Advertentie
Leuven UP – BannerNederlandseBoekengids-zomer2026

‘Alsof de duisternis ze had opgeslokt’

In Het boek van de verdwijning laat de schrijver Ibtisam Azem de Palestijnen in één klap verdwijnen – en richt ze haar blik op wat daarna volgt. Judith Naeff las het boek en ziet in hoe dit gedachte-experiment de grenzen van het liberale verhaal over Israël en Palestina blootlegt.

Besproken boeken

‘Wat als alle Palestijnen op een dag uit historisch Palestina zouden zijn verdwenen?’ Die speculatieve vraag vormt de verontrustende premisse van Ibtisam Azems Het boek van de verdwijning, dat in 2014 in het Arabisch werd uitgegeven door Al-Kamel Verlag en nu soepel naar het Nederlands is vertaald door Djûke Poppinga. Ondanks dat extreme uitgangspunt geeft de roman een knappe, gelaagde reflectie op de verhoudingen tussen Palestijnen en Israëliërs in hedendaags Israël.

Azem presenteert de grote verdwijning sec als gegeven, zonder te vervallen in scifi- of fantasyverklaringen. In plaats daarvan gaat het boek in op de reactie van de Israëliërs. In korte hoofdstukjes krijgen we impressies uit verschillende delen van de samenleving: irritatie op de werkvloer over arbeiders die niet op zijn komen dagen; ontzetting over de plotseling lege gevangenissen; speculaties over een state-of-the-art Israëlische opruimingsactie of juist een ongekende voorbereiding op een Palestijnse terreuraanval; toevlucht tot aangescherpte beveiligingsmaatregelen; en ongeduld van de kolonisten om de verlaten huizen in te nemen.

Hoe reageren de liberalen?

De keuze voor een hoofdpersoon van het redelijke midden is een goede zet, want dat de verdwijning van de Palestijnen de koloniale fantasie van de extremisten bewaarheidt is geen verrassing. Maar hoe reageren de liberalen?

Met de radicalisering van de Israëlische samenleving onder Netanyahu, en het onverbloemd genocidale beleid sinds 7 oktober, is Azems gedachte-experiment akelig accuraat gebleken. Toch bevinden de radicale zionisten die gretig staan te dringen voor de lege huizen zich slechts in de marge van de roman. We volgen daarentegen de journalist Ariël, die knap geschetst wordt als een centrum-liberale zionist die zulke extremisten veroordeelt. Hij gelooft weliswaar in een natiestaat met een Joodse identiteit, maar een die naast een onafhankelijk Palestina zou bestaan. Hij gebruikt wel de woorden Judea en Samaria, die de Palestijnse geografie claimen als onderdeel van het Israël uit het Oude Testament, maar wisselt die af met de woorden Westoever en Gaza, die recht doen aan de Palestijnse geografie. Ariël heeft zelfs de bezetting een keer veroordeeld in een artikel, wat hem op stevige kritiek kwam te staan. Hij koestert zowel het goede contact met zijn oom, die kolonel is in het leger, als de vriendschap met zijn Arabische buurman Alaa. De keuze voor een hoofdpersoon van het redelijke midden is een goede zet, want dat de verdwijning van de Palestijnen de koloniale fantasie van de extremisten bewaarheidt is geen verrassing. Maar hoe reageren de liberalen?

De stad als personage

Ariël dwaalt door de ongewoon stille straten van Tel Aviv, drinkt wat in een bar, en volgt het nieuws over de grote verdwijning. Hij gebruikt ook de reservesleutel om het appartement van zijn verdwenen Palestijnse vriend en buurman Alaa binnen te gaan. Daar hangt nog de geur van koffie met kardemom uit de kleine Arabische kopjes. En daar vindt hij Alaa’s dagboek, dat hij begint te lezen. Alaa’s dagboek is in de tweede persoon geschreven en gericht aan zijn grootmoeder. De beslommeringen van Ariël worden afgewisseld met deze ‘brieven’, waarin Alaa zijn leven in Tel Aviv spiegelt aan zijn oma’s herinneringen aan Jaffa van voor, tijdens en na de Nakba, de catastrofe van 1948. Het is Alaa’s stem, niet die van Ariël, waarmee de roman opent.

Jaffa is een havenstad die al sinds de klassieke oudheid bewoond wordt en een bloeiende Palestijnse stedelijke cultuur kende tijdens de Ottomaanse en mandaatperiode. Tel Aviv werd in 1909 net buiten de stad gesticht door Joodse immigranten, in een poging de expansie van Arabisch Jaffa in te dammen. De moderne Israëlische stad groeide gestaag en in 1950, kort na de Nakba, werd Jaffa als district bij Tel Aviv ingelijfd.

Alle Palestijnen delen het verlies van hun thuisland, maar gemeenschappen in Israël, in Gaza, op de bezette Westoever en Oost-Jeruzalem, in vluchtelingenkampen voorbij de grenzen van historisch Palestina, of in de diaspora verder van huis, ervaren dat verlies elk op eigen wijze.

De stad die uit de verhalen van Alaa naar voren komt, is Ariël geheel onbekend, vol herinnerde geuren en kleuren, verdreven karakters en vervangen straatnamen. ‘Jij hebt je namen in mijn stad gekerfd, waardoor ik me voel als iemand die terugkeert uit de geschiedenis. Een vermoeide geest, die rondwaart in zijn eigen leven’, schrijft Alaa aan zijn grootmoeder. Want de stad die Alaa fysiek met Ariël deelde was al voor ‘de grote verdwijning’ getekend door die andere grote verdwijning: de gedwongen ontheemding van 750.000 Palestijnen en de verwoesting van 500 dorpen in historisch Palestina in 1948. Een groot deel van Jaffa werd bij die oorlog met de grond gelijk gemaakt en de bevolking slonk van 100.000 naar 4000 inwoners. ‘Alsof de duisternis ze had opgeslokt. Alsof de zee ze had gegijzeld.’

De grenzen van co-existentie

De auteur komt zelf uit een stadje vlak bij Jaffa. Daarmee behoort Azem tot de Palestijnse minderheid die in 1948 niet is gevlucht of gedood en sindsdien met Israëlisch staatsburgerschap in het huidige Israël woont. Zij worden ook wel ‘’48-Palestijnen’ genoemd, of door Israëliërs ‘Arabische Israëliërs’. De Palestijnse ervaring is zowel verenigd als gefragmenteerd. Alle Palestijnen delen het verlies van hun thuisland, maar gemeenschappen in Israël, in Gaza, op de bezette Westoever en Oost-Jeruzalem, in vluchtelingenkampen voorbij de grenzen van historisch Palestina, of in de diaspora verder van huis, ervaren dat verlies elk op eigen wijze. Het leven van ’48-Palestijnen kenmerkt zich daarbij door de nauwe verwevenheid met de Joods-Israëlische gemeenschap. Het boek van de verdwijning onderzoekt de spanningen waarmee dit samenleven gepaard gaat. Een scherp voorbeeld is Ariëls herinnering aan zijn eerste ontmoeting met Alaa op een feestje van een gezamenlijke vriendin. Alaa stelt zich voor met een aangezet Arabisch accent: ‘Shalom Ariël, ik ben de obligate Arabier van het feest, zodat jullie kunnen zeggen dat jullie Arabische vrienden hebben.’ De vriendin wordt rood in haar gezicht en Ariël lacht hartelijk voor hij Alaa de hand schudt. Al lezende in het dagboek raakt Ariël geïrriteerd: waarom heeft zijn vriend al deze verhalen voor hem verborgen gehouden? Waarom zei hij op de dag voor de verdwijning dat hij moe was en naar bed ging, terwijl hij in zijn dagboek ging schrijven? De irritatie duidt op de grenzen van hun vriendschap. Het volgt bovendien direct na een passage waarin Alaa terugdenkt aan de bomaanslagen van de tweede intifada, toen demonstranten luid ‘dood aan de Arabieren’ scandeerden; een passage die geen empathie wekt, maar afstand schept.

Het personage Ariël weerspiegelt de stad Tel Aviv, want ook Tel Aviv presenteert zich graag als progressief en verbloemt daarmee dat ze is verweven met de materiële geschiedenis van ontheemding en bezetting.

In bredere zin toont Alaa’s dagboek iets wat veel Israëliërs proberen te vergeten: dat de verdrijving van zijn inwoners blijvend hun schaduwen over het land heeft geworpen. Ariëls dwalingen door de stad spiegelen die uit Alaa’s dagboeken. Beide vinden plaats in de nasleep van een grote verdwijning en beide worden gekenmerkt door doelloosheid en vermoeidheid. Maar er is ook een groot verschil. Van alle emoties die bij Ariël de revue passeren – ongerustheid, irritatie, desoriëntatie, apathie – blijven rouw en verdriet de grote afwezige. En laat dat nu juist de dominante modus zijn van Alaa’s dagboeken.

Aanvankelijk verleent Ariël zich toegang tot het appartement van Alaa om te kijken of hij echt verdwenen is, en daarna om het te beschermen tegen indringers. Maar uiteindelijk maakt hij het zich er zo gemakkelijk dat hij het de facto heeft ingenomen. Zo bezien weerspiegelt het personage Ariël ook de stad Tel Aviv. Want ook Tel Aviv presenteert zich graag als progressief en verbloemt daarmee dat ze is verweven met de materiële geschiedenis van ontheemding en bezetting. Daarmee is Azems oordeel zowel subtiel als onverbiddelijk: als puntje bij paaltje komt, is het redelijke midden een schijnvertoning.