Advertentie
Banner DBNG 2026 #2

Heimwee naar het tij: over de ‘nieuwe’ deltacultuur

Nederland is goed met water. Na de Watersnoodramp zouden de Deltawerken ons land veilig houden en beschermen tegen het water. Maar die veiligheid is in feite een mythe, zeker in tijden van klimaatverandering. Om echt goed samen te leven met het water is een ander soort denken nodig. Jilt Jorritsma onderzoekt dat denken en pleit ervoor te luisteren naar stemmen van onderop.

Besproken boeken

‘We hebben de delta als het ware gesmoord’, zegt Co Verdaas op 13 november 2025 in Breda. De Deltacommissaris presenteert tijdens het Nationaal Deltacongres een nieuwe strategie om Nederland veilig en leefbaar te houden in een toekomst die door het stijgen van de zeespiegel onder druk staat. De nieuwe visie worstelt met de erfenis van de twintigste eeuw. Oude zeearmen als het Haringvliet, de Brielse Maas, de Grevelingen, het Veerse Gat, de Lauwerzee en de Zuiderzee werden met dammen en stormvloedkeringen afgesloten, waardoor de waterveiligheid op korte termijn weliswaar toenam, maar ons estuarium ingrijpend is veranderd: een groot deel van het intergetijdengebied is verloren gegaan en dit maakt ons vandaag de dag kwetsbaar. De geleidelijke overgang van zee naar land blijkt namelijk een belangrijk wapen tegen zeespiegelstijging, omdat die fungeert als een bufferzone die het water opvangt, golven dempt en erosie van de kust tegengaat. Er wordt daarom met lede ogen teruggekeken naar 1950, de tijd voordat de Deltawerken werkelijkheid werden en het getij in ons land nog een alomtegenwoordige plaats innam. 

Het leven is er grotendeels uitgeknepen, toch gelooft Deltacommissaris Co Verdaas dat de delta zoals we die van vroeger kennen nog ergens voortleeft

Het leven is er grotendeels uitgeknepen, toch gelooft Verdaas dat de delta zoals we die van vroeger kennen nog ergens voortleeft. ‘De delta is een levend systeem’, zegt hij in zijn toespraak. Hij pleit er daarom voor ‘weer met het getij te gaan werken’ om zodoende niet alleen de achteruithollende biodiversiteit te herstellen, maar ook een antwoord te hebben op de stijgende zeespiegel. De dynamiek van het tij moet dus terugkeren, maar die terugkeer is alleszins vanzelfsprekend. Hij staat haaks op een ingesleten mentaliteit die de invloedsfeer van het water juist wil inperken uit angst voor overstromingen. 

Wanneer Verdaas op het congres spreekt over de noodzaak van wisselpolders, buitendijkse gebieden die opzettelijk worden opengelaten voor periodieke overstroming, struikelt hij bijna over zijn eigen woorden. De nieuwe nationale visie stuit hier op lokaal verzet en ongemak die door Verdaas enigszins lacherig worden weggewuifd. Vooral in Zeeland liggen begrippen als ontpolderen en wisselpolders gevoelig, omdat die raken aan trauma’s voortkomend uit de Watersnoodramp. De provincie heeft zich onlangs zelfs uitgesproken tegen elke vorm van ontpoldering.

De grootste uitdaging voor de nieuwe deltavisie is niet technisch van aard, maar cultureel. Een culturele transformatie is nodig, maar hoe die tot stand moet komen is nog onduidelijk

De grootste uitdaging voor de nieuwe deltavisie is dus niet technisch van aard (we beschikken vooralsnog over voldoende kennis om een significante zeespiegelstijging het hoofd te bieden), maar cultureel. Een culturele transformatie is nodig, maar hoe die tot stand moet komen is nog onduidelijk. Verdaas zelf zegt dat hij ‘een nieuwe werkelijkheid aan het definiëren’ is.  Maar hoe zorg je ervoor dat die nieuwe werkelijkheid breed wordt gedragen? En hoe biedt die ruimte aan oude ervaringen en angsten die doorwerken, en aan lokale verschillen en tegenstrijdigheden die wellicht niet stroken met de uitgezette visie van bovenaf?

Een aantal recente publicaties werpt een licht op deze vraag: Relationality (2024) van Arturo Escobar, Michal Osterwell en Kriti Sharma; Reporting the Delta (2025) onder redactie van Carissa Champlin, Luca Iourio en Sophia Arbara; en Water Works (2025) onder redactie van Henriëtte Waal en Clemens Driessen. Deze boeken proberen een (water)wereld voor te stellen die teruggrijpt op wat door vooruitgangsdenken verloren is gegaan. In zekere zin zijn het allemaal boeken over rouw. Op hun eigen manier zoeken ze naar manieren waarop rouw en emoties van angst en verlies ruimte kunnen krijgen in de inrichting van het landschap. Het boek Zeeuwse zeeweringen (2023) van Jeanine Dekker zorgt daarbij voor een Zeeuwse context.       

Mythen en moderniteit

Een zin die meermaals door Relationality klinkt komt van schrijver en filosoof Sylvia Wynter: ‘Dat wat we gemaakt hebben, kunnen we ontmaken’. Escobar, Osterweil en Sharma gebruiken die woorden om zichzelf eraan te blijven herinneren dat verandering mogelijk is. Met weemoed kijken de auteurs terug naar een premoderne tijd, een tijd waarin de mens zichzelf nog niet als heerser over de natuurlijke wereld zag en die natuurlijke wereld nog niet monddood was gemaakt. 

Dat veranderde rond de zestiende eeuw, toen in Europa een modern en zogenaamd rationeel denken opkwam dat de wereld ordende en inrichtte aan de hand van tweedelingen als mens/natuur, lichaam/geest, subject/object, wit/zwart, leven/dood, land/water en daar een bepaalde hiërarchische rangschikking aan toevoegde: de natuur bestond ineens los van de mens, was levenloos en kon daarom door de mens worden beheerst en uitgebuit. Het wereldbeeld dat daaruit voortkwam is inmiddels zo vanzelfsprekend en alledaags geworden, dat we soms vergeten dat het ook anders kan. 

Met hun boek presenteren Escobar, Osterweil en Sharma een stappenplan om dit het moderne en rationele denken te breken, met als doel de wereld anders in te richten. Niet aan de hand van tweedelingen, maar door erop te wijzen dat we onlosmakelijk verbonden zijn, met elkaar en met de wereld om ons heen. 

De eerste stap is een oproep om te herinneren dat we leven in mythen, in maaksels van onze eigen hand. Mythen moeten hier niet worden gezien als onware fabeltjes, maar eerder zoals Giambattista Vico ze typeerde: als interpretaties van de wereld door emoties en verbeelding. Denk bijvoorbeeld aan de mensen die vroeger natuurverschijnselen als de bliksem waarnamen en er een godheid aan verbonden. Die god bestond niet daadwerkelijk (ook al dacht men dat wel), maar ging als verzinsel de werkelijkheid bepalen: de angst voor een onvoorspelbare bliksem werd getemd door bepaald gedrag (rituelen en gebruiken) dat in een betekenisvol kader werd geplaatst. Of zoals Claude Lévi-Strauss eens schreef: ‘Mythen denken in de mensen zonder dat zij – de mensen – het weten’.  

Met weemoed kijken Escobar, Osterweil en Sharma terug naar een tijd waarin de mens zichzelf nog niet als heerser over de natuurlijke wereld zag.

Het moderne denken hekelt het mythische, omdat het uitgaat van de tweedeling waar/onwaar. Het moderne subject denkt de wereld te kennen en te doorgronden, aangezien die wereld zich op een afstand bevindt (een afstand die in werkelijkheid denkbeeldig is). Het mythische denken is meer verbonden met de wereld: onze emoties en onderbuikgevoelens kleuren ons begrip van de wereld om ons heen, en elementen uit de natuurlijke wereld dringen zich op aan onze betekeniswereld en geven het menselijke zodoende mede vorm. Escobar, Osterweil en Sharma herinneren ons eraan dat ook het moderne denken hier niet aan ontkomt. De waarheden die het predikt zijn niet van buitenaf gegeven, maar zijn door onszelf gefabriceerde maaksels.   

Veiligheid

Als we kijken naar de Deltawerken, dan is het geen verrassing dat het verdedigingssysteem een maaksel is van onze eigen hand. Juist het feit dat het gewone mensen (arbeiders, aannemers en ontwerpers) waren die het voor elkaar kregen om hele zeearmen af te sluiten en een landschap naar de hand te zetten, draagt bij aan mythische beeldvorming rondom het Nederlands vernuft en een Nederlandse ondernemingsgeest. 

In Zeeuwse zeeweringen richt Dekker zich juist op het beunwerk aan de grond. Ze toont hoe de werkzaamheden van de gewone mensen door media en overheid werden opgenomen en opgeblazen in een ‘koor van vooruitgang en onbegrensde mogelijkheden’: ‘de toonzetting was er een van gevecht, strijd en het water als vijand’. De arbeider die aarde in de zee schepte of de woeste baren temde met een zinkstuk werd een icoon van trots en bravoure. 

We moeten ons herinneren dat we leven in mythen, in maaksels van onze eigen hand. Mythen moeten hier niet worden gezien als onware fabeltjes, maar eerder zoals Giambattista Vico ze typeerde: als interpretaties van de wereld door emoties en verbeelding.

Deze mythologiseringen doen niets af aan de enorme prestatie die deze mensen vaak onder erbarmelijke omstandigheden tot stand brachten, maar ze tonen hoe hun werk onderdeel ging uitmaken van een verhaal gestoeld op tweedelingen, waarin het water als een buitenstaander werd gezien en de mens als heerser over de natuur. Daarbij moeten we niet vergeten dat het Deltaplan een antwoord was op een gruwelijke overstromingsramp die bijna tweeduizend mensen het leven kostte: ‘Zoiets mocht nooit meer gebeuren’. En alles was geoorloofd om ervoor te zorgen dat zo’n catastrofe niet een tweede keer zou plaatsvinden: de Deltawerken zouden de zee op afstand houden en de veiligheid van de Nederlandse kust garanderen.

De hardnekkigste mythe van de Deltawerken is deze veiligheid, zo onderschrijft ook Dekker: ‘De gedachte dat Zeeland daarmee veilig zou zijn, werd al snel ingehaald door de tijd’. Het Deltaplan was niet bedacht op een toekomstige zeespiegelstijging en de benadering van de natuur als vijand was gestoeld op een misvatting. Een recente studie van het Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) toont op basis van historische kaarten namelijk dat de aanwezigheid van schorren tijdens grote stormen in 1717 en 1953 zowel de kans op een dijkdoorbraak als de impact van een doorbraak verkleinen. Gebieden onder invloed van getijdenwerking beschermen ons dus tegen stormen en hoge waterstanden. 

Juist het feit dat het gewone mensen (arbeiders, aannemers en ontwerpers) waren die het voor elkaar kregen om hele zeearmen af te sluiten en een landschap naar de hand te zetten, draagt bij aan mythische beeldvorming rondom het Nederlands vernuft en een Nederlandse ondernemingsgeest.

Met het uitbannen van het tij hebben de Deltawerken ons land daarom niet veiliger gemaakt, maar eerder kwetsbaar, omdat ze weinig bewegingsruimte bieden met het oog op klimaatverandering. Toch blijven de Deltawerken symbool staan voor veiligheid, voor een overwinning op het water.

Puurheid

In Water Works beschrijven Waal en Driessen hoe we in de greep worden gehouden door moderne opvattingen van water: ‘We hebben specifieke watersystemen geërfd die ook de infrastructuur van ons denken bepalen’. Hun boek is een poging om ‘de abstracties rond “modern water” te ontleden’. Een van de abstracties die veelvuldig in het boek terugkomt is het verlangen naar ‘puurheid’. Dat verlangen komt bijvoorbeeld tot uiting in de vanzelfsprekendheid waarmee we schoon water uit de kraan verwachten, waardoor het idee in stand wordt gehouden dat water een product is dat we hebben getemd en dat probleemloos tot onze beschikking staat. 

Het verlangen naar puurheid wordt in Water Works gelinkt aan een dualistisch denken zoals we dat ook in Relationality zien: ‘Om deze puurheid en de daarmee samenhangende ordering van de wereld te bereiken, is het nodig om categorieën te scheiden en de wildgroei van onzuivere vormen te beteugelen’. Ook het verlangen naar dammen, keringen en dijken kan worden gezien als een vorm van purificatie. Het water wordt als een buitenstaander opgevoerd, beteugeld achter een muur die het mogelijke gevaar buiten beeld (en daarmee buiten ons hoofd) houdt. Voor onzuivere landschapsvormen waarin het water en het land in elkaar overlopen is geen ruimte. 

Doordat we denken dat we het water volledig hebben buitengesloten, vergeten we dat water een potentiële bron van gevaar is die onze aandacht, tijd en vooral ook ruimte verdient. We zijn vergeten om bang te zijn, omdat we onzekerheid en kwetsbaarheid hebben willen verbannen uit het landschap. En dit is precies wat we ons moeten herinneren: herinner dat het gevoel van veiligheid een mythe is, herinner dat een zuivere scheiding tussen ons en het water een mythe is en herinner dat we ooit bang waren voor het water. 

Stervensretoriek

Een tweede stap in het ontmaken of ontdenken van de Deltawerken, en zijn geïnternaliseerde beelden van veiligheid en vooruitgang, ligt volgens Escobar, Osterweil en Sharma in het maken van keuzes. Ze waarschuwen daarbij dat we niet het wiel opnieuw moeten willen uitvinden. Want zelfs als we proberen een alternatieve toekomst te kiezen, vinden we onszelf vaak onbedoeld verstrikt in het dominante verhaal waartegen we ons verzetten. Ook bij de keuzes die we nu maken, moeten we daarom oog hebben voor het verleden: voor het moment waarop de keuze voor de Deltawerken nog geen vanzelfsprekende was; voor de stemmen die ook vroeger al hun zorgen en angsten uitten over het Deltaplan. 

Met het uitbannen van het tij hebben de Deltawerken ons land daarom niet veiliger gemaakt, maar eerder kwetsbaar, omdat ze weinig bewegingsruimte bieden met het oog op klimaatverandering. Toch blijven de Deltawerken symbool staan voor veiligheid, voor een overwinning op het water

Escobar en co. duiden zulke stemmen als ontological slippages: verhalen, idealen, zienswijzen en leefstijlen die buiten het dominante verhaal vielen en die daarom ten dode waren opgeschreven. De vooruitgang heeft hen als het ware uitgewist, hun een plaats in het heden en in de toekomst ontnomen. Het gevoel ten dode te zijn opgeschreven duikt meermaals op in twintigste-eeuwse kritieken op de afdammingen in de Zeeuwse delta. 

In Zeeuwse zeeweringen beschrijft Dekker een tegengeluid dat klonk tijdens de afsluiting van de zeearm de Braakman: vlaggen werden halfstok gehangen en er werd gerouwd om het verlies aan ongerepte natuur. Weemoedige krantenartikelen spraken van een ‘stervende Braakman’ waarbij ‘de strop was aangebracht en dichtgesnoerd’. Diezelfde retoriek  van verstikking klinkt vandaag de dag door in de woorden van de Deltacommissaris om zijn nieuwe Deltavisie kracht bij te zetten. Toch zit er een verschil in de stervensretoriek van toen en nu. Destijds waren het vooral stemmen van onderop, die een gevoel uitten van uitgewist te worden door iets dat groter was dan zijzelf en waar niet tegenop te boksen viel. 

In 1990 publiceerden Kees Slager en Paul de Schipper het boek Vissers verhalen over hun leven in de delta, waarin Zeeuwse vissers ervaringen en herinneringen delen over hun vroegere leven in de delta. De Deltawerken zouden de leefomgeving van deze vissers drastisch veranderen en hun beroep en leefwijzen onmogelijk maken. Zij kwamen in verzet en organiseerden onder meer protestvaarten tegen de afsluiting van de Oosterschelde, waarbij ze de vlaggen van hun schepen halfstok lieten hangen. ‘Open is leven, sluiten is dood!’ stond er op de zijkanten van de vissersschepen. Ook in Bruinisse uitte men kritiek op de Grevelingendam, maar de vissers voelden zich niet gehoord: ‘Je moest jezelf maar overgeven, want je legt toch het loodje’. Ook in Stellendam klonk dit sentiment: ‘Ach jongen, als klein vissertje tegen Rijkswaterstaat had je toch niks te zeggen. Die ging gewoon door, die ontzag niks en niemand’. In Yerseke trok men de Haagse bezorgdheid over de veiligheid van de eilanders in twijfel: ‘Maar dat Rijkswaterstaat zo begaan was met onze veiligheid, was allemaal schijnheiligheid. Rijkswaterstaat wou dat prestigeproject maken, want wat voor eer is er nou te behalen aan het ophogen van dijken’. 

Ook toentertijd heerste dus al het sentiment dat de Deltawerken Zeeland niet echt veilig maakten en dat het veiligheidsgevoel onderdeel was van een nationale mythevorming. Alleen werden de zorgen toen juist geuit van onderaf. En er werd niet of nauwelijks naar geluisterd. De Deltacommissaris lijkt nu eenzelfde beweging te maken. Zijn pleidooi voor meer biodiversiteit en minder monocultuur biedt weinig ruimte voor sociale diversiteit en culturele tegenstrijdigheden. De zorgen van Zeeuwen die ageren tegen dreigende ontpoldering worden van de hand gewezen. 

Herontwerpen

Dit brengt ons bij de derde en laatste stap die Relationality zet richting een alternatieve toekomst: hermaken. Het herontwerpen van de wereld moet volgens Escobar, Osterweil en Sharma altijd op lokaal niveau gebeuren. Er moet ruimte zijn voor tegenstrijdige visies en denkbeelden. 

Ook de auteurs van Water Works onderschrijven dit: ‘het aannemen van een vanzelfsprekend “wij” brengt het risico met zich mee dat verschillen, ongelijkheden en blootstelling- en wanhoopniveaus worden uitgewist’. Sociale verschillen moeten meer ruimte krijgen. Water Works spreekt daarom van een eco-sociale benadering. Wat erop neerkomt dat lokale gemeenschappen actiever worden betrokken bij de inrichting van en het zorg dragen voor hun nabije leefomgeving. In plaats van optimistische beloften van een veilige toekomst biedt eco-sociaal ontwerp een ‘gedeelde ruimte om de psychologische en emotionele gevolgen van het leven met constante, vaak onzichtbare, gevaren de ruimte te geven’. 

Op een soortgelijke wijze onderstreept Reporting the Delta het belang van een emotionele connectie met de leefomgeving. Een nieuwe Deltacultuur komt volgens de auteurs voort uit een vorm van eco-empathie die enkel van onderaf kan worden gevoeld: ‘kustverdediging, natuurbehoud, herstel en ruimtelijke ontwikkeling moeten daarom verplaatst worden uit de gesloten domeinen van technische expertise naar het gedeelde publieke domein’.

Hoe mooi en waardevol de benaderingen van deze drie boeken ook zijn, hun gepresenteerde stappenplannen voor een andere wereld blijven enigszins hangen in abstracte ontwerptaal.

Maar hoe mooi en waardevol de benaderingen van deze drie boeken ook zijn, hun gepresenteerde stappenplannen voor een andere (omgang met de) wereld blijven enigszins hangen in abstracte ontwerptaal en een vertaalslag naar de praktijk is daardoor niet altijd even vanzelfsprekend. Dit is misschien niet zo heel gek, aangezien alle drie de boeken zich onttrekken aan van bovenaf opgelegde richtlijnen en hameren op het belang van plaats-specifieke eigenaardigheden. 

Ruimtelijke kwaliteit

Toch, als het om de inrichting van ons (water)landschap gaat, wordt er van bovenaf wel degelijk ruimte geboden aan lokale inbrengen, want ook onder bestuurders die zich bezighouden met waterveiligheid is er een groeiende behoefte aan een betere afstemming van nationale, regionale en lokale perspectieven. In de praktijk van ons waterbeleid is de culturele, emotionele en historische dimensie van landschapsontwikkeling ondergebracht in het concept ‘ruimtelijke kwaliteit’, dat is vastgelegd in de Omgevingswet. Daaronder vallen onder meer de belevingswaarde, gebruikswaarde, herkomstwaarde en toekomstwaarde van een specifieke plek. In hedendaagse inrichtingsdiscussies ligt de nadruk vooralsnog veelal op de gebruikswaarde, omdat daar economische belangen als toerisme en recreatie onder vallen. De emotionele connectie met de omgeving krijgt wel steeds meer aandacht onder de noemer belevingswaarde en herkomstwaarde. 

In de Ruimtelijke kwaliteitsaanpak van het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening uit 2024 worden burgers opgeroepen om zelf zorg te dragen voor hun leefomgeving: ‘Hoe meer ze betrokken worden in de beleidsvorming en projectontwikkeling, hoe groter de kans op het realiseren van kwaliteit’. In essentie is ruimtelijke kwaliteit een begrip dat heen en weer kan bewegen tussen de boven- en onderlagen van onze bureaucratie, maar het draagt ook een risico in zich: het is namelijk gedefinieerd in termen als ‘schoonheid’, ‘eigenheid’, ‘identiteit’ en ‘cultuurhistorie’, zonder dat duidelijk wordt gemaakt hoe bestuurders, laat staan burgers, die termen kunnen staven. Het gevaar bestaat dus dat het concept bewust vaag en ambigu wordt gehouden, zodat men kan zeggen er rekening mee te hebben gehouden zonder dat er daadwerkelijk iets concreets mee gebeurt. 

Door burgers aan te sporen zich te mengen in de vormgeving van hun leefwereld, kan een gevoel van nabijheid worden aangewakkerd en een gevoelde afstand tot het water kan zo worden opgeheven.

In lijn met de inzichten uit Relationality, Water Works en Reporting the Delta zou het waardevol zijn om het concept ruimtelijke kwaliteit juist meer van onderaf op te eisen en ambigue begrippen als ‘eigenheid’, ‘identiteit’ en ‘historie’ samen met burgers die aan de kust of langs de rivieren wonen aandachtiger te definiëren. Welke plaatsspecifieke geschiedenissen associëren mensen met het waterlandschap? Hoever kijken mensen vooruit als ze aan hun leefomgeving denken? Welke ervaringen, beelden en emoties kleven aan de verscheidene deltagebieden? En hoe beïnvloeden deze emoties de verwachtingen die men heeft van de overheid en van de inrichting van het landschap? 

Op het eerste gezicht lijken zulke vragen een gestroomlijnde culturele transformatie vooral in de weg te liggen, aangezien ze ongetwijfeld zullen zorgen voor meer diffusie en een minder gestroomlijnde uitwerking van nieuw beleid. Maar door concreter te worden en burgers aan te sporen zich te mengen in de vormgeving van hun leefwereld, kan een gevoel van nabijheid worden aangewakkerd en een gevoelde afstand tot het water kan zo worden opgeheven. Mensen worden enerzijds gevraagd het water en de daarbij gepaarde onveiligheden en onzekerheden onder ogen te komen, om water niet enkel als nut te zien maar ook als mysterie, en anderzijds stimuleert het een gevoel van eigenaarschap omdat het landschap in mindere mate door onzichtbare machten van boven wordt ingedeeld en bestuurd. De zoektocht naar verbinding met het water zal ongetwijfeld leiden tot discussies, tegenstrijdigheden en onzekerheden, maar waterveiligheidsmaatregelen kunnen pas echt duurzaam zijn als ze worden gesteund en gevoeld door de gemeenschappen waar ze op van toepassing zijn.