Advertentie
Ambo Anthos – banner de nederlanse boeken gids Gospodinov (web)

Mijn tante kent een oorlogsmisdadiger

Wat gebeurt er wanneer een veroordeelde oorlogsmisdadiger haar eigen verhaal mag vertellen – en een onderzoeker haar het podium geeft? In een scherpe analyse van het boek Madam War Criminal van Olivera Simić reflecteert Guido Snel op de morele en wetenschappelijke valkuilen van het interviewen van daders.

Besproken boeken

In genocidestudies, conflictstudies, militaire geschiedenis kun je je het niet veroorloven om daders en hun ideologie te negeren. Hoe laat je als historicus, antropoloog of politicoloog een getuige aan het woord die een versie van de geschiedenis propageert die onjuist is, revisionistisch en rancuneus? Een veroordeelde bovendien, die racistisch gedachtengoed propageert en slachtoffers bruuskeert? 

Praten met het kwaad

In Madam War Criminal. Biljana Plavšić, Serbia’s Iron Lady (2025) is de getuige Biljana Plavšić, na Radovan Karadžić de hoogst geplaatste Bosnisch-Servische politica die door het Joegoslaviëtribunaal is berecht. In 2001 werd ze aangeklaagd op twee punten van genocide, vijf van misdaden tegen de menselijkheid en één van overtreding van het oorlogsrecht, een aanklacht die tot een veroordeling van twintig tot vijfentwintig jaar had kunnen leiden. In ruil voor een schuldbekentenis verminderde het Tribunaal de aanklacht tot slechts één punt van misdaden tegen de menselijkheid. Van de elf jaar gevangenisstraf zat Plavšić tweederde uit in een Zweedse gevangenis. Interviews waarin ze vertelde dat ze slechts schuld had bekend om een hogere straf te vermijden, leidden tot een roep om de zaak tegen haar te heropenen, maar vergeefs. Tijdens haar gevangenschap schreef ze memoires en werd ze naar eigen zeggen opzettelijk slecht behandeld door ‘islamitische’ cipiers, die het op haar gemunt zouden hebben. Plavšić schreef ook memoires waarin ze haar onverzoenlijke visie nog eens bevestigde, mogelijk onder invloed van de memoires van Albert Speer, die, zo klaagt ze, tenminste nog in zijn eigen land gevangen zat en zo zijn moerstaal kon spreken, en bovendien zijn eigen moestuin had binnen de muren van de Spandaugevangenis. 

Tijdens de oorlog was Plavšić vice-presidente en lid van het opperbevel van Republika Srpska. In interviews uit die jaren liet zij optekenen dat zij etnische zuivering als onderdeel van reguliere oorlogvoering beschouwde (genocide daarentegen niet, hoewel ze blijft ontkennen dat er in Srebrenica genocide heeft plaatsgevonden); dergelijke opvattingen herhaalt zij in het hier besproken boek. Het is belangrijk te vermelden dat die etnische zuiveringen niet alleen gedwongen verplaatsingen van Bosniakken inhielden, maar ook massaexecuties en georganiseerd seksueel geweld. 

Plavšić is microbioloog, vanaf de jaren zestig bouwde zij een internationale carrière op. Ze schopte het voor de oorlog tot decaan van de faculteit natuurwetenschappen van de Universiteit van Sarajevo. Tijdens de oorlog als politica paste ze haar plantkundig discours ook toe op de menselijke soort. Serviërs, en vooral Serviërs in Bosnië, noemde zij genetisch superieur door de beproevingen die deze natie eeuwenlang heeft moeten doorstaan (haar visie). Bosniakken, of ‘Bosnische moslims’, zoals zij stelde, zijn juist genetisch inferieur materiaal: met de komst van de Ottomanen bekeerden zij zich uit zwakte tot de Islam, en sindsdien zijn zij alleen maar verder gedegenereerd. 

In Madam War Criminal laat Plavšić zich interviewen door Olivera Simić. Simić is expert voor transitional justice, verbonden aan Griffith University in Australië, en heeft onderzoek verricht naar seksueel geweld in de Bosnische oorlog. Ze is geboren en getogen in Banja Luka, inmiddels de hoofdstad van Republika Srpska, en een plek waar tijdens de Bosnische oorlog het Servische nationalisme inspireerde tot vervolging en moord van Kroaten en Bosniakken. Ze is een exponent van de belangrijke en getalenteerde ex-Joegoslavische academische diaspora: duizenden mensen die carrière hebben gemaakt aan de universiteiten van Europa, Canada, de VS en Australië. Haar professionele en privéleven speelt zich af tussen deze twee werelden, en soms zijn die moeilijk te scheiden; in haar boek vermeldt zij dat haar visie op de gebeurtenissen in Bosnië onverenigbaar is met, bijvoorbeeld, die van een deel van haar familie. Tegelijk kwam haar contact met Plavšić tot stand na bemiddeling van haar tante, die goed bevriend is met de ex-politica, en die haar overreedt: ‘Don’t be shy, she is a wonderful woman’ (29). Waarop Simić besluit de telefoon ter hand te nemen: ‘Despite the moral traps and dilemmas I could fall into, I thought that it would be irresponsible to not interview Plavšić just for my peace of mind’ (29). Na een aantal voorbereidende gesprekken volgen er een reeks lange interviews bij de inmiddels hoogbejaarde Plavšić thuis, in Belgrado. 

Verzwijgen, verdraaien, alternatieve feiten

Simić gaat zo in haar boek de uitdaging aan gesprekken te voeren met een veroordeelde oorlogsmisdadiger, die eerder al heeft laten blijken dat haar woord niet te vertrouwen is. Plavšić ontkent daarnaast opnieuw misdaden waar zij en haar trawanten schuldig aan zijn bevonden; daarmee miskent zij het leed dat slachtoffers is aangedaan. Hoe verantwoordt Simić dat zij een dergelijke getuige een podium geeft? Het boek lijkt geschreven voor een academische entourage (hoewel de sensationalistische titel een breder publiek wil aanspreken), dat geacht wordt een goed onderbouwde, genuanceerde visie van de oorlog te hebben, gebaseerd op gedegen wetenschappelijke en juridische reconstructie.  Simić lijkt dus te anticiperen op een impliciet pact met een lezer die op de hand is van de historische waarheid van de oorlog en de schuldvraag; een lezer die de rol accepteert van de auteur als onversaagde gids in de wereld van het extreme nationalisme, een universum van verzwijgen, verdraaien en alternatieve feiten.

De auteur zit knel tussen enerzijds Plavšić en anderzijds de groteske westerse verwachting dat haar boek het Balkankwaad genaamd Plavšić voorgoed ontmaskert voor wie ze is: een gravin Dracula.

Naast het internationale is er het lokale publiek. Daar is onder andere de wereld van de oorlogsslachtoffers van het Servische nationalisme, en er is ook het Servische ultranationalistische universum. De rechtszaken aan het Joegoslaviëtribunaal en aan lokale rechtbanken in Bosnië en Kroatië hebben tot een aanzienlijk aantal veroordelingen geleid. Desondanks is die rechtspraak er niet in geslaagd om in deze zogenaamde postconflict-samenlevingen de daders, en het achterliggende nationalistische establishment, te bewegen tot een volwaardige erkenning van het leed van de slachtoffers. Ter vergelijking: in Duitsland en Oostenrijk raakte na de Tweede Wereldoorlog het nazistische discours in diskrediet en het publieke debat kwam – met vallen en opstaan – tot een collectief gedeeld schuldbesef. In Servië, en tot op zekere hoogte in Kroatië, heeft na de oorlogen van de jaren negentig een dergelijke denazificatie nooit plaatsgevonden. Denacifikacija: precies die term wordt hiervoor gebruikt. In Bosnië, waar genocide-ontkenning juridisch strafbaar is gesteld, is in Bosnisch-Servische en Bosnisch-Kroatische kringen de ultranationalistische versie van de geschiedenis van de jaren negentig gemeengoed, en de wet op genocide-ontkenning wordt op zijn best halfslachtig nageleefd. Het overgrote deel van de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij Bosnisch-Servische en Bosnisch-Kroatische politici, academici en journalisten. Onlangs nog ging Duško Tadić, nota bene de eerste (Bosnisch-Servische) veroordeelde van het Joegoslaviëtribunaal, op boekpromotietoer in Republika Srpska, hij werd hooguit een ‘controversiële’ figuur genoemd in de media. Dat is een schaamlap, schreef politiek commentator Dragan Bursać: Tadić zou persona non grata moeten zijn. Overigens zou Plavšić, die in Servië woont, zou zij in Bosnië wonen, strafbaar zijn voor uitlatingen die zij in dit boek doet.

In deze context moet ook de verklaring van Plavšić worden gelezen tegenover Simić, dat zij zelf vindt dat zij niet heeft gelogen toen ze haar schuldbekentenis introk. Ze accepteert de legitimiteit van dat tribunaal immers niet. Daarin staat ze dus niet alleen, maar maakt zij deel uit van een systematische cultuur van genocide-ontkenning. Bovendien past liegen niet in haar zelfbeeld als trotse Servische, en in haar beeld van Serviërs als trotse natie die, zoals het gezegde gaat, liever een kilo zout eet dan dat het de eigen eer te grabbel gooit.

Sheherazade en de koning

Oorlogsmisdadigers blijken een onweerstaanbaar onderwerp voor journalisten en academici. Iemand die berucht is trekt aandacht, terwijl aandacht al te gemakkelijk verward kan worden met belang. Het schoolvoorbeeld is de portrettering van Radovan Karadžić in Jessica Sterns biografie My War Criminal (2020). Het bezittelijk voornaamwoord in de titel veronderstelt vertrouwdheid, toegang en psychologische diepgang, die de lezer verleidt tot een eigen persoonlijke verhouding tot de dader. Mogelijk, idealiter, kan zo’n benadering het begrip van de denkwereld van de dader vergroten, maar het risico is vooral dat de dader de slachtoffers overstemt. Dat risico is levensgroot in Madam War Criminal. Door Plavšić als ‘ijzeren dame’ te framen wordt zij als uniek voorgesteld en tegelijk genormaliseerd: zij is de enige vrouw onder de mannelijke daders, en tegelijk emblematisch als sterke nationalistische leidersfiguur. 

Genocide-onderzoekers minimaliseren het risico dat de stemmen van daders te luid klinken, door hun (onaanvaardbare, onjuiste) versies in te bedden in een historische context, en er systematisch op te wijzen dat deze versies onjuist en gevaarlijk zijn. Dat is zeer wezenlijk, want haatspraak speelt niet alleen een rol in de ontmenselijking die voorafgaat aan genocide, het is ook onderdeel van de ontkenning achteraf, die integraal deel uitmaakt van het genocideproject. Maar in Madam War Criminal is Plavšić de enige getuige, en Simić kiest ervoor haar chronologisch haar verhaal te laten doen; ze is daarmee de onbetwiste protagonist. Simić’s verantwoording van deze werkwijze gaat vooraf aan Plavšić’s relaas en besluit het boek. Tijdens het relaas worden de alternatieve waarheden van Plavšić slechts spaarzaam weerlegd. 

Dat opent een hele reeks vragen over de verleidingen van een goed verhaal en vooral over de wederzijdse afhankelijkheid van ondervrager en ondervraagde. Janet Malcolm schreef hierover het klassieke The Journalist and the Murderer (1990). Voor Malcolm stelt de geïnterviewde zijn hoop en vertrouwen in de journalist, dat die de persoonlijke waarheid van de geïnterviewde met het brede publiek zal delen. De geïnterviewde is Sheherazade, die haar verhaal voor de interviewer op elk moment boeiend moet zien te houden. Tegelijk is de interviewer, zolang de gesprekken duren, op zijn beurt afhankelijk van de geïnterviewde, die immers kan dreigen op elk moment de gesprekken te stoppen. Onvermijdelijk volgt met publicatie het verraad van dat vertrouwen, want niemands persoonlijke versie van de wereld komt volledig overeen met die van anderen, en het is aan de journalist of de onderzoeker om het persoonlijke verhaal aan externe feiten te toetsen. 

Er is een fundamentele paradox in de houding van Plavšić die Simić nalaat bloot te leggen, en die gaandeweg haar hele interviewproject ondergraaft. Dat maakt het lezen van dit boek tot een verwarrende en verontrustende ervaring. Want wat bedoelt Simić precies als ze schrijft dat ze voor haar ‘peace of mind’ dag na dag bij de oude dame moet gaan zitten? Plavšić is degene die Simić de rol van gesprekspartner gunt. De afhankelijkheid is nog steeds wederzijds, maar Plavšić is dominant en legt het volle gewicht van haar Servische wereld in de schaal – van haar academische status, haar leeftijd, de vertrouwensband met de tante van de auteur. Dus wie is er afhankelijk van wie? Malcolm hanteert een psychoanalytisch idioom: normaal komt de geïnterviewde, gezwicht voor de verleiding van het interview, in de rol van het kind terecht, tegenover de vaderfiguur van de interviewer. Plavšić speelt haar rol volgens het script van het Servische nationalisme: ze is de oermoeder, degene die tijdens de oorlog haar soldaten in de loopgraven persoonlijk sigaretten ging brengen, en die nu de onderzoekster de zogenaamd juiste versie van de feiten voorlegt. 

En Simić, de verloren dochter uit de diaspora, krijgt maar geen greep op haar eigen narratief. Ze zit knel tussen enerzijds Plavšić en anderzijds de groteske westerse verwachting dat haar boek het Balkankwaad genaamd Plavšić voorgoed ontmaskert voor wie ze is: een gravin Dracula. ‘A tale of violent terror and chilling unrepentence’ belooft de flaptekst. Simić staat als bevend riet in het midden. Letterlijk: wanneer Plavšić verwerpelijke uitspraken doet, beschrijft Simić keer op keer vooral haar eigen lichamelijke reactie: ‘an icy jolt ran through my body’ (166), ‘my stomach lurches […] I dug my fingernails into my palms’ (168). 

Intiem spektakel

Over haar eigen achtergrond is Simić redelijk summier. Ze suggereert dat haar visie op de oorlog in haar familie omstreden is. Dat werkt ze hier niet uit, maar is dat niet juist wezenlijk voor het duivelse pact waaraan ze zich heeft overgeleverd? De ontkenning van genocide, van oorlogsmisdaden, begint in haar eigen wereld, bij haar familie, haar buren in Banja Luka, die stad, waar zoals ze pas later in haar boek beschrijft, families zijn weggevoerd, klasgenoten gedwongen moesten vertrekken, medeburgers zijn vermoord. Tegelijk heeft zij gebruik gemaakt van dit netwerk om Plavšić te spreken te krijgen. Daarom is het belangrijk dat zij volledige openheid over dit netwerk geeft.

Het is een oude en hardnekkige troop in het Servische nationalisme: de buitenwereld is ver weg, daar waar alles anders is. Daar leven en eten en werken mensen anders, daar denken ze ook anders; daar begrijpen ze ‘ons’ niet.

Simić heeft eerder (in haar boek Surviving Peace, 2014) verklaard dat zowel haar vader als broer tijdens de oorlog in het leger van Republika Srpska hebben gediend, het leger dat verantwoordelijk is voor het merendeel van de in Bosnië gepleegde oorlogsmisdaden. Zij zelf studeerde tijdens de oorlog in Servië en maakte de oorlog niet direct mee. Dit zijn geen omstandigheden die haar academische onderzoek per se ondermijnen, maar die wel om openheid en contextualisering vragen, zeker wanneer een onderzoeksproject (en dat is haar boek over Plavšić) geïmpliceerd is in familiebanden en nationalistische netwerken. 

In haar vorige boek, Lola’s War. Rape Without Punishment (2023), schreef Simić over de individuele casus van een Bosnisch-Servische vrouw die het slachtoffer werd van seksueel geweld in een gevangenkamp dat onder verantwoordelijkheid stond van het leger van de Bosnische federatie. De titel van dat boek vermeldt dat de misdaad onbestraft bleef, terwijl in het boek zelf terecht wordt verteld dat een van de daders is vervolgd en tot zes jaar gevangenisstraf is veroordeeld. ‘Lola’ blijft anoniem (om begrijpelijke redenen) maar daardoor is het moeilijk om de bredere feitelijke en juridische context op waarde te schatten of in vergelijkend kader te plaatsen. En dat laatste is cruciaal als je naar het massale karakter kijkt van seksueel geweld gepleegd tegen Bosniak en Kroatische vrouwen op plekken als Foča, Višegrad, Zvornik en Prijedor. Hier was sprake van systematisch geweld; vrouwen werden niet alleen gevangen genomen, maar ook onderworpen aan seksueel geweld, waaronder gedwongen zwangerschap en moord. Nogmaals, dit systematische karakter is uitgebreid gedocumenteerd in getuigenissen, zowel in rechtsgang als in oral history. 

Twee boeken na elkaar, met een ogenschijnlijk naadloze overgang van een Servische overlevende van seksueel geweld naar een Servische die veroordeeld is voor oorlogsmisdaden. De vraag is wel wat het effect is als narratieven van respectievelijk slachtofferschap en daderschap vanuit één nationaal perspectief worden gepresenteerd, terwijl de grotere patronen van structureel, door autoriteiten ondersteund of gedoogd geweld onvoldoende aandacht krijgen. Het cumulatieve effect van deze twee boeken is geen ontkenning van het geweld, maar wel een subtiele herframing. En juist die subtiele herframing speelt in de kaart van alternatieve en uiteindelijk revisionistische versies van de oorlog. Dit wordt nog versterkt door het potentieel sensationele karakter van een boek – een provocatieve titel, de verleiding van een intiem portret, of de suggestie dat zowel vrouwelijke daders als slachtoffers een uitzonderingspositie hebben. De controverse is dan al gauw sterker dan de zo noodzakelijke grondige historische analyse. Het resultaat is spektakel op intieme schaal.

Het Servische nationalisme ruikt zijn kans op een grandioze historische comeback, met de onwaarschijnlijke slogan dat hun militaire en spirituele legioenen al in de jaren negentig het avondland voor de ondergang wilden behoeden.

Zo kan Plavšić in Madam War Criminal redelijk straffeloos haar verhaal doen. Aan haar thuispubliek en aan de boze buitenwereld. Het is een oude en hardnekkige troop in het Servische nationalisme: de buitenwereld is ver weg, daar waar alles anders is. Daar leven en eten en werken mensen anders, daar denken ze ook anders; daar begrijpen ze ‘ons’ niet. Het heeft daarom geen zin om met die buitenwereld te praten, jezelf te verklaren, men zal ons toch nooit begrijpen (ons leed, het offer dat wij voor hen, voor Europa, voor de christenheid brengen). In de jaren negentig was het als Servische nationalist inderdaad een eenzame bedoening op het internationale toneel. Men vond hooguit gehoor bij een enkele verwarde Westerse nostalgische marxist, zoals de Milošević-apologeet Michael Parenti (omarmd door links in de VS), of bij Noam Chomsky, altijd goed voor een historische uitglijer. Of bij moorddadige extreemrechtse warhoofden als Anders Breivik, die in zijn pamflet opmerkelijk veel aandacht heeft voor wat hij ziet als het noodzakelijke Servische verzet tegen de Islam. Nu is dat anders, nu is de Bosnisch-Servische leider en ultranationalist Dodik vaste gast van Viktor Orbán, en de Servische president Vučić heeft het oor van Poetin, en voor onze ogen is de revisionistische versie van de Bosnische oorlog bij illiberaal Europa gemeengoed aan het worden. Kortom: het Servische nationalisme ruikt zijn kans op een grandioze historische comeback, met de onwaarschijnlijke slogan dat hun militaire en spirituele legioenen al in de jaren negentig het avondland voor de ondergang wilden behoeden.

Hoe te schrijven over oorlogsmisdadigers?

Om terug te komen op de beginvraag: hoe laat je daders dan wél aan het woord? Grondige studie van gedrag en uitlatingen van daders is noodzakelijk, om sleutelkwesties te onderzoeken die raken aan verantwoordelijkheid en medeplichtigheid. Maar evenwicht is hier cruciaal, evenwicht tussen context, schaal en juridisch geverifieerde feiten. Zonder dit loopt wetenschappelijk onderzoek het risico genocidaal geweld te normaliseren en te relativeren. Simić erkent in haar verantwoording dat haar boek Plavšić vermenselijkt maar verdedigt zich met het argument dat vermenselijking noodzakelijk is om ons begrip van de daders te vergroten. In perpetrator studies betekent het vermenselijken van daders inderdaad het vermijden dat ze monstelijke clichés worden; het betekent ook verantwoordelijkheid aantonen en uitdiepen, cognitieve dissonantie en hypocrisie blootleggen. Daarin schiet het boek van Simić ernstig tekort. 

Valt er iets te leren uit dit boek, dat wetenschappelijk gezien teleurstellend is, en retorisch en stilistisch ronduit is mislukt? Hoe vergroot je, bijvoorbeeld, het begrip van daderschap?

Valt er iets te leren uit dit boek, dat wetenschappelijk gezien teleurstellend is, en retorisch en stilistisch ronduit is mislukt? Hoe vergroot je, bijvoorbeeld, het begrip van daderschap? Hoe vermijd je daarbij de retraumatisering van slachtoffers? De allereerste taak van de onderzoeker, in gesprek met een revisionist, is het eigen narratief bepalen. Daartoe moet je je bewust tonen van de retorische strategie van je gespreksgenoot: wat waren de verleidingen, waar lag de ruimte voor tegenspraak? Je kunt die strategie blootleggen en onschadelijk maken door in te gaan op de tropen en de gemeenplaatsen, de vaste knopen in het houtje-touwtje historische en persoonlijke relaas van de revisionist. Om een aantal daarvan te noemen (en die komen alle langs in het betoog van Plavšić): de (vermeende) morele zuiverheid van de Servische ziel, de Servische kerk als (vermeend) baken van licht en de patriarch als biechtvader en hoeder van die ziel; het (vermeend) martelaarschap van het Servische volk voor christelijk Europa; historische volksverhuizingen in analogie aan de ballingschap van het Joodse volk. Eén voorbeeld van hoe Plavšić middels zo’n troop op het gemoed werkt. Ze stelt haar eigen vertrek uit Sarajevo voor als ballingschap; eerst werd zij (zogenaamd) met haar bejaarde moeder uit Sarajevo verdreven (terwijl het haar trawanten waren die het vuur op burgers openden, en vervolgens een langjarig en dodelijk beleg om de stad hielden), vervolgens moest zij na de oorlog in het (moreel gedegeneerde) Zweden haar gevangenisstraf uitzitten (terwijl zij vervroegd wordt vrijgelaten). Dit zijn meer dan clichés, het is het talige equivalent van structureel geweld. De jarenlange, straffeloze herhaling hiervan verklaart onder andere waarom het extreemrechtse, ultranationalistische idioom en gedachtengoed in de Republika Srpska kan voortbestaan en in Servië de norm is.

Wetenschappers die naar buiten treden en de wetenschap in diskrediet brengen dragen extra verantwoordelijkheid, want zij misbruiken hun maatschappelijk gezag.

Cruciaal is de strategie van whatsaboutism. ‘wij hebben misschien misdaden gepleegd, maar zij ook’, of: ‘wij konden niet anders, wij moesten ons verdedigen.’ Ja, er zijn ook misdaden tegen Bosnisch-Servische burgers gepleegd, maar de feiten zijn vastgesteld en het overgrote deel van de slachtoffers zijn Bosniakken; belangrijker nog, het geweld tegen Bosniakken was gepland, georganiseerd en georkestreerd geweld, en Plavšić heeft daaraan als actieve politica bijgedragen, maar ook met haar racistisch-biologische gedachtengoed, en door haar volle gewicht als gerespecteerd wetenschapper en voormalig decaan in te zetten. De strategie van whatsaboutism geeft het westen bovendien de kans om het gerieflijke narratief van no good guys, no bad guys te versterken, en zo de eigen verantwoordelijkheid voor de Bosnische oorlog te vermijden. 

Daarnaast moet de onderzoeker epistemische kritiek uitoefenen, dus: het denksysteem, de ideologie achter het relaas van Plavšić blootleggen. De tropen zijn daarin opnieuw de aanknopingspunten. Dit is van levensbelang in het geval van een biologe die oorlogsmisdadigster werd. Wetenschap moet (per eigen vakgebied) waarheid nastreven. Wetenschappers die naar buiten treden en de wetenschap in diskrediet brengen dragen extra verantwoordelijkheid, want zij misbruiken hun maatschappelijk gezag. Wanneer Plavšić een biologisch discours in haar racistische en islamofobe uitspraken hanteert, en Simić dit citeert, pareert zij het wel (bijvoorbeeld op p. 85), maar zij laat na de racistisch-biologische logica te benoemen, het systemische karakter. En dat is belangrijk, want die gaat decennia terug en verbindt nationalisme onder Servische wetenschappers met Europees neodarwinisme van het einde van de negentiende eeuw. En dat is misschien het meest zorgwekkende aan een publicatie als deze. Dat academisch onderzoek, of het nu onzorgvuldigheid of onwetendheid is, nalaat zich helder te positioneren en scherp door te vragen, en zo ruimte geeft aan datgene wat het voorgeeft te bestrijden.