Advertentie
Banner DBNG 2026 #2

Vervreemding en haar (mogelijke) antipode

In tijden van polarisatie, leegte en vervreemding zoeken we naar verbinding en resonantie. Psycholoog en filosoof Bert van den Bergh bespreekt vier boeken die alternatieven bieden voor hedendaagse vervreemding, maar vraagt zich af of die werkelijk overtuigen.

Besproken boeken

Het begrip vervreemding is terug van weggeweest. Een halve eeuw geleden begon het in kritische kringen uit de gratie te raken, omdat het ‘essentialistisch’ zou zijn. Vervreemd waarvan, zo vroeg men zich af, van ‘de menselijke natuur’? Hoe wordt deze dan bepaald, is dat niet een heel westerse of eurocentrische bepaling? Exit ‘vervreemding’ als steekwoord. Aan het begin van dit millennium echter – niet toevallig in Frankfurt – kwam een Zwitserse filosoof op andere gedachten. Dat was Rahel Jaeggi, die haar proefschrift uit 2001 wijdde aan een rehabilitatie van het aloude begrip. Vijf jaar later werd de invloedrijke publieksversie van de dissertatie gepubliceerd: Entfremdung. Zur Aktualität eines sozialphilosophischen Problems (2005). Vervreemding, zo opperde Jaeggi, moet niet begrepen worden vanuit een gefixeerde menselijke kern, maar vanuit een basale, inhoudelijk open relationaliteit. Zo trad vervreemding naar voren als ‘betrekking van betrekkingloosheid’, dus niet als het ontbreken van betrekking, maar als betrekking die grondig verstoord is. De ook in Nederland welbekende socioloog/filosoof Hartmut Rosa baseert zich in zijn magnum opus Resonanz (2016) mede op Jaeggi. Als antipode van vervreemding treedt bij hem ‘resonantie’ naar voren: een betrekking waarin de betrokken polen met eigen stem spreken, open staan voor elkaars eigenheid en bereid zijn zich door de betrekking te laten veranderen.

Het begrip vervreemding is terug van weggeweest. Een halve eeuw geleden begon het in kritische kringen uit de gratie te raken, omdat het ‘essentialistisch’ zou zijn. Vervreemd waarvan, zo vroeg men zich af, van ‘de menselijke natuur’?

Relationaliteit als wezen van de mens speelt een hoofdrol in alle vier hier besproken boeken. Socioloog, filosoof en journalist Seppe De Meulder verwijst in Waarom alles zo leeg voelt. Over vervreemding (2025) zowel naar Jaeggi als naar Rosa. In Nieuwe vervreemding. Hoe technologie onze wereld betovert (2024) noemt Roland van der Vorst – hoofd Innovatie bij de Rabobank en voormalig hoogleraar Strategic Design for Brand Development – Rosa slechts één keer (al heet hij daar geen Hartmut maar Helmut), maar geeft hij verbondenheid eveneens een centrale plek. Dat is ook het geval in Leuk! Pleidooi voor plezier (2025), waarin mediawetenschapper Linda Duits expliciet aansluit bij Rosa’s resonantiebegrip. In Wachten. Een levenshouding (2025) van Dirk De Wachter komen we Rosa niet tegen, maar voor de Vlaamse psychiater – vertrekkend vanuit Levinas – is verbinding met de anderen of de Ander evenzeer het kernpunt. Het ‘theatercollege’ dat De Wachter afgelopen september in Nijmegen gaf, werd aangekondigd met het oog op de vraag ‘waarom we ons steeds meer vervreemd voelen van onszelf en de ander’.

Vanwaar al deze aandacht voor het thema vervreemding als antipode van verbinding? Dat zal samenhangen met de aard van ons tijdsgewricht, waarin onverminderd een sterk beroep wordt gedaan op het vermeend autonome, productieve individu. De tijdelijke zijdelingse aandacht voor ‘menselijke maat’ en ‘bestaanszekerheid’, zo schreef de Volkskrant vlak na de presentatie van het regeerakkoord van kabinet-Jetten I, maakt weer volop plaats voor ‘ouderwets activeren’. In het te vermoeden verlengde daarvan geeft het onlangs gepubliceerde SCP-rapport Sociaal Culturele Ontwikkelingen 2026 aan dat ons vertrouwen in de medemens verder afneemt en dat angst- en depressiegevoelens krachtig tieren. We voelen ons niet safe. Het is te zeer ieder voor zich, we missen verbinding. Maar wat is dat laatste dan precies? Deze vier auteurs gaan ieder op eigen wijze nader in op die vraag.

Wat doet vervreemding met ons?

Zoals gezegd sluit De Meulder aan bij Jaeggi’s opvatting van vervreemding. Hij wil niet zozeer duidelijk maken wat vervreemding is, zo geeft hij aan, maar wat die doet. Als startpunt en ijkpunt in zijn betoog kiest hij daarom een pijnlijke, persoonlijke ervaring: een moment van diep leegtegevoel midden in feestgedruis. En juist in die toestand kruist zijn blik die van iemand die wel iets te vieren heeft. Daarmee opent zich voor hem heel even een andere dimensie, een andere tijd, ‘een tijd waarin timing alles is’. Hij laat het echter passeren. Wat is er gebeurd? Ging de liefde van zijn leven zojuist aan hem voorbij? Maar nee, dit alles was niet echt, want De Meulder heeft in de inleiding van het boek een fictief personage ingevoerd: Jef, mislukt wielrenner en geslaagd fietsenmaker. Een gevaarlijke manoeuvre, want als De Meulder in de epiloog nog eens benadrukt dat Jef niet bestaat ‘en het eigenlijk wel meevalt met al die drank’, ga je je als lezer afvragen of het met zijn gedachten over vervreemding en verbinding niet ook meevalt, of juist tegenvalt, omdat ze gebaseerd zijn op verzonnen situaties en ervaringen. Hoe dan ook, wat vervreemding volgens De Meulder doet, zo tracht hij hier te tonen, is verstoring van verbinding, en daarmee van vrijheid. Vervreemding voelt als verlies van vrijheid, maar bestaat in verstoorde verbinding. De grote paradox daarbij is dan deze: ‘Hoe meer we onze onderlinge afhankelijkheid ontkennen, hoe meer we onze vrijheid verliezen.’

Als De Meulder in de epiloog nog eens benadrukt dat Jef niet bestaat ‘en het eigenlijk wel meevalt met al die drank’, ga je je als lezer afvragen of het met zijn gedachten over vervreemding en verbinding niet ook meevalt, of juist tegenvalt.

Wat die vrijheid betreft komt De Meulder nogal zoekend over. Er treedt een gedachtenkluwen naar voren van Sartre, Heidegger, Kant, Hegel en Berlin. ‘Er is eerst de blik van de ander’, schrijft hij, en die blik is ‘objectiverend’. Maar op het eerder aangehaalde feestmoment, midden in de vervreemding, gebeurde juist het tegendeel. Er opende zich een andere dimensie, een andere tijd, een andere timing. En om die meer primaire dimensie draait het bij De Meulder. Waarom dan steeds maar weer bij Sartre buurten? Er volgt een nieuwe kluwen, een mix van Sartre, De Beauvoir, Marx en Von Redecker. De ‘serieuze mens’ en de ‘ironische mens’ worden tegenover elkaar geplaatst als twee vormen van ‘kwade trouw’. Men ontloopt verantwoordelijkheid door doeleinden te serieus respectievelijk niet serieus genoeg te nemen. Er is evenwel een derde weg: ‘Samen met de ander de wereld doorheen de levende activiteit die we arbeid noemen te veranderen.’ De gedachten die hier over arbeid in brede zin worden geformuleerd, in relatie tot het denken van Marx, zijn nauw verwant aan die van Eva von Redeckers Revolution für das Leben (2020; Nederlandse vertaling 2025, zie recensie dNBg 11/1). Ze had daarom een prominentere plaats verdiend in dit boek. Hetzelfde geldt overigens voor Jaeggi.

Ruim over de helft van het boek wordt het echt persoonlijk: ‘Ik heb ADHD’, zo lezen we daar. De psychiater (die van Jef, of toch die van Seppe?) heeft het geconstateerd. Er wordt ritalin voorgeschreven. Maar dat die pillen werken, lost niets op. Integendeel: ‘Ze doen me nog meer op een robot lijken.’ Het punt dat hij hier maakt is (al te) duidelijk: ‘Kunnen we ook over menselijke mentale problemen zeggen dat ze het gevolg zijn van de omstandigheden waarin we leven?’ Het is een punt, zo zullen we straks zien, dat hij ook tegen De Wachter inbrengt in een recensie van diens Wachten. Een levenshouding. In zijn epiloog waarschuwt De Meulder dat we ons niet moeten beperken tot een kritiek op de ongelijke verdeling van middelen. Deze maakt namelijk deel uit van een veel fundamenteler probleem, namelijk vervreemding: ‘De grote omkering van doel en middelen die ons onze vrijheid ontneemt om ons leven zelf vorm te geven.’ Toch weer Sartre die hier meespreekt? Nee, eerder Rosa: ‘Bevrijding die begint met ervaringen van resonantie, met verbinding met onszelf, de wereld en elkaar.’ Niks ‘blik van de ander’ dus, die ons bovenal parten zou spelen.

Het blijft allemaal wat zoekerig. Coherenter en pakkender wordt het als De Meulder minder spreekt via theorieën van anderen. Er zijn bijvoorbeeld mooie passages over vriendelijkheid in het café, over een ontmarkting-experiment in Mondragon en over het ‘we teach life, sir’ van de Palestijnse dichteres Rafeef Ziadah. Jammer is het dan weer dat De Meulder daar naar (neo)liberale termen als ‘veerkracht’ en ‘kracht van kwetsbaarheid’ grijpt.

Vervreemding en technologie

Nieuwe vervreemding, zo luidt de titel van Roland van der Vorsts bundel, een selectie uit zijn columns voor het Financieele Dagblad. Wat zou dan de oude zijn, vraag je je meteen af. Dat is even zoeken in deze bonte collectie van 77 columns. Van der Vorst heeft het over de ‘grote verschuiving van het denken’ die Copernicus destijds teweegbracht, met dan nu ‘een schok die misschien wel even ingrijpend is’, namelijk ‘afscheid nemen van het idee dat het individu het centrum van de wereld is’. Hiermee verbonden is Van der Vorsts voorspelling dat technologie ‘een nog diepere inbreuk [zal] maken op ons idee van de vrije wil’. En daarin schuilt de ‘betovering’ waarvan de ondertitel van het boek spreekt. De bundel opent met een column over deze vermeende betovering. De hedendaagse technologie zou ‘een romantische levenshouding’ voeden, dat wil zeggen ‘een behoefte om op te gaan in een groter gevoel’. Dit gebeurt, aldus Van der Vorst, als reactie op ‘het cultureel gesternte van de individuele vrijheid, een typisch verlichtingsideaal’. De geschiedenisgang corrigeert zichzelf, zo lijkt de hoofdgedachte hier. Met de toevoeging: wen er maar aan!

Het individu boet aan belang in, we verkeren in een kentering naar een relationaliteit die niet meer ‘een instrumentele verbinding tussen eenheden’ inhoudt, ‘maar verbondenheid met het geheel’. Heel romantisch, ben je dan geneigd te roepen.

De columns werden deels of goeddeels geconcipieerd in coronatijd, iets waarvan ze duidelijk de sporen dragen. Presentatie los van die context zonder nadere toelichting in de inleiding, zoals nu is gebeurd, verleent ze nogal eens het karakter van ‘de wens is de vader van de gedachte’. Van der Vorst signaleert een flinke hoeveelheid tendensen en tegenbewegingen, waarbij de grens tussen feitelijk en mogelijk onscherp is. Maar goed, het zijn columns, daarin mag je wat proberen, als ze maar tot gedachten inspireren door een geslaagde vorm en pittige pointe. Maar ook daar schort het meermaals aan. Vaak sluit Van der Vorst af met een losstaand zinnetje, een beproefd recept bij een column. Maar niet zelden mist dat zinnetje de vereiste slagkracht. Of het stukje eindigt juist met een dusdanig lange alinea, dat de columndynamiek niet eindigt met een fraaie tik maar met een vage sisser.

De gesignaleerde tendensen en tegenbewegingen hebben vaak van doen met wat voor Van der Vorst eveneens antipode van vervreemding is: verbinding. Zijn opvatting daarvan is mede (zen)boeddhistisch geïnspireerd. Hij schrijft: ‘Wie langer mediteert ervaart een diepe verbondenheid met de wereld om zich heen.’ Andere steekwoorden bij hem in dit verband zijn openheid, overgave en loslaten. Vanuit zijn eigen vak gedacht betekent dat dan vooral risico durven nemen, maar ook zich juist minder richten op de korte termijn: ‘Wie een langetermijnperspectief heeft, zal zijn wereld groter maken (…) en zal dus eerder naar het collectief kijken.’ En dat laatste is geboden, aldus de columnist, want een van de hoofdvragen van vandaag is ‘hoe technologie ons [kan] helpen om het collectieve belang te behartigen’. Het goede nieuws zou dan zijn dat die gewenste verbondenheid eraan komt. Het individu boet aan belang in, we verkeren in een kentering naar een relationaliteit die niet meer ‘een instrumentele verbinding tussen eenheden’ inhoudt, ‘maar verbondenheid met het geheel’. Heel romantisch, ben je dan geneigd te roepen.

Omstreden plezier

Het antwoord op de vraag wat het tegendeel van vervreemding is, zou ook kunnen luiden: in je element zijn. En als je in je element bent, heb je plezier. Ziedaar het vertrekpunt van Leuk! Een pleidooi voor plezier. Maar heeft dat plezier dan een pleidooi nodig, zo vraag je je van tevoren af. Alles in onze ‘consumptiemaatschappij’ is er immers op gericht de consument te pleasen. Over dat thema is al veel geschreven. Men kan denken aan Die Erlebnisgesellschaft van socioloog Gerhard Schulze (1992). Of, veel eerder al, La société du spectacle van ‘situationist’ Guy Debord (1967) en het overbekende One-Dimensional Man van filosoof Herbert Marcuse (1964). Die werken laat Duits echter links liggen. Wel gaat ze kort in op Neil Postmans Amusing Ourselves to Death (1985) en op een hoofdstuk uit het befaamde Dialektik der Aufklärung (1944) van filosofenduo Theodor Adorno en Max Horkheimer. Gezien de toenmalige context wil Duits die laatsten hun pleisure-bashing wel vergeven, maar bij de eerste auteur doet ze dat niet. Ze wil zich in dit boek verzetten tegen de link tussen ‘vermaak en verval’, die ze niet alleen bij vele theoretici tegenkomt, maar die ook onze hedendaagse levenspraktijk als geheel, met haar ‘protestantse inborst’, krachtig zou tekenen. ‘Plezier is omstreden’, schrijft ze. ‘Plezier heeft een minderwaardigheidscomplex.’

Dat de duivel uiteindelijk het onderspit delft, is voor Duits een uitgemaakte zaak. En die duivel is niet de pretbrenger maar de partypooper.

Duits werpt zich op als pret-emancipator, of sterker nog: als evangelist van het ware plezier. Zie de titels van het eerste en laatste hoofdstuk: ‘Plezier is goed’ en ‘Plezier wint’. Dat de duivel uiteindelijk het onderspit delft, is voor Duits een uitgemaakte zaak. En die duivel is niet de pretbrenger maar de partypooper. Ze citeert ‘plezierkundige’ Mirella Klomp, theoloog en predikant, die Genesis aanhaalt: ‘God zag dat het goed was. Dat betekent voor mij ook “God had er plezier in”.’ Plezier is basaal en tegelijk divers. ‘Laat iedereen in hun waarde’, schrijft Duits, en presenteert daarmee haar hoofdboodschap.

Weliswaar is het niet alles goud wat er aan plezier blinkt, licht ze ook toe, maar in haar betoog overheerst veruit de emancipatoire toon. Die acht ze geboden, omdat schuld, schaamte en spijt – de ‘drie gemene stiefzuSSSen’ – nog steeds ons leven zouden beheersen. Alsof de sixties nog moeten aanbreken. En is er werkelijk geen ruimte voor plezier in wetenschap en journalistiek, zoals Duits beweert? Is onderzoek naar entertainment altijd negatief ingestoken? Dan gaat ze voorbij aan een groot deel van wat er in cultural studies gebeurt. Denk bijvoorbeeld aan Ien Angs Watching Dallas, een trendsettende studie uit 1985 van een Nederlands onderzoeker, waarin het plezier van het soapkijken het uitgangspunt vormde. Of denk aan de aanstelling in 1998 van ‘popprofessor’ René Boomkens, een filosoof met een hartstochtelijke liefde voor popmuziek. En zie socioloog/filosoof Hartmut Rosa, op wiens resonantiebegrip Duits zich mede baseert, die met When Monsters Roar and Angels Sing (2023) als liefhebber van heavy metal een apologie van die muziek afleverde.

Wars van de plezierallergie van oer-Frankfurters Adorno en Horkheimer en verwante theoretici beroept Duits zich vele malen op Rosa, die met zijn lijvige Resonanz naar eigen zeggen toch een poging heeft gedaan de gehele traditie van de Frankfurter Schule of kritische theorie tot synthese te brengen. Net als Rosa deed met resonantie, presenteert Duits plezier als een ‘relationeel concept’. Tegelijk zegt ze er in het begin van het boek bescheiden bij dat Rosa’s project veel verder reikt dan haar plezierpleidooi, maar gaat vervolgens aan dit onderscheid voorbij. Ze verwatert Rosa’s resonantiebegrip en negeert zijn kernonderscheid tussen ‘resonantie’ en ‘echo’, dat ze slechts één keer in het voorbijgaan noemt zonder er nader op in te gaan. Rührung is iets heel anders dan Berührung, stelde Rosa. Anders gezegd: beleving en ervaring zijn twee.

Schuld, schaamte en spijt – de ‘drie gemene stiefzuSSSen’ – zouden nog steeds ons leven beheersen. Alsof de sixties nog moeten aanbreken.

Een van de zeven door Duits uitgefilterde ‘plezierprincipes’ luidt: Plezier kun je maken. Maar maakbaar is het toch ook weer niet echt, stelt ze elders: ‘Plezier is maakbaar, in de zin dat situaties zo in te richten zijn dat plezier erin gedijt.’ Had Duits maar een consequentere scheiding aangebracht tussen maakbaar vertier en resonant plezier, dacht ik bij lezing van dit boek geregeld, vooral bij de vele citaten uit de interviews met professionele pleziermakers die titels dragen als ‘eventmanager’ en ‘attractieconsultant’. Behalve dat ze als plezierhebber haar pret tegen ‘zure zeurders’ wil verdedigen, heeft Duits als sociaal wetenschapper uitdrukkelijk de pretentie plezier nader tot begrip te brengen. Het ontbreekt haar echter aan een heldere visie, waardoor het een fragmentarisch werk is geworden. De commentaren van de hulptroepen – de dertig geïnterviewde plezierkundigen – gaan vele kanten op en Duits beweegt bijna altijd mee. De zeven plezierprincipes die ze uit theorie en interviews destilleert brengen slechts een zweem van eenheid aan.

Had al de observaties van al die plezierkundigen louter inspiratiebron laten zijn, dacht ik na lezing, en had je volledig toegelegd op het thema ‘plezier, politiek en identiteit’, waaraan enkele secties zijn gewijd. ‘Plezier verbindt (…) maar verdeelt ook’, schrijft Duits treffend. Interessante kwesties als wie zich vereenzelvigt met welk plezier en waarom; wat voor culturele of maatschappelijke strijd er om plezier plaatsvindt; wie de poortwachters van het plezier zijn, en hoe ze te werk gaan, schreeuwen om uitdieping. Was het hele boek aan zulke vraagstukken gewijd, vanuit een krachtige en uitgekristalliseerde visie, dan had het een spannender boek kunnen zijn. En plezieriger.

De edele kunst van het wachten

In de eerdergenoemde recensie van Wachten. Een levenshouding die De Meulder voor De Wereld Morgen schreef, overheerst teleurstelling: ‘Het nieuwe boek van Dirk De Wachter lost verwachtingen niet in.’ Welke verwachtingen De Meulder precies had weet ik niet, maar zijn kernpunt is in ieder geval dit: niet zozeer de levenshouding maar de levensomstandigheden zijn het die mensen van het gewenste bedachtzame wachten afhouden, en over zulke omstandigheden zwijgt De Wachter. Een verwant punt dat De Meulder naar voren brengt, omfloerster aangegeven, is dat de ‘gewonigheid’ waar De Wachter naar verwijst en in verwijlt, feitelijk niet zo gewoon is. De psychiater is een bevoorrecht mens. Minder omfloerst gezegd, Hollandser zo u wilt: in weerwil van de Levinas-insteek is het een tamelijk ‘íkkige’ tekst geworden, geschreven door iemand die het goed voor elkaar heeft en dit breed uitmeet. De Wachter roept op tot ‘terughoudendheid, bescheidenheid, nederigheid. Het jezelf niet vooropstellen’, maar dat is zeker niet de grondtoon van dit werk.

Het is nochtans een smakelijk boek geworden. Niet te omvangrijk. Klare taal, kalme toon. Fraaie citaten en een positieve boodschap. Is die boodschap nieuw? Niet echt, zo geeft hij zelf maar al te graag toe, daarbij vaak verwijzend naar zijn vrouw, zoals in een interview met gezondheidsnet.nl: ‘Mijn vrouw is huisarts en zij zegt: “Wat jij allemaal vertelt, dat weet iedereen toch al?” Dat klopt, maar als een professor of psychiater het zegt, zijn mensen gerustgesteld.’ Dat zal het zijn: De Wachter stelt gerust, want als man van de wetenschap kan hij het weten; en bovendien weet hij het kunstig te zeggen.

Herhaaldelijk vertelt Dirk De Wachter ons wat de gewone mens pleegt te doen en plaatst dit dan tegenover wat Dirk De Wachter doet. Dat gaat irriteren.

Degene die hij hier echter bovenal geruststelt, is zichzelf. De Wachter is weliswaar ernstig ziek – zoals hij in dit boek vermeldt en ook elders bekend heeft gemaakt – maar heeft zijn zaakjes fijn op orde en wil ons dat graag laten weten. Een mooie praktijk als psychiater, een aanstelling bij UPC-KU Leuven (die dit jaar eindigt), een bijzonder geslaagd huwelijk, bestsellerauteur sinds Borderline Times (2011), veelgevraagd spreker en gespreksgenoot, met vele vrienden in kringen van denkers, dichters en kunstenaars. Levend in een heerlijk huis, waar hij door schoonheid wordt omringd. En, last but not least, gezegend met een naam die de essentie van het leven uitrukt: wachten. Er zijn wachters en er zijn wachtenden, zo stemt hij in met dichter-vriend Bernard Dewulf: ‘De wachtenden kijken uit naar het komende, de wachters turen naar het nooit komende.’ De laatsten hebben het door, de eersten niet. Meteen aan het begin voorziet hij het wachten van deze wachters van gewicht door te verwijzen naar topdenkers Martin Heidegger en Emmanuel Levinas. Warten ohne Erwartung. En: Attendre sans attendu. Kunnen wachten, zelfs een leven lang. Dat moet je maar kunnen. En durven. De Wachter kan en durft dat, zo laat hij ons veelvuldig weten. Herhaaldelijk vertelt hij ons wat de gewone mens pleegt te doen en plaatst dit dan tegenover wat Dirk De Wachter doet. Dat gaat irriteren. Maar belangrijker nog is het volgende filosofische bezwaar: Heidegger en Levinas doelen met dat woord ‘wachten’ niet op hetzelfde. En zo blijft de boodschap abstract, of mag zelfs banaal heten, want die komt neer op het welbekende ‘geduld is zulk een schone zaak’. Toch valt er tussendoor wel te genieten. Een enkele keer lukt het mooi, als de auteur zichzelf een beetje vergeet, bijvoorbeeld in de beschrijving van een wandeling bij het Canal Saint-Martin in Parijs, in de zomer van 2025. Hij liep zich toen ‘een beetje verloren’ en schrijft zich op papier een beetje kwijt. Deed hij dat maar vaker.