Advertentie
Banner DBNG 2026 #2

De andere middeleeuwen

Bij haar emeritaat blikt mediëvist Catrien Santing terug op de manier waarop er in de afgelopen veertig jaar telkens anders naar de Middeleeuwen is gekeken. Veertig jaar geleden was er sprake van een ware Middeleeuwenrage, zowel binnen als buiten de academie. In de decennia daarna heeft de mediëvistiek zich sterk ontwikkeld, en hebben mediëvisten in Nederland en Vlaanderen het beeld van de Middeleeuwen stap voor stap bijgesteld. Terwijl Santing haar werkkamer opruimt, realiseert ze zich dat er inmiddels een nieuwe generatie onderzoekers is opgestaan die een ‘frisse en fruitige’ Middeleeuwen bestudeert, los van het traditionele ‘Herfsttij’-aura.

Besproken boeken

Als je ter gelegenheid van het emeritaat je universitaire onderkomen moet opruimen, word je geconfronteerd met de scherven van een carrière. Mijn hooglerarenkamer bleek een beerput van de Groningse naoorlogse mediëvistiek: stencils uit de jaren zeventig verkeerden in het gezelschap van nooit meer te vertonen dia’s voor hoorcolleges, bij gebrek aan leesapparaten onleesbare microfilms en deels verpulverde overheadsheets. Veel belandde in de oudpapierbak – geen collega stelde prijs op de rij handboeken in vele soorten, maten en vooral diverse drukken van H.P.H. Jansens, Geschiedenis van de Middeleeuwen tot en met Barbara Rosenweins A Short History of the Middle Ages. Wat ging wel mee naar huis? In ieder geval de exemplaren van de Sporenreeks van de Socialistische Uitgeverij Nijmegen (1969-2002) in hun kenmerkende bordeauxrode omslagen. Pestdamp en bloesemgeur (Alain Corbin), Het onvergankelijke vlees (Piero Camporesi), Het beeld van de dood (Philippe Ariès), Omweg als methode (Carlo Ginzburg): het zijn de titels die mijn historisch denken hebben gevormd en mij op het pad van de middeleeuwse cultuur- en lichaamsgeschiedenis zetten. 

In veertig jaar veranderden de beoefening en de onderzoeksresultaten van het vak onmiskenbaar, maar er vallen wel degelijk overeenkomsten tussen toen en nu aan te wijzen. In het begin van mijn loopbaan stonden de middeleeuwen volop in de professionele en publieke belangstelling. Mijn academische start was ten tijde van de Franse middeleeuwengolf onder programmatische leiding van Jacques Le Goff. Zijn Cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen (1964/1987) pakte mij vanwege het uitlichten van mensen die ondanks de harde uitdagingen van het dagelijks leven door idealen voortgedreven werden, meer dan het verplichte, politiek en institutioneel georiënteerde The Middle Ages, 395-1500 (1970) van Joseph Strayer en Dana Munro. In de jaren tachtig en negentig was er in Nederland het overweldigende succes van de media-neerlandici Frits van Oostrom en Herman Pleij. Zij wisten door spraakmakende monografieën en grootscheepse projecten het vergeten specialisme van de middeleeuwse letterkunde nieuwe glans te geven en groeiden zelf uit tot inspirerende cultuurhistorici. Na de millenniumwisseling, begonnen differentiatie en verengelsing te overheersen en kende misschien wel daarom de Vlaamse en Nederlandse mediëvistiek geen intellectuele leiders meer. 

Gezamenlijk presenteren zij in lezenswaardige bundels een frisse en fruitige middeleeuwen zonder gouden Herfsttij-aura. Cynici zullen stellen dat de nadruk op valorisatie van de NWO nu werkelijk vruchten begint af te werpen.

Ten tijde van mijn emeritaat in de herfst van 2025 won Janna Coomans de Libris Geschiedenisprijs met Dievenland. Overleven in de middeleeuwen. Het succes van haar boek is geen geïsoleerd fenomeen. Dat de middeleeuwen terug zijn, blijkt namelijk ook uit de recente televisieserie over de gebroeders Van Lymborch. Het verhaal over drie talentvolle schilderbroers die aan het eind van de veertiende eeuw hun geluk beproefden aan het Franse hof, bleek spannend genoeg voor vier uitzendingen in primetime onder de titel Onbekend en wereldberoemd bij NPO 2. Tegelijkertijd spelen de middeleeuwen een grote rol in de populaire cultuur, zoals valt af te lezen aan talloze games, films en fantasyboeken. Kortom, er lijkt sprake van een nieuwe middeleeuwengolf.

Coomans maakt deel uit van de jongste generatie aan de universiteiten werkende Vlaams-Nederlandse mediëvisten, dat wil zeggen in de middeleeuwen gespecialiseerde historici, letterkundigen en kunsthistorici. Gezamenlijk presenteren zij in lezenswaardige bundels een frisse en fruitige middeleeuwen zonder gouden Herfsttij-aura. Cynici zullen stellen dat de nadruk op valorisatie van de NWO nu werkelijk vruchten begint af te werpen. Hoe het ook zij, opvallend is de vanzelfsprekende manier waarop deze jonge mediëvisten de relevantie van kennis over deze periode over het voetlicht brengen. Naast hun Engelstalige peer reviewed artikelen publiceren zij uitdrukkelijk ook in het Nederlands om bij het grote(re) publiek het imago van de middeleeuwen, die al sinds de Italiaan Petrarca donker is, te verbeteren. Daarmee sluiten zij aan bij een internationale trend om het beeld van de middeleeuwse cultuur en maatschappij te herijken. Zo presenteerde Seb Falk in zijn De verlichte middeleeuwen (2021) de wetenschap van die tijd als vernieuwend en als aanzet tot de wetenschappelijke revolutie. In 2023 verscheen Middeleeuwse medemensen over de actualiteit van de middeleeuwse leefwereld onder redactie van Jonas Roelens en Nathan van Kleij. Afgelopen herfst volgde het door Cecile de Morrée bezorgde Het ministerie van middeleeuwse zaken dat deels dezelfde auteurs kent. Daarnaast publiceerden de Utrechtse vroeg-mediëvisten in 2023 De inventieve middeleeuwen. Praktische kennis van vóór het jaar 1000 bezorgd door Ria Paroubek-Groenewoud en Carine van Rijn. De in alle drie bundels gepresenteerde casussen fungeren als gereedschapskist voor het (leren) omgaan met hedendaagse problematiek. 

Het verleden is een ander land 

Het lijkt er op dat de jonge garde zich veel minder een balling voelt in David Lowenthals epistemische ‘past as a foreign country’ (1988) dan de eerder opgeleide mediëvisten. Tamelijk beslist trekken zij historische parallellen en wijzen de basis van tot op de dag van vandaag voortdurende ontwikkelingen aan. Deze instelling staat op het eerste oog veraf van de ‘autre Moyen Âge’ van Le Goff en anderen, die de historische antropologie tot hun methodologie verheven met als doel de werking van de middeleeuwse cultuur en samenleving in detail te kunnen analyseren. Bij hen stond voorop te ontdekken hoe middeleeuwers met behulp van ideeën, praktijken, idealen, mythen zichzelf staande hielden en hun bestaan betekenis wisten te geven.

Bij Jacques Le Goff bestaat het portretteren van de ‘autre Moyen Âge’ juist uit het geven van een helder beeld van een veranderende maatschappij die hij beschouwt als de geboortestond van de moderne Europese samenleving.

Toch leerde herlezing van Le Goffs Pour un autre Moyen Âge. Temps, travail et culture en Occident (1977) mij dat ik de dubbele betekenis van ‘autre’ onvoldoende heb onderkend. ‘Anders’ staat hier vooral voor ‘nieuw’ in de zin van de Nouvelle Histoire die Le Goff samen met Georges Duby en Emmanuel Le Roy Ladurie vanaf de late jaren zeventig propageerde. De eerste waarschuwt zelfs tegen de verleiding in het verleden te veel de ‘différence’ naar voren te halen. Bij Le Goff bestaat het portretteren van de ‘autre Moyen Âge’ juist uit het geven van een helder beeld van een veranderende maatschappij die hij beschouwt als de geboortestond van de moderne Europese samenleving. Daarmee is in zijn ogen iedere histoire, en dus ook die van de middeleeuwen, tegelijkertijd een histoire présente. De geheimen van deze maatschappij liggen volgens de aanhangers van de Nouvelle Histoire verscholen in het dagelijks leven: hoe ervoeren middeleeuwers bijvoorbeeld hun lichaam en hoe en waarvoor gebruikten zij hun intelligentie en verbeelding? Klokken, brillen en molens zijn immers uitvindingen van de middeleeuwen. Dergelijke onderwerpen kunnen slechts in een longue durée onder de loep worden genomen. Een gedegen analyse van de middeleeuwse gedachtewereld en de sociale werkelijkheid zou de eigen tijd leren het maatschappelijk gebeuren een zetje in de juiste richting te geven. Daarvoor waren cultuurhistorici nodig die professionele rigueur combineerden met inlevingsvermogen en creativiteit. 

Hoewel Le Goff als theoreticus van de groep dus af wilde van het obscurantisme waarvan de middeleeuwen werden en worden beticht, omarmden zijn geschiedkundige volgelingen het professioneel-historisch marginale: magie, mythen en folklore, materiële cultuur, emoties, honger en dorst, het zieke en gezonde lichaam. Zij richtten zich op de geleefde ervaring van alledag als fundament van individueel zowel als collectief bewustzijn en handelen. Dergelijk onderzoek was toen nieuw, het behoorde niet tot het hart van de historische professie. Die draaide om de totstandkoming van instituties als parlementen en naties, rationeel politiek bedrijven en dito economisch handelen. Natuurlijk bestonden er in de Annales-school al aanzetten tot de bestudering van de mentaliteit; de meeste traditioneel opgeleide vakgenoten griezelden echter van de in hun ogen buitenissige en daarmee irrelevante onderwerpen. Maar het grote publiek smulde van de smakelijke verhalen over die gekke middeleeuwers. Het werk van de Franse historici werd in vele talen vertaald en vond over de hele wereld gretig aftrek, ook in Nederland, zoals blijkt uit de Sporenreeks van de SUN. Weinigen zagen dat de ‘nouveaux objets d’histoire’ – verhalen over flagellanten, leprozen, het onvergankelijke vlees van heiligen, molenaars die de wereld aan de hand van wormen uit kaas duidden, het vasten en de visioenen van mystici – de anatomie van de middeleeuwse samenleving blootlegden. 

Daten op middeleeuwse wijze

De jonge auteurs van de recente Nederlandstalige bundels laten, in tegenstelling tot Le Goff en de zijnen, expliciet zien hoe je van op het eerste oog vreemde verhalen bij hedendaagse problematiek aanlandt. De inventieve middeleeuwen toont hoe de middeleeuwer een herkenbaar probleem praktisch aanvatte en daarvoor een in onze ogen even onalledaagse als effectieve oplossing vond. Deze auteurs houden de ‘différence’ grotendeels in stand, wat de gepresenteerde toverspreuken en recepten voor zalfjes, koek, groente en wijn wel enigszins tot een rariteitenkabinet maakt, overigens ook met de aantrekkelijke kanten daarvan. 

De geschiedkundige volgelingen van Le Goff omarmden het professioneel-historisch marginale: magie, mythen en folklore, materiële cultuur, emoties, honger en dorst, het zieke en gezonde lichaam.

In de andere twee bundels draait het om de actualiteitswaarde van middeleeuwse oplossingsgerichtheid en wellicht daarom is de onderwerpskeuze wat braafjes. Om die Middeleeuwse medemensen echt te leren begrijpen, hadden de voorbeelden wat mij betreft wat meer van vlees en bloed mogen zijn. Maar gezien de slechte reputatie van de middeleeuwen begrijp ik de huiver. De keuzes zijn ingegeven door het doel tien concrete ‘clichés over de donkere middeleeuwen’ te ontkrachten. Het idee uit te gaan van misvattingen over de middeleeuwen, zoals dat ze heel smerig waren (Coomans) of heel ongelijk (Sam Geens), werkt, maar maakt de toon apologetisch. Of de bundel mijn voormalige eerstejaars zou bekoren, betwijfel ik. Daarvoor veronderstelt het boek te veel achtergrondkennis. 

Het recente Ministerie van middeleeuwse zaken beoogt, om de ondertitel te citeren,  ‘inspirerende oplossingen voor de grote vraagstukken van nu’ en is apert het meest ambitieus van toon, opzet en inhoud. Die instelling werpt vruchten af, want de door een podcast begeleide bundel is de beste van de drie publicaties. Het plaatsen van een openingsgedicht door Thijs Kersten werkt verrassend goed, over het uitbuiten van de door Le Goffs omarmde verbeeldingskracht gesproken. Deze jonge academicus combineert de mediëvistiek met de poëzie en dat samenspel lijkt vruchtbaar in zijn wens een nieuwe taal voor wetenschap te vinden. Naast het Ten geleide van Kersten, een inleiding van De Morrée en Martine van Veldhuizen en een epiloog van Lieke Smits die meer dan genoeg duiding bieden, bevat het boek twaalf thematische hoofdstukken. Het gehanteerde redactionele stramien is: eerst een exposé over een actueel vraagstuk geven, zoals bijvoorbeeld genderfluïditeit (Jonas Roelens), recycling (Claire Weeda) of conflictbeheersing (Justyna Wubs-Mrozewics); dat exposé wordt gevolgd door een analyse van een middeleeuws voorbeeld op basis van eigentijdse bronnen. Die mondt uit in een rijtje aanbevelingen voor eenentwintigste-eeuwse politici en beleidsmakers. Zoals dat gaat in bundels overtuigt het ene stuk meer dan het ander, maar lezenswaardig is alles. Uitschieters zijn wat mij betreft de verhandelingen over verstrengelde kennis in het middeleeuwse wereldbeeld (Sandor Chardonnens), over de toenmalige omgang met veroordeelde criminelen (Van Kleij) en over zestiende-eeuwse veilige seks (De Morrée). Dat is ook omdat ze qua bronanalyse spannend zijn. 

Vertrekkend van de dertiende-eeuwse encyclopedie Natuurkunde van het Geheelal toont Chardonnens hoe de middeleeuwer diverse soorten van kennis in lijn bracht en via hun kruisbestuiving tot nieuwe inzichten kwam. Bovendien ging de bestudering van materiële en immateriële objecten toen altijd gepaard met moraliteit. Dat houdt in dat beheersing van feiten ten dienste stond van oordeelsvorming en daarom resulteerde in meer greep op het menselijk bestaan. Een dergelijk breed perspectief leidt tot een snellere erkenning van de complexiteit van problemen en traint de omgang met onzekerheid. Laten we niet vergeten dat ook het hedendaagse wetenschappelijk onderzoek een heel palet aan convergerende stadia en soorten van weten bestrijkt. Iedere kennisontwikkeling start bij geloof en aannames en vraagt om herhaalde praktische beproeving. Alle weten in wording is wankel.

Van Kleij behandelt twee in laatmiddeleeuws Amsterdam populaire strafvormen: het heffen van steenboetes en het opleggen van een boetebedevaart. Het openbare karakter van de veroordeling verraadt hoe de stedelijke gemeenschap destijds zorgvuldig werd meegenomen in het hele proces van rechtspreken. Vrouwe Justitia stond vooral in dienst van het creëren van een rechtvaardige samenleving. Na een poging tot ontvoering van een vrouw, had ene Claes Baerentszoon bijvoorbeeld 10.000 bakstenen moeten doneren waarmee in zijn wijk een school werd gebouwd. Het zou inderdaad wel eens kunnen dat de middeleeuwse lokaal te besteden steenboetes effectiever waren dan de huidige taakstraffen. Zichtbaarheid en lokale inbedding van veroordeling en straf verhogen namelijk de kans op verzoening.

Iedere kennisontwikkeling start bij geloof en aannames en vraagt om herhaalde praktische beproeving. Alle weten in wording is wankel.

De Morrées elegante analyse van het Antwerps Liedboek (1544) komt het dichtst in de buurt bij de Franse eis door te dringen tot de haarvaten van de middeleeuwse samenleving. De ooit veel samen gezongen en beluisterde liefdesliedjes uit deze bundeling onthullen dat romantische en erotische verhoudingen altijd messy zijn. Dat begreep de middeleeuwer maar al te goed. De these van Morrée luidt dat jonge burgers via de liederen oefenden in het uitdrukken van hun gevoelens. Want overgaan tot erotische handelingen met wederzijds consent is een sociaal proces, waarvan het welslagen stoelt op onderlinge communicatie. Het Antwerps Liedboek is daarin waarschijnlijk beter geslaagd dan de veroordelende voorlichtingsfolders van de Rutgers Stichting, zo wordt terecht opgemerkt.

De middeleeuwen de pols voelen

Op de titelpagina van het Ministerie van middeleeuwse zaken prijkt een gepantserde riddervuist met een smartwatch, die meteen de vraag oproept wat de zin is van de middeleeuwen zo de hedendaagse pols te voelen. De periode staat in dit boek wel heel erg in dienst van kennelijk belangrijkere hedendaagse kwesties. Daarnaast lezen sommige hoofdstukken als schetsen van een rechtvaardigere samenleving, ondanks de in de inleiding beleden politieke neutraliteit. De vergelijking met William Morris en zijn op de middeleeuwse gilden geïnspireerde utopisch socialisme in de epiloog is veelzeggend. Of dergelijk engagement stoort, ligt aan het perspectief van de lezer.

Na een poging tot ontvoering van een vrouw, had ene Claes Baerentszoon bijvoorbeeld 10.000 bakstenen moeten doneren waarmee in zijn wijk een school werd gebouwd.

De kwalitatief goede hoofdstukken van de drie bundels bieden inhoudelijk niet zoveel nieuws. Maar dat was ook niet de bedoeling. Laten de auteurs vooral gaan samenwerken in een ‘Tweede Kabinet van Middeleeuwse Zaken’. Een nadrukkelijker streven om via voorbeelden uit de middeleeuwse leefwereld tot een grotere bewustwording te komen van de manieren waarop emoties en ratio in elkaar grijpen, zou de slagkracht van deze mediëvistische denktank vergroten. Dat geldt ook voor  de lezers te leren kluwens van feiten en meningen te ontwarren en hoe zelf een valide mening te vormen. Ook zou het interessant zijn wat meer De Morrée-achtige exposés te schrijven of nieuwe inspiratie te zoeken bij de spannende Utrechtse onderwerpen. Dan doel ik op betogen die minder exclusief gericht zijn op beleidsvoorlichting, een euvel waaraan veel Applied history lijdt. 

Met het vak komt het wel goed in handen van deze proactieve groep jonge academici. Hopelijk verrijken ze de mediëvistiek in de komende jaren verder met mooie bundels, bekroonde monografieën, interviews en podcasts. Zo raakt het beeld van de middeleeuwen opgefrist en weet de periode hopelijk een grotere plaats te veroveren in historisch onderzoek en onderwijs. Als volgend project stel ik ze voor een op hun actualiserende leest geschoeid handboek voor de middelbare school te schrijven. Dan staan in de eerstejaarstentamens middeleeuwse geschiedenis hopelijk nooit meer clichés als ‘in de Renaissance werd het Momento (sic!) Mori ingewisseld voor het Carpe-diem-gevoel’.

Fragment van gedicht van Thijs Kersten voor eventueel kader:

Je moest eens weten hoe goed het al was, 

Er brandden al genoeg kaarsen voor de verlichting 

En, inderdaad, soms doofde het vuur, was de was op, 

maar eeuwen lang straalden wij feller dan jullie schermen. 

(Ministerie van middeleeuwse zaken, pp. 8-9)