat geloof is de essentie van de meritocratie: dat niet (aristocratische of anderszins gegoede) afkomst bepalend is voor je positie in de samenleving, maar je verdienste.

Brede steun voor een politiek van gelijke kansen vloeit volgens Van Rijsbergen voort uit het geloof in een meritocratische samenleving. Veel hoogopgeleiden vinden hun eigen positie ‘verdiend’, maar zien ook in dat ze hun positie hebben kunnen bereiken omdat ze in de eerste plaats ‘de kans hebben gehad’. Sociaal beleid moet er daarom op gericht zijn belemmeringen weg te nemen voor degenen die minder kansrijk zijn, zodat ieder individu aan zijn eigen vooruitgang kan werken – opnieuw een vorm van individualisme. Tegelijk zorgt een geloof in gelijke kansen – als je denkt dat dat gerealiseerd is, dat iedereen in onze samenleving min of meer gelijke kansen heeft – voor een rechtvaardiging van ongelijke uitkomsten. Als iedereen een eerlijke kans heeft gehad, is ieders positie die daarop volgt voor iedereen verdiend.

En de politiek

Beide auteurs schetsen een beeld van de hoogopgeleide middenklassen, van hoe hun levens eruitzien, van wat hun waarden en hun wereldbeeld zijn. Uiteraard generaliseren ze daarbij, met alle beperkingen van dien. Maar hoe dan ook is het interessante aan klassenanalyse is dat je er goede, relevante vragen voor moet stellen. Wil je als politieke partij iets aan de economie veranderen, dan moet je oog hebben voor de belangen en de rollen die individuele burgers daarin hebben. Dan is ‘klasse’ nuttig. Zeker nu er in de politiek niet zo veel aandacht lijkt te zijn voor wat je de wereld van werk zou kunnen noemen. Vraag je eens af, voor jezelf of anderen: verschaf je in het productieproces kapitaal of productiemiddelen, breng je je arbeid in, of iets er tussenin? Hoeveelheid macht en invloed heb je – op de inrichting van het werk, over je eigen bijdrage, over anderen? Hoeveel autonomie of zelfstandigheid heb je? Wie krijgt welk deel van de opbrengsten en wie gaat over die verdeling? Hoeveel ‘macht’ heb je op de arbeidsmarkt? Hoe onzeker ben je qua werk en inkomen?

Wie het sociaal-economische aspect van het bestaan op de voorgrond zet, ziet sociaal-culturele aspecten al snel over het hoofd. Mensen hebben niet alleen belangen bij en denkbeelden over een bepaalde inrichting van de economie, maar ook opvattingen over ‘wie erbij hoort’ in de samenleving, over nieuwkomers, over wij en zij.

Vervolgens nodigt zo’n klassenanalyse ons uit om een blik te werpen op de relatie tussen het werk dat we doen, onze rol die we hebben in het productieproces of in de samenleving, kortom, de sociaal-economische positie die we innemen, en onze ideologie, onze idealen en onze levensinstelling. Soms lijkt Evans te veronderstellen dat die relatie één kant opgaat, wanneer hij over collectieve versus geïsoleerde werkomstandigheden schrijft die mensen vormen in hun politieke positie. En hij is in zijn boek op punten ook ouderwets marxistisch, als hij bijvoorbeeld schrijft dat de arbeidersklasse ‘de motor van de geschiedenis’ blijft, of dat de arbeidersklasse de enige revolutionaire klasse is omdat die niets te verliezen heeft. Maar hij schrijft ook expliciet dat iemands politieke mening niet gedicteerd wordt door iemands economische belang: ‘we kunnen niet eenvoudigweg aannemen of aflezen wat iemands ideologie is op basis van iemands positie in de klassenstructuur’. En: ‘politiek is niet simpelweg een afspiegeling van “klassebelang”’ zoals soms gedacht wordt. 

Onze ideologische overtuigingen, onze ‘waarden, opvattingen, onze verwachtingen en manieren van zijn en van begrijpen van de wereld’ worden verder gevormd door de plaats waar we wonen, schrijft Evans. Dat is al breder dan alleen ons werk, en je zou dat nog verder kunnen uitbreiden: we worden allemaal ook gevormd, in de loop van ons leven, door onze ouders en het gezin waarin we opgroeien en hun ‘klasse’, door het onderwijs dat we genieten, door de sociale kringen waar we deel van uitmaken, en met wie we in contact staan. Over onderwijs en wonen (specifiek het bezitten van een eigen huis) schrijft Evans ook twee aparte hoofdstukken, om te benadrukken hoe die mensen individualistischer maken. 

Dat wijst op de beperkingen van een klassenanalyse in enge zin, die zich alleen richt op economische belangen en macht. Wie het sociaal-economische aspect van het bestaan op de voorgrond zet, ziet sociaal-culturele aspecten al snel over het hoofd. Mensen hebben niet alleen belangen bij en denkbeelden over een bepaalde inrichting van de economie, maar ook opvattingen over ‘wie erbij hoort’ in de samenleving, over nieuwkomers, over wij en zij (zijn er ‘echte’ Nederlanders, en moeten immigranten ‘integreren’?); over de plek van religie (alleen achter de voordeur of ook in de openbare ruimte?) en over gelijkheid en verschil tussen mannen en vrouwen en wit en zwart.

Evans wijst op de ‘hardheid’ in politieke denkbeelden van met name de traditionele kleine zelfstandigen, die hun inkomens zien als het resultaat van hun harde werken, dat ze niet willen delen met degenen die daar in hun ogen niets voor hebben hoeven doen, of dat nu uitkeringstrekkers, studenten of asielzoekers zijn.

Ook die opvattingen kunnen trouwens hun wortels hebben in onze economische situatie. Zo wijst Evans op de ‘hardheid’ in politieke denkbeelden van met name de traditionele kleine zelfstandigen, die hun inkomens zien als het resultaat van hun harde werken, dat ze niet willen delen met degenen die daar in hun ogen niets voor hebben hoeven doen, of dat nu uitkeringstrekkers, studenten of asielzoekers zijn. Hij werkt dit helaas niet verder uit en hij verwijst niet naar onderzoek. Het lijkt me ook lastig om hard te maken, dat mensen bekrompen, racistische of egoïstische opvattingen hebben omdat het ze economisch slecht gaat. Maar het kan waar zijn, dat economische onzekerheid en gevoelens van stagnatie of achteruitgang omslaan in wrok en haat. Een breder opgezette klassenanalyse, die kijkt naar economie en macht, naar sociale en culturele dimensies van het bestaan en naar ideologie, zou daar iets over kunnen zeggen. Maar is dat nog een klassenanalyse? 

Van oudsher moest klassenanalyse wijzen op uitbuiting en andere vormen van onrecht, en laten zien hoe de macht van het kapitaal functioneert. De hernieuwde klassenanalyse van Evans en Van Rijsbergen legt de relatieve macht en het individualistische wereldbeeld van de (hoogopgeleide) middenklassen bloot. Van Rijsbergen houdt de hoogopgeleiden voor dat hun goede positie niet altijd zonder meer ‘verdiend’ is, en dat bovendien niet iedereen kan bereiken wat zij hebben, als ze zich maar inzetten en als de politiek maar voor ‘gelijke kansen’ zorgt. 

Wat te doen?

De grote vraag is of inzichten, analyse en overtuiging alleen iets aan de waarden, idealen en opvattingen van hoogopgeleiden middenklassers gaat veranderen. In de lange linkse geschiedenis is het voor linkse activisten vaak een hele opgave geweest om arbeiders die misschien anders dachten op hun ‘eigenlijke’ belangen te wijzen, en hen te mobiliseren voor de klassenstrijd. Zou de hernieuwde aandacht voor klasse dan de hoogopgeleiden van hun individualisme afbrengen? Als dat immers door en werk, en onderwijs, en huisvesting en politieke cultuur zo diep geworteld zit? Of zou de samenleving eerst zelf moeten veranderen, waarna mensen op andere manieren gevormd worden? 

Om een samenleving te krijgen ‘die eerlijker, gelijker, gelukkiger, vrijer en democratischer is’, is er radicalere politiek nodig, aldus Van Rijsbergen. Dring de inkomensongelijkheid terug, zodat de ‘koppeling tussen diploma en inkomen’ zwakker wordt, schrijft hij, en opleidingen dus veel minder het individuele vangnet worden dat ze nu zijn. Daarvoor in de plaats kan een groter collectief vangnet komen, wat uiteindelijk minder concurrentiestrijd en minder prestatiedruk oplevert: ‘Minder meritocratie en meer sociale zekerheid zouden betekenen dat de geprivilegieerde status en het inkomen van hoofdwerkers van nu zouden afnemen, maar daar zouden ze er een vrijere, meer ontspannen en cultureel open samenleving voor terugkrijgen.’

Veel hoogopgeleiden in de middenklassen hebben belang bij of geloven althans in de status quo. Voor steun voor hun radicale agenda moeten eerst de opvattingen en waarden van veel mensen veranderen, maar dat gebeurt misschien pas als de samenleving door die agenda is veranderd.

Evans heeft ook een opsomming van concrete politieke plannen: maak huizen minder handelswaar en bouw massaal sociale huurwoningen; herintroduceer vaste arbeidscontracten; zorg voor brede scholen waarin selectie later plaatsvindt; bouw de instituties die collectivisme faciliteren weer op, zoals bibliotheken, sportclubs en gemeenschapsgebouwen. Ook hij denkt dat de klasse van nieuwe kleinburgers die nu met hun individuele carrières naar opwaartse mobiliteit streven, beter af zijn als ze die levensinstelling van zich afschudden, en gelukkiger zouden zijn als ze zich net als arbeiders tevreden stellen met ‘gewoon’ werk – ook daarbuiten zijn een identiteit en vervulling te vinden.  

Maar voor die radicalere linkse politiek – en de huidige linkse partijen bieden die op dit moment nog helemaal niet, zeggen beide auteurs – is nu alleen geen steun, dat hebben beide auteurs juist uitgebreid laten zien. Veel hoogopgeleiden in de middenklassen hebben belang bij of geloven althans in de status quo. Voor steun voor hun radicale agenda moeten eerst de opvattingen en waarden van veel mensen veranderen, maar dat gebeurt misschien pas als de samenleving door die agenda is veranderd: dat lijkt de catch 22-situatie waar links zich in bevindt.