De legitimiteit van de verzorgingsstaat. Een interview met Femke Roosma
Femke Roosma bekleedt de Joop den Uyl-leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam en doet momenteel onderzoek naar de transformatie en de legitimiteit van de Nederlandse verzorgingsstaat. Gedurende het tweede semester van het academisch jaar 2025-2026 verblijft ze als research fellow aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS) in Amsterdam.
[Merlijn Olnon] Waar kom je vandaan? Kun je iets vertellen over je achtergrond?
[Femke Roosma] Ik kom uit een sociaaldemocratische steenhouwersfamilie uit Buitenpost (noordoost Friesland). Zowel mijn vader als mijn opa, beide opeenvolgend eigenaar van de steenhouwerij (een meer dan honderd jaar oud familiebedrijf), zaten naast hun werk in de gemeenteraad voor de Partij van de Arbeid, maar waren ook jaren bestuurder in de woningbouwvereniging en verschillende andere maatschappelijke organisaties. Ook mijn moeder deed daar – naast haar fulltimebaan en het huishouden – aan mee. Ik ben dus opgegroeid met het idee dat het belangrijk is om je in te zetten voor de samenleving, voor de ‘mienskip’ (gemeenschap). Sociaaldemocratie kreeg ik met de zogenaamde paplepel ingegoten, en die beleving van ‘politiek’ reikte verder dan het daadwerkelijke politieke handwerk, of campagnevoeren voor een partij (wat we ook deden overigens). Het was een brede set idealen die je de opdracht gaf om je in te zetten voor voorzieningen voor iedereen, voor dat mensen het beter krijgen, dat de gemeenschap als collectief vooruitgaat.
Die opvoeding heeft sterk bepaald welk pad ik daarna gelopen heb. Ik ging politicologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Ik wilde begrijpen hoe macht werkt; wie bepaalt er wie wat krijgt en waarom. Eenmaal begonnen aan die studie vond ik dat ik politiek kleur moest bekennen; ik werd lid van GroenLinks. Ik koos voor een partij die in mijn beleving de macht uitdaagde, in plaats van de macht bekleedde. Een partij die de bakens verzet met ideeën. Een ideeënpartij, op zoek naar macht, in plaats van een machtspartij op zoek naar ideeën – zoals Femke Halsema het ooit mooi formuleerde.
[MO] Hoe ben je hier bij het NIAS aanbeland?
[FR] In mijn studie politicologie voelde ik me gelijk aangetrokken tot het onderzoeken van de verzorgingsstaat en zijn instituties – de instituties die bepalen wie wat krijgt, hoe er wordt herverdeeld en hoe sociale rechten worden gewaarborgd. Mijn bachelorscriptie schreef ik al over ‘sociale uitsluiting door conservatieve verzorgingsstaten’. In mijn masterscriptie keek ik naar hoe sociaaldemocratische verzorgingsstaten internationale solidariteit versterken als spillover-effect van het versterken van nationale solidariteit door universele instituties. Ook in mijn studie filosofie, die ik naast politicologie volgde, hield ik me bezig met politieke en sociale rechtvaardigheid. Het thema heeft me nooit meer losgelaten.
Na mijn studie vond ik een PhD-positie bij Sociologie aan Tilburg University. Daar verschoof mijn focus van de instituties van de verzorgingsstaat naar de samenleving en hield ik me bezig met de vraag naar de legitimiteit van de verzorgingsstaat. Hoe denken verschillende groepen mensen over sociaal beleid en wat verklaart toenemende of afnemende steun voor verzorgingsstaten?
Toen ik begon met mijn PhD in Tilburg, werd ik ook actief in de Amsterdamse gemeentepolitiek. Ik had tijdens mijn studie het politiek actief zijn lang afgehouden, wat iets anders is dan kleur bekennen. Ik vond de daadwerkelijke overstap van de sociaaldemocratie waarin ik was opgegroeid, naar het meer activistische GroenLinks nog groot. Maar uiteindelijk kwam ik – via de studentenraad van de UvA – in contact met actieve leden die me binnenhaalden in de afdeling. Bij de verkiezingen van 2010 kwam ik op de lijst voor GroenLinks Amsterdam op een opvolgplek, plek 11. Ook toen wilde ik de stap nog niet definitief maken. Maar ik werd wel duo-raadslid (ook wel commissielid) en mocht het woord voeren in de commissies over de onderwerpen zorg, maatschappelijke opvang en armoedebeleid (2010-2014). In de jaren daarna werd ik eerst raadslid en vicefractievoorzitter (2014-2018) en later fractievoorzitter (2018-2022) voor GroenLinks.
Dat deed ik al die jaren naast mijn academische werk in Tilburg, waar ik me ondertussen verder verdiepte in de verzorgingsstaat; sociaal beleid; de deservingness van uitkeringsgerechtigden; en sociaalbeleidsalternatieven, zoals het basisinkomen.
Nadat ik in 2022 stopte met de politiek – onder meer omdat het raadswerk naast een andere baan een behoorlijke wissel trekt op je werk-privébalans, maar ook omdat het na twaalf jaar wel goed was – kwam er een nieuwe kans op mijn pad.
We gaan nu voor het eerst vragen hoe mensen investeringen in/bezuinigingen op defensie afwegen tegen investeringen in/bezuinigingen op sociaal beleid. Die vraag is helaas pijnlijk actueel.
Aan de Universiteit van Amsterdam kwam de Dr. J.M. Den Uyl-leerstoel vacant (één dag per week). De bijzondere leerstoel is ingesteld door de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, en de leeropdracht focust zich op de ontwikkeling van het democratisch socialisme in relatie tot de wetenschap en de samenleving. De specifieke – hernieuwde focus – richt zich op de verzorgingsstaat en sociaal beleid en hoe deze voor betere bestaanszekerheid en meer sociale binding in de samenleving kunnen zorgen. De leerstoel is ingebed bij de afdeling waar ik ooit begon met studeren; politicologie. In deze leerstoel kwam voor mij zo alles samen. Terug naar mijn persoonlijke en academische wortels, voortbordurend op mijn politieke en wetenschappelijke kennis, terwijl het me een kans biedt om mijn wetenschappelijke werk maatschappelijk relevant te maken. In juli 2023 ben ik benoemd en in 2024 hield ik mijn oratie, getiteld ‘“Onbehagen omsmeden tot vernieuwingskracht” Naar een democratische verzorgingsstaat’, beginnend met een citaat van Joop den Uyl.
[MO] Wat houd je dezer dagen zoal bezig?
[FR] In de wetenschap onderzoek ik nog altijd de legitimiteit van de verzorgingsstaat in brede zin, met een specifieke focus op deservingness en vertrouwen. Op dit moment ben ik als hoofdonderzoeker bijvoorbeeld bezig met een module met een set vragen over ‘welfare attitudes’ in de European Social Survey; die enquête zal worden uitgezet onder een representatieve doorsnede van de bevolking in dertig Europese landen. Het is deels een herhaling van een enquête uit 2008 (waarvan ik voor mijn proefschrift veel gebruik maakte) en 2016, maar we hebben ook nieuwe vragen kunnen toevoegen. We gaan nu voor het eerst vragen hoe mensen investeringen in/bezuinigingen op defensie afwegen tegen investeringen in/bezuinigingen op sociaal beleid. Die vraag is helaas pijnlijk actueel. En daarnaast kunnen we Europeanen voor het eerst vragen naar hun steun voor principes van deservingness; in hoeverre vinden mensen het gerechtvaardigd dat mensen sociale uitkeringen of voorzieningen ontvangen als zij het bijvoorbeeld financieel niet echt nodig hebben, of als ze niet iets terug doen voor de samenleving? Ik ben vooral nieuwsgierig of mensen in bepaalde landen meer of minder geneigd zijn dit soort principes te steunen. En of het zo is dat in landen waar dit soort principes minder belangrijk wordt gevonden er ook meer onderling, institutioneel en politiek vertrouwen is.
Tegelijkertijd heb ik de afgelopen jaren ook steeds meer kwalitatief onderzoek kunnen doen. In opdracht van het Kenniscentrum Ongelijkheid in Amsterdam, onderzoek ik met het consortium ‘Werk en Inkomen’ hoe vertrouwen in de lokale verzorgingsstaat hersteld kan worden. We observeren hoe schuldhulpverleners en klantmanagers in hun dagelijks werk met Amsterdammers proberen vertrouwen te herstellen. Dat vertrouwen heeft een enorme knauw opgelopen, doordat beleid de afgelopen decennia steeds strenger en conditioneler is geworden. Door de complexiteit van het stelsel zijn mensen enorm bang om terug te moeten betalen of verder in de problemen te komen. Het toeslagenschandaal zit – ook bij mensen die er geen slachtoffer van zijn – diep in de vezels. Veel sociale professionals, mede aangestuurd door lokaal sociaal beleid, doen hun best wat van dat vertrouwen terug te winnen, en dat lukt ook deels. Maar het systeem zelf verandert nog weinig, en daar kunnen die sociaal professionals ook weinig aan doen. Ook in ander onderzoek zie ik hoe de manier waarop onze verzorgingsstaat mensen gevangenhoudt in complexe regels, mensen (bestaans)onzeker maakt. Mensen willen graag de stap naar werk zetten, maar ze durven het niet omdat zo’n stap met onduidelijkheid en veel negatieve prikkels omgeven is.
Verder ben ik – zoals ik vanuit huis meekreeg – actief in maatschappelijke organisaties. Ik ben voorzitter van het bestuur van de Straatalliantie, een organisatie die zich bezighoudt met onafhankelijke clientondersteuning van dak- en thuisloze mensen en hun collectieve belangenbehartiging. Daarnaast ben ik ook bestuurslid bij de Waterheuvel; een clubhuis voor mensen met een psychiatrische kwetsbaarheid.
Mijn politieke activiteiten staan nu op een laag pitje, maar als burger wil ik me wel blijven uitspreken. Ik ga naar demonstraties omdat ik het belangrijk vind stelling te nemen tegen de steeds gruwelijkere en meer angstaanjagende situatie in de wereld. Met name de genocide in Gaza en de rest van Palestina houdt me erg bezig.
Daarnaast probeer ik mijn twee jonge kinderen de waarden mee te geven die ik vanuit huis heb meegekregen. Ze gaan mee naar demonstraties, en we praten over waarom dat belangrijk is. En ze groeien op in het diverse Amsterdam: ze krijgen zoveel meer van de wereld mee in vergelijking met Buitenpost, waar ik opgroeide. Ik hoop dat ze geëngageerde wereldburgers worden.
[MO] Kun je ons iets vertellen over je onderzoek(sverblijf) aan het NIAS?
[FR] Tijdens mijn periode bij het NIAS kan ik veel meer tijd besteden aan mijn onderzoek. Normaal gesproken geef ik ook les, ben ik coördinator van het Sector Plan Maatschappelijke Ongelijkheid en Diversiteit in Tilburg en ben ik Programmaleider Onderzoek van onze afdeling Sociologie. Veel van deze dingen heb ik op een laag pitje kunnen zetten, zodat de focus kan liggen op de verschillende onderzoeksprojecten.
Maar mijn belangrijkste doel tijdens mijn verblijf aan het NIAS is werken aan een publieksboek over mijn wetenschappelijke werk. Het gaat over hoe we in onze verzorgingsstaat steeds meer een obsessie hebben gekregen met het rechtvaardiger oftewel ‘eerlijker’ maken van ons sociaal beleid. We zijn steeds preciezer gaan bepalen wie er hulp echt nodig heeft, wat mensen moeten teruggeven of terugdoen bij wijze van tegenprestatie, en wanneer mensen hulp echt verdienen. Hierdoor is ons stelsel steeds complexer geworden, met catastrofale gevolgen. Mensen voelen zich ook steeds minder onderdeel van de verzorgingsstaat en het eerdergenoemde wantrouwen groeit; met name onder de mensen die de verzorgingsstaat het hardst nodig hebben.
Met mijn boek wil ik betogen dat als we wat van die ‘eerlijkheid’ durven op te geven, we er andere belangrijke waarden voor terugkrijgen. Waarden die tijdens de opkomst van de verzorgingsstaat breed omarmd werden, maar die we uit het oog zijn verloren. Het gaat ten eerste om verbondenheid – via universele instituties zoals de AOW werd iedereen betrokken bij de verzorgingsstaat. De AOW bestaat nog en daar wil niemand van af, maar op andere terreinen kijken we steeds meer of mensen hulp wel echt nodig hebben en of de staat die hulp wel moet bieden. Daardoor haken mensen af. Als we instituties universeler maken, zullen mensen zich meer verbonden kunnen voelen.
Ten tweede gaat het over waardigheid. Tijdens de invoering van de algemene bijstandswet werd in de Tweede Kamer nog betoogd dat de uitkering voldoende moest zijn om ook ‘een pijp tabak en bloemen op de tafel’ van te kunnen betalen; want dat zou onderdeel zijn van een waardig bestaan. Maar de laatste decennia zijn we steeds preciezer gaan bepalen wie wat verdient, door steeds strengere voorwaarden in te voeren met steeds strengere sancties. De boodschappenboete, die in eerste instantie dicteerde dat een bijstandsgerechtigde 7.000 euro aan bijstand moest terugbetalen omdat zij boodschappen ontving van haar moeder, laat zien dat die waardigheid die ooit zo centraal stond, geen onderdeel meer lijkt te zijn van het beleid.
De verzorgingsstaat stelt mensen teleur; en soms is dat een understatement. Dat ongenoegen is begrijpelijk, en terecht. Maar er zijn ook dingen die het waard zijn om te koesteren: verbondenheid, waardigheid, wederkerigheid.
Tenslotte is wederkerigheid een belangrijke waarde die we terug kunnen winnen. Solidaire en waardige wederkerigheid wel te verstaan, waarbij iedereen wordt uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan de samenleving, in plaats van de ‘voor-wat-hoort-wat’-wederkerigheid, die nu de stok lijkt om mensen met een uitkering richting werk te pushen. Als we dit soort rechtvaardigheidsreflexen durven los te laten, zal onze verzorgingsstaat misschien iets minder ‘eerlijk’ worden, maar krijgen we er wel belangrijke waarden voor terug. Waarden die ons zullen helpen om complexiteit terug te dringen en vertrouwen te versterken.
Ik ben bij het NIAS tot nu toe vooral bezig met het opzetten en uitdenken van het boek; het is dus nog volop work in progress. Het is ook een nieuw genre voor mij. Ik ben mijn publieke stem als wetenschapper aan het ontdekken. Als politica had ik zo’n publieke stem, maar het is heel anders om die als wetenschapper te hanteren.
Ik ben heel dankbaar dat ik aan dit project kan werken in de omgeving van veel fantastische wetenschappers, journalisten en een kunstenaar, zij inspireren me enorm. Iedereen wil van elkaar leren en is enorm behulpzaam om elkaar verder te helpen.
[MO] Hoe verhoudt je huidige project zich tot je eerdere werk?
[FR] Het is voor mij een logisch uitvloeisel van waar ik al langer aan werk. Het boek gaat eigenlijk over deservingness zoals ik dat eerder heb onderzocht, met enquêtedata en in observaties van interacties met sociale professionals. Maar in het boek hoop ik een stap verder te zetten, door deze bevindingen meer direct maatschappelijke betekenis te geven in een voor een breder publiek toegankelijk boek.
De leerstoel, en het schrijven van mijn oratie, heeft me daarin een goede opstap gegeven. Ook hierin zocht ik naar toegankelijkheid, maar ook naar inhoudelijke verbreding. Mijn focus verschuift steeds meer richting instituties en macht (richting politicologie) enerzijds, en de directe ervaringen van mensen in de verzorgingsstaat (richting sociaal werk) anderzijds. Waar ik vroeger vooral keek naar instituties en naar attitudes in enquêtes, wil ik nu ook begrijpen hoe mensen die verzorgingsstaat van binnenuit ervaren en welke rol politieke keuzes in die institutionele context hebben op die ervaringen.
De ‘hardwerkende Nederlander’ wil wel betalen, maar alleen als zijn geld besteed wordt aan mensen die het verdienen. Dat is een belangrijke nuance.
Dit publieksboek is in die zin een belangrijke stap: inhoudelijk verbreden en nieuwe manieren vinden om over mijn werk te spreken.
In mijn toekomstige onderzoek wil ik ook meer de ervaringen van mensen met de verzorgingsstaat centraal stellen en wat zij verwachten en vrezen van die verzorgingsstaat. Mijn eerdere onderzoek was vaak een momentopname. Ik wil meer inzoomen op hoe mensen door de tijd heen met de verzorgingsstaat omgaan, hoe zijn de verzorgingsstaat gaan ervaren, en wat zegt dat over de legitimiteit ervan op de lange termijn.
[MO] Wat zou je graag willen dat je werk bereikt?
[FR] Ik zou mensen opnieuw willen laten nadenken over wat de verzorgingsstaat betekent – wat de waardevolle aspecten zijn aan het stelsel en waar we eindigen als we onze obsessie met dat iedereen precies moet krijgen wat hij of zij verdient toe kan leiden. De verzorgingsstaat stelt mensen teleur; en soms is dat een understatement. Dat ongenoegen is begrijpelijk, en terecht. Maar er zijn ook dingen die het waard zijn om te koesteren: verbondenheid, waardigheid, wederkerigheid. Waarden die er ooit waren, en die er weer kunnen zijn. Ik hoop mensen te inspireren om die weer centraal te zetten. Zoals Leonard Cohen ooit zong: ‘There is a crack in everything, that’s how the light gets in.’
[MO] Je waarschuwt voor onze obsessie met wie wat wel of niet verdient. Maar is het geloof dat verliezers verliezers zijn omdat ze dat verdienen, en dus dat het onrechtvaardig is om ‘hardwerkende Nederlanders’ te vragen hun nood te helpen lenigen, niet bepalender? Is dit inderdaad wat er in onze verzorgingsstaat gebeurt? Hoe lees jij deze opkomende moraliteit van de meritocratie in de Nederlandse context? En, vooral, hoe kan een pleidooi voor verbondenheid, waardigheid en wederkerigheid volgens jou helpen daar verandering in te brengen?
[FR] Ja, ik denk wel dat deze morele meritocratie een rol speelt, maar niet zo sterk als in sommige andere landen, zoals de Verenigde Staten. In Nederland wil uiteindelijk toch een heel groot deel van de bevolking dat armoede wordt opgelost: er is veel steun voor armoedebeleid en herverdeling. Het idee dat iedereen in een situatie terecht kan komen waarin hulp nodig is, is ook sterker dan het idee dat ‘verliezers’ hun situatie altijd verdienen. Maar, we willen wel strikte voorwaarden verbinden aan hulp. Je moet laten zien dat je het echt nodig hebt, je moet ook een tegenprestatie doen; voor wat hoort wat. En je moet wel je best doen om uit die situatie te komen. De ‘hardwerkende Nederlander’ wil wel betalen, maar alleen als zijn geld besteed wordt aan mensen die het verdienen. Dat is een belangrijke nuance.
Als we durven te erkennen dat onze strenge focus op ‘eerlijkheid’ ons ook iets kost, en die focus durven los te laten, dan kunnen we een verzorgingsstaat herwinnen die van ons allemaal voelt.
En dat is precies het rechtvaardigheidsdenken dat ik wil problematiseren. Door zo sterk die normen van rechtvaardigheid op te leggen – laten zien dat je het nodig hebt, verantwoordelijkheid nemen, iets terugdoen – ondermijnen we andere waarden.
En daar komen verbondenheid, waardigheid en wederkerigheid om de hoek. Die waarden vragen iets anders van ons dan de vraag of iemand hulp ‘verdient’. Verbondenheid stelt dat voorzieningen die er voor iedereen zijn, belangrijker is dan dat iedereen die voorzieningen echt nodig heeft. Waardigheid zegt dat mensen goed behandelen belangrijker is dan of ze precies aan alle voorwaarden voldoen. En solidaire wederkerigheid wil mensen uitnodigen om erbij te horen en bij te dragen aan de samenleving, in plaats van hen daartoe te dwingen onder dreiging van sancties.
Als we durven te erkennen dat onze strenge focus op ‘eerlijkheid’ ons ook iets kost, en die focus durven los te laten, dan kunnen we een verzorgingsstaat herwinnen die van ons allemaal voelt. Ook voor de ‘hardwerkende Nederlander’, als die een keer pech heeft. Het kan ook bijdragen aan het minder complex maken van het stelsel, en op die manier kan een stelsel toegankelijker, maar ook vriendelijker en dichterbij voelen. Ik denk dat veel mensen daar behoefte aan hebben. Ook mensen die (denken dat ze) niet zoveel met de verzorgingsstaat te maken hebben.
Foto Femke Roosma: Kirsten van Santen