Advertentie
Banner DBNG 2026 #2

Lessen voor een vorst

François Fénelon was privéleraar van een Franse troonopvolger. Maar met De avonturen van Telemachus waagde hij het een kritiek op het koningschap te schrijven die Lodewijk XIV bepaald niet beviel. Homerus-specialist Irene de Jong laat zien hoe Fénelon daarbij voortbouwde op de Odyssee. Fénelons onlangs vertaalde klassieker blijkt een vorstenspiegel, bildungsroman en sequel in één.

Besproken boeken

Iedereen kent het werk van Fénelon van naam, maar weinigen, waaronder ondergetekende, zullen het ook gelezen hebben. De recent verschenen vertaling van de hand van Jan Pieter van der Sterre en Reintje Ghoos biedt de mogelijkheid dat nu eindelijk eens te doen, en de prettig leesbare tekst maakt het tot een aangename ervaring.

Als ik als Homerus-specialist naar deze tekst kijk, zou ik drie aspecten ervan kort willen belichten: De avonturen van Telemachus als vorstenspiegel, als bildungsroman en als sequel, een literair werk dat zich presenteert als vervolg op een eerder werk.

Door zijn avonturen, gesprekken met andere vorsten, en vooral de ‘coaching’ door Minerva in de gedaante van Mentor doet Telemachus de nodige kennis op die hem tot een geschikte opvolger van zijn vader maakt.

Dat Fénelons werk een vorstenspiegel is, een boek waarin beschreven wordt hoe een goede prins of koning dient te regeren, behoeft geen nader betoog. Dit is volstrekt duidelijk en ook door Maarten Asscher in zijn zeer lezenswaardige inleiding op de vertaling al uitvoerig besproken. Het boek werd geschreven door Fénelon in zijn hoedanigheid van privéleraar van de kleinzoon van Lodewijk XIV, de dauphin of beoogd troonopvolger. Aanknopend bij de reizen die Homerus Odysseus’ zoon Telemachus laat maken op zoek naar nieuws over zijn vader, laat Fénelon de Griekse jongeling nog veel langer en verder reizen. Door zijn avonturen, gesprekken met andere vorsten en vooral de ‘coaching’ door Minerva in de gedaante van Mentor doet hij dan de nodige kennis op die hem tot een geschikte opvolger van zijn vader maakt.

Het is bekend dat Lodewijk XIV weinig gecharmeerd was van de spiegel die Fénelon zijn pupil voorhield, en als we een passage als de volgende lezen begrijpen we wel waarom:

Maar als ik een koning die alleen oorlog kent, vergelijk met een verstandige koning die zonder de oorlog te kennen de strijd eventueel kan volhouden dankzij zijn generaals, geef ik aan die laatste de voorkeur. Een koning die zich volledig op de oorlog heeft gestort, zou daar altijd mee bezig willen zijn en zijn volk in de afgrond storten ter wille van zijn heerschappij en zijn persoonlijke glorie. Als de onderdanen van een koning ongelukkig zijn onder zijn bewind, wat heeft het dan voor zin als die koning andere landen gaat veroveren?

Als er één koning was die veel oorlog voerde en daardoor zijn land op de rand van bankroet bracht was het wel de Zonnekoning…

Vorstenspiegel

Heeft Fénelon het idee van een vorstenspiegel aan Homerus ontleend? Hoewel de term ‘vorstenspiegel’ voor het eerst gebezigd werd in het Latijn, speculum regum, is hij niet antiek. Maar er bestonden in de Oudheid wel degelijk al instructieteksten voor jonge regeerders. Een voorbeeld is Seneca’s De clementia, geschreven voor de jonge Nero.

Ook bij Fénelon speelt roem een rol, maar in zijn tekst is het de roem verkregen op grond van zelfbeheersing en goedheid, niet van bloedige wraak zoals bij Homerus.

En met een beetje goede wil kunnen we in Homerus’ Odyssee al een soort vorstenspiegel avant la lettre ontdekken: Athene vertelt Telemachus het verhaal van de jonge Orestes, die Aegisthus, de minnaar van zijn moeder, doodt omdat deze zijn vader Agamemnon gedood had (Odyssee 1.298-302). De jonge Telemachus is zeer onzeker: zijn vader is al twintig jaar weg van huis en meer dan honderd vrijers maken zijn moeder Penelope het hof en verteren daarbij zijn erfenis, de kuddes waarop de positie als vorst van zijn vader, en dus ook van hem als beoogd opvolger, gebaseerd is. Hij moet dit alles met lede ogen aanzien en is tot een zekere lethargie vervallen. Om hieraan een eind te maken houdt Athene hem de spiegel voor van Orestes. Yes, we can!, zegt ze, en met het doden van de vrijers zal Telemachus grote roem behalen. Roem (Grieks: kleos) is een van de belangrijkste drijfveren van helden in het homerische epos. Ook bij Fénelon speelt roem een rol, maar in zijn tekst is het de roem verkregen op grond van zelfbeheersing en goedheid, niet van bloedige wraak zoals bij Homerus. Het idee van de vorstenspiegel is dus in rudimentaire vorm al in de Odyssee zelf aanwezig.

Bildungsroman

Maar wat nog veel meer appelleerde aan Fénelons bedoelingen is het idee van de Odyssee als bildungsroman, een literair werk waarin de geestelijke en emotionele ontwikkeling van een jong mens verhaald wordt. Hoewel ook het genre van de bildungsroman niet antiek is (en de term zelf werd pas in 1820 gemunt door Karl Morgenstern), zijn er ook in de Oudheid primitieve vormen te vinden.

Een daarvan is het verhaal van Telemachus in Homerus’ Odyssee. Zoals al gezegd, is de Telemachus die we aan het begin van de Odyssee zien een onzekere jongen. Zijn vader ging weg toen hij net geboren was en is nu al twintig jaar afwezig. Hij twijfelt of Odysseus nog wel in leven is en zelfs of hij wel echt zijn vader is: ‘Mijn moeder zegt dat ik zijn zoon ben, maar ik weet het niet zeker. Want niemand kent zijn eigen oorsprong.’ (Odyssee 1.215-16, vert. Irene de Jong)

Athene had Telemachus ook gewoon kunnen vertellen dat zijn vader nog leeft en zich op het eiland van Calypso bevond. Maar ze wil dat hij door te reizen en door alle daarbij behorende ervaringen volwassener en zekerder wordt.

Zijn relatie met zijn moeder is gespannen. Zij wordt het hof gemaakt door meer dan honderd jonge mannen uit Ithaca en omstreken, die het niet alleen op haar als vrouw voorzien hebben, maar ook op het koningschap. Penelope houdt de vrijers op allerlei manieren aan het lijntje, zoals de bekende truc van het weven en weer uithalen van een lijkkleed voor haar schoonvader. Maar zij deelt haar plannen niet met Telemachus, die daardoor moeite heeft haar vertragingsstrategieën te doorzien: ‘Zij zegt geen “nee” tegen een ellendig hertrouwen, maar kan ook aan de situatie geen eind maken. En de vrijers verteren mijn have en goed.’ (Odyssee 1.249-51)

Het gevolg van dit alles is onzekerheid en passiviteit, en om hieraan een einde te maken bezoekt Athene Telemachus, houdt ze hem het voorbeeld van Orestes voor, en stuurt ze hem op reis. Hij moet naar Nestor in Pylos en Menelaus in Sparta gaan, oude strijdmakkers van Odysseus uit de Trojaanse oorlog, in de hoop dat zij hem meer kunnen vertellen over zijn vader. Als zijn vader nog leeft, moet hij nog wat langer volhouden totdat hij terugkeert. Als hij dood is, moet hij zelf de vrijers aanpakken. De clou hiervan – en nu komt de bildung in zicht – is dat Athene natuurlijk Telemachus ook gewoon had kunnen vertellen dat zijn vader nog leeft en zich op het eiland van Calypso bevond. Maar ze wil dat hij door te reizen en door alle daarbij behorende ervaringen volwassener en zekerder wordt.

Athene begeleidt Telemachus zelf gedurende het eerste deel van zijn trip, en zoals altijd in het homerische epos neemt zij daarbij een menselijke gedaante aan. Zij kiest voor de persoon van Mentor, een oude vertrouwde vriend van Odysseus, aan wie hij bij zijn vertrek zijn familie toevertrouwd had (Odyssee 3.225-7). Athene/Mentor coacht de jonge man, en het is deze rol die tot ons moderne begrip ‘mentor’ geleid heeft.

Een kenmerkende episode is te vinden aan het begin van boek 3, als Telemachus is aangekomen in Pylos en daar op het strand de oude Nestor bezig ziet een offer te brengen. Athene/Mentor zegt dat hij op de koning af moet stappen en hem moet vragen of hij iets over het lot van zijn vader kan zeggen. Telemachus reageert aarzelend: ‘Mentor, hoe moet ik op hem afstappen, hoe moet ik hem aanspreken? Want ik ben nog niet ervaren in een gesprek op niveau en ik voel schroom om als jongere een oudere man vragen te stellen.’ (Odyssee 3.22-4)

Athene/Mentor spoort hem aan met woorden die voor ons als lezers – op de hoogte van haar ware identiteit – dubbelzinnig zijn: ‘Telemachus, sommige dingen moet je zelf bedenken, andere zal een god je influisteren. Want ik denk niet dat je tegen de wil van de goden geboren bent en opgroeit.’ (Odyssee 3.26-8) En inderdaad zal Telemachus er goed van afkomen bij zijn ‘maidenspeech’ tegen Nestor.

Als hij later doorreist naar Menelaus gebeurt er nog iets belangrijks. Menelaus’ vrouw Helena merkt op dat Telemachus’ uiterlijk heel erg op dat van Odysseus lijkt. Hiermee is zijn twijfel of Odysseus wel echt zijn vader is in één klap verdwenen. Fénelon heeft zich dit moment goed in de oren geknoopt en heeft ermee gespeeld doordat bij hem Calypso opmerkt hoezeer Telemachus op Odysseus lijkt en zelfs verliefd wordt op de zoon.

Telemachus’ reis naar Pylos en Sparta is bij Homerus dus een soort mini-odyssee, zij het lang niet zo exotisch als de reizen van zijn vader. Die komt ook in oorden terecht die niet meer op de kaart staan en die bevolkt worden door kannibalen en monsters. Maar toch bevat Telemachus’ reis voldoende leermomenten om ervoor te zorgen dat hij na terugkeer zijn vader terzijde kan staan in de strijd tegen de vrijers.

Fénelon heeft dit idee van Telemachus’ reizen als vorm van bildung opgepakt en er een heleboel nieuwe bestemmingen en ontmoetingen met goede en slechte koningen aan toegevoegd, inclusief een afdaling in de onderwereld. Hij volgt hierbij Homerus niet alleen inhoudelijk, maar ook formeel: in de eerste vijf boeken is het Telemachus zelf die zijn avonturen tot dan toe vertelt aan Calypso. Dit doet denken aan Odysseus die in de Odyssee vier boeken lang zijn avonturen vertelt aan de koning en koningin van de Phaeaken.

Bij Fénelon staat Minerva/Mentor Telemachus van de eerste tot de laatste bladzij bij. Mij bekroop het gevoel dat we deze Mentor als alter ego van Fénelon zelf moeten zien, zijn evenbeeld in de tekst. Ook dat is een homerische techniek.

Fénelon heeft van Homerus ook de figuur van Athene/Mentor overgenomen, in zijn versie Minerva/Mentor. Bij Homerus verlaat Athene/Mentor Telemachus al snel weer en vindt de jongeling in de figuur van Pisistratus, een zoon van Nestor, een nieuwe reisgenoot. Bij Fénelon staat Minerva/Mentor Telemachus van de eerste tot de laatste bladzij bij. Mij bekroop het gevoel dat we deze Mentor als alter ego van Fénelon zelf moeten zien, zijn evenbeeld in de tekst. Ook dat is een homerische techniek: Homerus schept in de zangers Phemius en Demodocus geïdealiseerde evenbeelden van zichzelf.

Het idee van bildung is dus ook aanwijsbaar in de Odyssee, maar de inhoud van die bildung verschilt wel enorm. Het heldenideaal bij Homerus is om een ‘spreker van woorden en verrichter van daden’ te zijn (Ilias 9.443). Hierbij spelen moraliteit of verlichte heersersidealen maar een zeer beperkte rol. Er is wel het ideaal van de rechtvaardige vorst onder wiens bestuur mens, dier en gewassen gedijen (Odyssee 19.109-14), maar de werkelijkheid is anders. Odysseus is meester van de leugen en deinst er niet voor terug om de vrijers – toch zijn onderdanen – allemaal af te slachten, een tamelijk primitieve vorm van wraak die al in de Oudheid vragen opriep. Bij Fénelon is de bildung primair moreel: een goed vorst moet mild omgaan met zijn onderdanen en leugens vermijden. ‘Een leugen is een leugen, en daardoor beneden de waardigheid van iemand wiens woorden worden gehoord door de goden en die alles te danken heeft aan de waarheid’, zegt Telemachus.

In moreel opzicht bood de Odyssee Fénelon dus weinig aanknopingspunten, maar toch koos hij ervoor om zijn eigen tekst te verbinden met Homerus. Maarten Asscher suggereert in zijn inleiding dat de Odyssee hem meer literaire vrijheden verschaft dan als hij het meest voor de hand liggende model, de Bijbel, gekozen had. Dit is correct en het punt kan nog wat verder uitgewerkt. De avonturen van Telemachus is een voorbeeld van wat een ‘sequel’ genoemd wordt, en zelfs letterlijk: op de titelpagina van de eerste uitgave stond ‘suite du quatrième livre de l’Odyssée d’Homère’.

Sequel

Ook deze techniek van de sequel is antiek. De mythologische verhalen uit de Oudheid stonden, zoals Aristoteles al opmerkt in zijn Poetica, in hun kern vast, maar schrijvers mochten er verder behoorlijk vrij mee omspringen. Ze konden details veranderen, nieuwe figuren toevoegen, of stukken aanbreien. Onder dat laatste vallen de zogenaamde prequel- en sequeltechniek. Zo waren er gedichten waarin Telemachus met Circe trouwt (de Telegonie van Eugammon van Cyrene), of met Nausicaa (Dagboek van de Trojaanse Oorlog van Dictys Cretensis).

En Quintus van Smyrna schreef in de tweede eeuw A.D. de zogenaamde Posthomerica, die direct aansluit bij de Ilias. Dat gedicht eindigt met de begrafenis van Hector, en de eerste regel van de Posthomerica luidt: ‘Toen de goddelijke Hector door Achilles gedood was, en zijn lichaam gecremeerd, toen…’ Op dezelfde manier laat Fénelon zijn verhaal direct aansluiten bij een punt in de Odyssee. Daar lezen we: ‘Op de vijfde dag voorzag Calypso Odysseus van kleren en proviand en zond een gunstige wind. (…) Blij met de gunstige wind spreidde Odysseus zijn zeilen en zat aan het roer.’ (5.263-9) En Fénelon begint zijn werk met de zin: ‘Calypso kon geen troost vinden na het vertrek van Odysseus.’

In de Odyssee volgen we gedurende de boeken 5 tot 15 Odysseus die via de Phaeaken eindelijk naar Ithaca terugkeert en daar in boek 16 met zijn zoon Telemachus, inmiddels teruggekeerd van zijn eigen reis, herenigd wordt. Bij Fénelon volgen we gedurende 18 boeken de door hemzelf verzonnen avonturen van Telemachus totdat deze aan het eind van het werk in één zin op Ithaca terugkeert en met zijn vader herenigd wordt.

Vlak voor het eind onthult Minerva haar ware goddelijke gedaante aan Telemachus, net zoals homerische goden altijd op enig moment hun identiteit onthullen of door hun menselijke tegenspelers herkend worden. Fénelon neemt het moment van onthulling te baat om nog één keer de centrale boodschap van zijn boek te laten weerklinken:

Zoon van Odysseus, dit is de laatste keer dat je naar me luistert. Geen enkele sterveling heb ik zo grondig van goede raad voorzien als jou. Ik heb je bij de hand genomen en de weg gewezen tijdens schipbreuken, bloedige oorlogen, reizen door onbekende landen en alle beproevingen die een mens kan ondergaan. Ik heb je aan de hand van subtiele ervaringen duidelijk gemaakt wat de goede en de slechte regels zijn voor iemand die regeert. Je fouten zijn niet minder nuttig voor je geweest dan je tegenslagen, want welk mens kan verstandig regeren als hij nooit heeft geleden en nooit geprofiteerd van de rampzalige gevolgen van zijn fouten?

Minerva als deus ex machina: het kan niet klassieker.

Dit is een licht bewerkte versie van een voordracht gehouden op 4 september 2025 in Spui25.

Literatuur

  • J. Manuel Schulte, Speculum regis. Studien zur Fürstenspiegel-Literatur in der griechisch-römischen Antike. Münster-Hamburg-London 2001.
  • Irene J.F. de Jong, ‘The Birth of the Princes’ Mirror in the Homeric Epics’, in, Jacqueline Klooster, Baukje van den Berg (eds.), Homer and the Good Ruler in Antiquity and Beyond, Leiden 2018, p. 20-37.
  • Franco Moretti, The Way of the World: The Bildungsroman in European Culture, London-New York 2000.– Robert Simms (ed.), Brill’s Companion to prequels, sequels, and retellings of clasical epic, Leiden 2018, met hierin ook een hoofdstuk over De avonturen van Telemachus.