Advertentie
Banner DBNG 2026 #2

Andere Grammatica’s van Verschil

In haar memoires Niet van gisteren wandelt Anja Meulenbelt door haar eigen verleden en door het Nederland dat haar vormde. Transdisciplinair kunstenaar en schrijver Neske Beks leest een boek dat getuigt van strijd en engagement, maar ook van moederschap, trauma en liefde. In haar geheel eigen, persoonlijke stijl schrijft ze over het laatste boek van Anja Meulenbelt, die deze week de P.C. Hooft-prijs ontvangt voor haar gehele oeuvre.

Besproken boeken

Niet van gisteren. Memoires, maar dan anders – een ondertitel naar mijn goesting – zou je kunnen beschouwen als de autobiografie van Anja Meulenbelt. Wat ik de grootste kracht van het boek vind is dat het een beeld schetst van hoe Nederland zich bewoog, uitsprak en zweeg over racisme, seksisme en andere -ismes, gedurende de afgelopen vijfenzestig jaar. Tijdens het lezen kreeg ik een soort van Forrest-Gump-gevoel: aan de hand van Anja Meulenbelt liep ik mee door zeven decennia Nederlandse geschiedenis.

Tijdens het lezen kreeg ik een soort van Forrest-Gump-gevoel: aan de hand van Anja Meulenbelt liep ik mee door zeven decennia Nederlandse geschiedenis.

Beeldend vertellend over vele ontmoetingen, relaties en werkvriendschappen laat Meulenbelt de lezer van heel nabij haar visie op vele ontwikkelingen in Nederland, voelen en zien in een stijl die filmwaardig leest. Het boek is een persoonlijk verslag van een feministe die al zolang in de voorhoede staat en die tegen haar eigen verwachting in de P.C. Hooft-prijs won. Maar het tegengeluid dat dit anno nu teweegbracht, toont aan dat de conservatieve krachten ook in de Nederlandse literatuur nog steeds sterk aanwezig zijn. Om eerlijk te zijn wil ik daar het beperkt aantal woorden dat de Nederlandse Boekengids me geeft niet aan opmaken. Dat ik cultuurkritiek beperk tot het opvoeren van boeken en citaten die me positief raken is een zeer bewuste keuze. Maar als je dat tegengeluid graag wil lezen: google en ga. Het volgende citaat van juryleden Christine Otten, Marjan Slob, Tijs Goldschmidt, Chris Keulemans en Gijsbert Pols lijkt me dekkend: ‘Het verleden laat zich – zoals ook Meulenbelt in haar werk steeds weer heeft laten zien – niet corrigeren, hooguit verwerken, om zo een betere toekomst mogelijk te maken.’

Een breed palet

Waar te beginnen? Er passeren zoveel urgente thema’s de revue dat een invalshoek bepalen nog niet meeviel… Natuurlijk feminisme – feminisme altijd voorop bij Meulenbelt – maar ook Palestina, klasse, intersectionaliteit, (anti)racisme, socialisme, Marx, mannelijkheid, witheid, seksisme, LHBTQ-rechten en heel specifiek transrechten, gender in het algemeen, biseksualiteit, huiselijk geweld, vaderschap en moederschap. Mij gaf het keuzestress, maar zelf begint ze haar boek logischerwijs gewoon bij Anja.

Het hele boek door verbindt Meulenbelt intellectuele leerprocessen met haar groei als mens. Ook waar ze faalde of tekortschoot, benoemt ze dat zonder aarzelen.

Een inleidend voorwoord annex eerste hoofdstuk – dat misschien wat overbodig aandoet omdat het boek voor zich spreekt – legt uit waarom ze ondanks haar gezonde tegenzin in het schrijven van memoires toch overstag ging. Vanaf hoofdstuk twee gaat ze echter voortvarend te werk en weet ze in twintig hoofdstukken, verspreid over 270 pagina’s, als geen ander het persoonlijke met het politieke te verbinden, waarbij ze steeds genereus deelt aan wie ze haar groei en inzichten ontleende. Dit op een manier waaruit voornamelijk solidariteit en gretigheid tot leren spreekt – het leest nooit pedant, nooit het ‘kijk-mij-eens-goed-bezig-zijn’ dat ook had gekund. Nee, opmerkelijk vaak beschrijft Meulenbelt de wereld vanaf de zijkant van het podium, beschouwend. En als ze zelf in het midden van de beweging staat, zoals bij de Dolle Mina’s of veel later bij de politieke partij BIJ1, richt ze steeds weer de schijnwerper op de ander bij wie ze haar inzichten opdeed. Haar generositeit voor anderen spat van de pagina’s – soms en passant, dan weer heel nadrukkelijk. En dat Meulenbelt met De schaamte voorbij (1976) als eerste vrouwelijke schrijver in Nederland het persoonlijke politiek maakte is natuurlijk haar grootste wapenfeit. Uit het juryrapport van de P.C. Hooft-prijs: ‘Een boek waarin met zoveel gebroken moest worden, waarin zoveel benoemd moest worden wat voorheen onzegbaar bleef.’

Opvallend is hoe ze dynamieken binnen intermenselijke relaties steeds verbindt met dekolonisatie, activisme, antikapitalisme en de deconstructie van vele andere -ismes. Het hele boek door verbindt ze intellectuele leerprocessen met haar groei als mens. Ook waar ze faalde of tekortschoot, benoemt ze dat zonder aarzelen. In een tijdsgewricht waarin gebrek aan accountability een collectieve achilleshiel lijkt te zijn neemt zij verantwoordelijkheid.

Hoewel ik alleen al aan haar kennis over Palestina en Israël een essaybundel zou kunnen wijden, kies ik hier voor een focus op haar persoonlijke relaties met mensen en in het bijzonder voor haar moederschap en partnerschap.

‘Hebben kinderen een vader nodig?’ is het hoofdstuk dat mij erg raakte. ‘Ik zou een geweldige vader zijn geweest, maar ik was een slechte moeder’, schrijft ze – een zeer kernachtige verwoording van hoe verwachtingspatronen jegens moeders versus vaders tot op de dag van vandaag verschillen. Een rode draad door het boek is de vraag of ouderschap een collectief project is. Dit is inspirerend omdat in deze polariserende tijden een kwaliteit als zorg vaak het onderspit delft en als onbetaalde, ongeziene arbeid voornamelijk op het bord van vrouwen belandt.

De waarde van moederschap en partnerschap

‘Moederschap was niet de roze wolk die ons beloofd was’, schrijft ze in ‘Hoe wordt iemand feminist?’ – het tweede hoofdstuk. Via een korte autobiografische schets waarin ze ons laat kennismaken met de gewoontes, pijn en trauma’s van het gezin waarin ze geboren is, haar korte huwelijk waarin ze slachtoffer werd van huiselijk geweld en haar daaropvolgende alleenstaande moederschap met een kind van drie, belanden we op pagina twintig, en in 1970. Anja is vijfenwintig en – ik citeer – ‘Het leven was gespleten. Aan de ene kant de opwinding mijn gang te kunnen gaan (…) aan de andere kant de teleurstellingen in mijn relaties met mannen. De vrijheid leverde me niet het soort leven op waar ik blij mee was. Ik was klaar voor het feminisme.’

Het boek komt in die filmisch aanvoelende stroomversnelling terecht, langs en door De Dolle Mina’s en nog meer praatgroepen in de jaren zestig waarin vagina’s worden bestudeerd, ervaringen met geweld worden gedeeld, feministische taal wordt uitgevonden en aan zelfreflectie en empowerment wordt gedaan.

Een van mijn favoriete passages later in het boek is wanneer Meulenbelt vertelt dat ze bij lezing over feminisme en socialisme vaak een citaat deelt van Marx uit 1886: ‘(…) Vrouwen zullen bondgenoten vinden tussen de betere mannen, zoals arbeiders bondgenoten vinden tussen de betere mannen, zoals arbeiders bondgenoten vinden tussen de filosofen, kunstenaars en dichters. Maar de eerste heeft niets te hopen van mannen als groep en de laatste niets van de burgerlijke klasse.’ Volbloed Marxisten stevenen dan na de lezing vaak op haar af dat het niet kan kloppen omdat Marx stierf in 1883. Maar: ‘Het citaat is afkomstig van Eleanor Marx. Zijn dochter. Die we kunnen zien als de eerste marxistische feministe. Soc-fem avant la lettre.’

Ook in hoofdstuk twee in het onderdeel ‘De Bekering’ vertelt Meulenbelt hoe ze dankzij één feministisch pamflet het licht zag: Notes from the Second Year: Women’s Liberation van Shulamith Firestone. ‘De liefde is de kwetsbare onderbuik van het feminisme’, schreef Firestone. En ook: ‘dat het op het pad dat feminisme aflegde niet alleen ging over de ongelijkheid op de arbeidsmarkt en de politiek, maar ook over de impact van machtsverschillen in de privélevens van vrouwen.’ Meulenbelt: ‘Ik ben er allang achter dat mijn ongelukkige verliefdheden die ik breeduit beschreef in De schaamte voorbij niet alleen het gevolg waren van het patriarchaat en de vermeende emotionele invaliditeit van mannen (…). Mijn onvrede had ook te maken met mijn partnerkeuze die mede ingekleurd was door niet opgeloste en nauwelijks bewuste patronen die ik mee had genomen uit een niet erg gelukkige jeugd.’ In hetzelfde pamflet leest Meulenbelt voor het eerst de slogan ‘Het persoonlijke is politiek’, in een stuk van Carol Hanisch. En ook leest ze over bitch sessions, praatgroepen – vanzelfsprekend alleen voor vrouwen. Ze zoekt een paar vrouwen bij elkaar en ze beginnen.

Als Anja soms met haar zoon aan de hand, behendig tussen, met, langs en door De Dolle Mina’s en nog meer praatgroepen in de jaren zestig beweegt waarin vagina’s worden bestudeerd, ervaringen met geweld worden gedeeld, feministische taal wordt uitgevonden en aan zelfreflectie en empowerment wordt gedaan, komt haar boek in die filmisch aanvoelende stroomversnelling terecht waar ik eerder naar refereerde. Hier geeft het boek een beeldende, persoonlijk beschreven kijk in een – ook zeker kritische – analyse over deze roemrijke jaren zestig die zij zelf kenschetst als ‘de seksuele revolutie die wel seksueel was maar nog geen revolutie’. Wat ze belooft, wordt ingelost: zonder dat ze het bevrijdende aspect van die tijd onderuithaalt, neemt ze zichzelf wel zodanig op de korrel dat ik af en toe lezend heel hard moest lachen. Het hele scala dat je aan seks en sekseducatie kan bedenken passeert de revue, tot ze stelt dat het typerend is voor onze westerse manier van denken ‘dat we van homoseksualiteit een identiteit hebben gemaakt’.

Een statement dat me trof als een mokerslag omdat het me heel erg doet nadenken over de actuele homofobie en gevangenisstraffen in mijn vaders land Senegal – en de algehele weerstand jegens bi- en homoseksualiteit in Afrika – waar gesteld wordt dat queerness Europese import is. Meulenbelts stelling over queerness als identiteit poneert ze na een prachtige passage over een van haar drie grootste liefdes, de Palestijnse man die ze Rashid noemt in het boek en die op basis van de Islam bepleitte dat seks tussen mannen verboden was. Meulenbelt schrijft: ‘“Listen”, zei ik, “Palestinians are your people, so I listen to you. Handicapped people are your people and I listen to you. Now, gay people are my people and now you listen to me.”’ Vervolgens geeft ze hem een flitscursus homoseksualiteit – in Nederland en in Gaza. Ik denk: ‘En hoe nu van your en mine naar ours?’

Om dat laatste moest ik toch wel hard lachen – het duidt een generatieverschil, meen ik – met mijn generatie schrijvers die (te?) veelvuldig delen over therapie, ayahuasca-retraites en aanverwant. Wat zal Meulenbelt ons een stelletje selfseekers vinden, bedacht ik me … – of niet?

Het boek is niet stipt chronologisch maar meer thematisch opgedeeld en soms is dat enigszins verwarrend: Rashid bijvoorbeeld leren we eerst als echtgenoot kennen die trouwde met een ander zonder haar dat te vertellen. En daarna pas als de grote liefde in het stuk dat ik net beschreef. Het zijn schoonheidsfoutjes in de chronologie, maar als je de grote lijn blijft volgen – de sterke inhoud – reis je met Meulenbelt mee door de jaren zeventig, tachtig en negentig. Toch tijdsgewrichten met een (hoofdzakelijk wit) feminisme dat – let wel, dit zijn mijn woorden – zich niet per se uitdrukte in zogenaamde ‘vrouwelijke’ eigenschappen maar zich kenmerkte door veel zogenaamde ‘pseudo-mannelijke’ concepten. Precies dat gegenderde maakte dat ik en veel vrouwen (zeker van kleur) die ik ken, er heel lang van afzagen zichzelf feminist te noemen.

Verwachtingspatronen

Soms, als ze deelt over haar leerpad, dacht ik aan bell hooks. Waar hooks elke dag een zelfhulpboek las, vertelt Meulenbelt constant hoeveel ze geleerd heeft van boeken, denkers, cursussen, lekentherapie als het co-counselen, coaching en, schrijft ze, ‘ook drie keer een korte therapie met een professionele therapeut’ ondergaan te hebben. Om dat laatste moest ik toch wel hard lachen – het duidt een generatieverschil, meen ik – met mijn generatie schrijvers die (te?) veelvuldig delen over therapie, ayahuasca-retraites en aanverwant. Wat zal Meulenbelt ons een stelletje selfseekers vinden, bedacht ik me … – of niet? Meulenbelt erkent vluchtig dat trauma bepalend was voor haar leven en partnerkeuzes en refereert dan naar boeken en denkers, zoals Trauma en herstel van Judith Lewis Herman over de gevolgen van geweld en mishandeling thuis, Traumasporen van Bessel van der Kolk en als laatste de Canadese psycholoog Gabor Maté. Ze schrijft dat ze geraakt werd door zijn vraag betreffende verwaarlozing in de kindertijd… ‘Of er een volwassene was die ze vertrouwden en bij ze terecht konden?’

Vervolgens geeft ze daar extreem kort antwoord op: ‘Au. Ik klaag niet graag over mijn niet echt vrolijke jeugd, ik vind het zo’n cliché – er zijn immers wereldwijd kinderen die het veel moeilijker hebben dan ik het heb gehad – zie Gaza. Ik had tenminste altijd te eten. Maar dit kwam aan. Had ik een volwassene bij wie ik terechtkon? Nee.’ Zo’n relativering over voedsel is – gelukkig – niet meer van nu. Want tegelijkertijd toont wat er in onder andere Palestina, Soedan en Congo gebeurt aan dat uithongering, oorlog en fysiek geweld ook altijd emotioneel geweld met zich meebrengen.

Hier snakte ik als lezer weer naar meer nabijheid: naar iets meer mogen voelen wat het echt met haar deed. Mogen leren van hoe een warrior als Meulenbelt het verraad door die grote liefde overwon.

Hierna vertelt ze dat er geen troost te vinden was bij haar moeder als ze als kind doodsbang was in het donker. En hoe die haar voor straf opsloot in de wc. Wanneer ze vervolgens deze bekentenis afblust met ‘Ik kwam niet eens op het idee dat ik zelf het licht aan kon doen’, denk ik nog best lang na over hoe deze naoorlogse generatie maskert en ontzenuwt met relativering en humor – mijn ouders deden het ook.
Wat me ontroert zijn de stukken waarin Meulenbelt in rake, nooit sentimentele maar zeer gevoelige, heldere taal schrijft over haar vader en zijn mentale achteruitgang. Ondanks dat ze elkaar daarvoor tien jaar niet zagen, stroomt vanuit alles wat ze over hem deelt veel liefde zijn kant op. Wat sterk beklijfde – ook maanden na lezen nog – is het beeld van dat ze als klein meisje in de branding aan haar vaders benen hangt. Ook daar dacht ik even aan hooks, in wier werk de spanning tussen verlangen, het missen van vader en de angst voor zijn gezag altijd voelbaar is.

Andere Grammatica
Meulenbelts taal is kristalhelder maar nooit simpel, toegankelijk doch nooit opgebouwd in platitudes of ijdelheid, en reikt genereus kennis, schrijvers en boeken aan (echt tientallen referenties) op een manier die mij alleen maar enthousiast en leesgierig maakte. Bijvoorbeeld als ze het gedachtengoed van Gloria Wekker of het Combahee River Collective ontsluit, doet ze dat op een manier die – denk ik – voor leken nieuwe informatie aanreikt en voor meer ingevoerde lezers in die materie (zoals ik) eventueel nieuwe inzichten biedt. Bij de Combahee River Collective bijvoorbeeld koppelt ze dit aan hoe organisaties, instituten en linkse partijen Zwarte vrouwen instrumentaliseren: ‘Het is niet voldoende als we het alleen hebben over “diversiteit”, wat er meestal op neerkomt dat organisaties denken dat het genoeg is als er een paar gekleurde gezichten in de redactie of het bestuur zitten, die als minderheid vervolgens nog steeds heel weinig invloed heeft op het beleid. We vergissen ons, als witte mensen, als we hen alleen zien als toevoeging, en hun marginale positie in de samenleving vertalen in, opnieuw, een marginale positie in onze bewegingen.’ Later in het boek, als ze het heeft over intersectionaliteit en het verschil in privileges binnen feminisme, verwoordt ze dit kort maar zeer prachtig als ‘andere grammatica’s van verschil’. Het is een formulering die duidt hoe poëtisch Meulenbelt ook is – maar daar zelf als laatste prat op gaat.

Samengevoegd zijn ze opeens weer een echtpaar,
mijn geliefden.
Met schoonfamilie en ouderavonden,
en eerst de wekker zetten,
zij rechts en hij links in bed,
En niet vergeten om de pil te nemen.
Ze slapen de slaap der rechtvaardigen,
koninklijk goedgekeurd,
en om zeven uur op voor de kinderen.

Ik weet niet of ik jaloers ben of niet,
maar als ik slaap droom ik dat ik een god ben,
die het huwen verbiedt.

‘Het was een rancuneus gedicht’, schrijft Meulenbelt na het delen van dit gedicht over het huwelijk in het hoofdstuk ‘Schaffen we het gezin af?’. ‘Het was in 1975 dat ik een gedicht schreef – (ik schreef nooit gedichten en heb het daarna ook niet meer gedaan).’ Wederom valt dat relativerende op: nog voor het gedicht kan indalen, wordt ons eigenlijk de kans ontnomen om er zelf wat van te vinden, laat staan iets bij te voelen. Is dit indirect verwoorden van een gebrek aan literaire of poëtische pretentie opnieuw een schild? Jammer, want de zin over jaloers zijn bracht mij juist heel dicht bij haar hart. Mag dat niet?

Enkele pagina’s verderop schrijft ze over dit huwelijk met de Palestijnse Rashid: ‘Gaza had ons bij elkaar gebracht, maar Gaza had ons ook de das omgedaan’, schrijft ze. Dit topt ze weer af met een grappige zin over om de veertig jaar trouwen en dat drie jaar volhouden. Dus, zegt ze ‘als ik honderd en tien ben probeer ik het nog eens.’ Hier snakte ik als lezer weer naar meer nabijheid: naar iets meer mogen voelen wat het echt met haar deed. Mogen leren van hoe een warrior als Meulenbelt het verraad door die grote liefde overwon. Maar zover stelt Meulenbelt zich niet open en dat respecteer ik: zo’n boek is het misschien niet. En literatuur waarmee ze alles van zichzelf toonde, schreef ze natuurlijk vroeger al. Heeft ze de kritiek daarop geïnternaliseerd en is ze daarom voorzichtiger? Zelf had ik nog net iets gedetailleerder willen lezen en leren van hoe Meulenbelt met al haar ervaring in liefde, driehoeksrelaties, co-counselling, moederschap, enzovoorts relaties en gezinsleven in heden en toekomst voor zich ziet. Of is ze literatuur die het eigen hart en verlangen toont door meer kennis literair gezien ontgroeid?

Meulenbelt eindigt refererend naar het boek Alledaags Utopia van Kristen Ghodsee, en verwijst daarbij ook naar het hierboven besproken hoofdstuk over hoe we anders zouden kunnen denken over samenleven en het gezinsleven. Ze gooit een balletje op met de laatste zinnen: ‘We zouden kunnen streven naar een economie die gebaseerd is op eerlijk delen, en daar al een begin mee maken in de manier waarop we samen wonen, voor elkaar zorgen, produceren wat we nodig hebben zonder dat de winst verdwijnt in de zakken van mensen die al veel te veel hebben.’ ‘We zouden’, zegt Ghodsee utopisch, ‘onze netwerken van liefde en zorg uit kunnen breiden.’ Waarop Meulenbelt reageert met: ‘Laten we dat doen.’

Niet van gisteren biedt qua gedachtegoed voortdurend een handreiking aan niet ingevoerde lezers, andersdenkenden en, ja, dus zelfs ook aan rechts Nederland – op dit moment toch het overgrote deel van Nederland. Dat ze dit standvastig doet zonder al te veel compromissen te sluiten, zonder een opgestoken vingertje, zonder activistische dogma’s in te lepelen en laat staan door wokeness door de lezersstrot te duwen, is knap. Die balans is verfrissend in deze polariserende tijden. Het maakt het boek uitermate geschikt om cadeau te geven aan mensen die niks hebben met feminisme, antiracisme, en alle denkbare -ismes. Vermoedelijk een bewuste strategie, en het werkt – al kan ik dat zelf niet geheel beoordelen want ik denk en ben niet rechts. Mijn punt is dat Meulenbelt geen pamflet heeft geschreven, maar een boek waarin ze haar kennis en privileges inzet op een manier waarmee ze een groot en breed publiek kan bereiken.
Ik kijk reikhalzend uit naar het volgende boek. Misschien geeft de erkenning van die P.C. Hooft-prijs net dat beetje bevestiging om net iets meer in het ego te gaan staan. Daar zeg ik: ‘Doen’. Voor ons, de generaties die op haar schouders staan, in het hier en nu.

De P.C. Hooft-prijs 2026 voor beschouwend proza wordt uitgereikt aan Anja Meulenbelt op donderdag 28 mei in theater Diligentia, Den Haag.