Advertentie
2026-4 – BOOM Banner DNBG voor site

Laconiek leren sterven met literatuur

Als bij schrijver en vertaler Maarten Asscher kanker wordt gediagnosticeerd en hij het medische circuit in gaat, zet hem dat aan tot reflectie op onze sterfelijkheid. In Elke dag doet hij verslag van zijn poging om sterfelijkheid te begrijpen. Volgens Pieter van den Blink – ook schrijver en bekend met de medische wereld – een aangrijpend boek, vol exquise hapjes wereldliteratuur.

Besproken boeken

Op een dag wordt de schrijvende hand beetgepakt door iemand in een witte jas, die met twee vingers op de pols zwijgend begint te tellen. Weliswaar beschikt de eerste de beste huisartsenpost al lang over apparatuur om snel een gedetailleerd totaalbeeld te krijgen van iemands conditie, toch wordt het voelen van de pols nog precies zo gedaan als honderd jaar geleden. 

Sommige dingen blijven. Wat nooit zal veranderen is het ontregelende effect van een ziekenhuisopname. Als je naasten hun ongerustheid niet meer kunnen verbergen, als je de artsen ziet twijfelen of er niet meer is wat ze zouden kunnen doen. Dan wil je, zoals Maarten Asscher schrijft in Elke dag, jezelf ‘geestelijk in veiligheid brengen’. 

Maar hoe doe je dat? En hoe voorkom je dat hetgeen je schrijft niet ook wordt aangetast door ‘ernstige aandoeningen’? Uitgezaaid melodrama en diep zelfmedelijden zijn voor een (autobiografische) tekst allemaal net zo funest als kanker voor een lichaam. Gelukkig heeft Asscher in zijn leven genoeg geschreven, gelezen, vertaald en uitgegeven om die valkuilen te kennen. Hij gebruikt strofes uit zijn lievelingsgedichten, met name Le Cimetière marin van Paul Valéry, met behulp waarvan hij zichzelf uit het moeras omhoog wist te trekken.

Hapjes wereldliteratuur

Maarten Asscher: schrijver, uitgever, boekhandelaar, vertaler, dichter, jurylid van de P.C. Hooftprijs, bestuurder van onder meer de CPNB en Poetry International, allround aanjager van het literaire bedrijf, zelfs enige tijd als hoge ambtenaar vanuit een ministerie, wiens robuuste gestalte en gulle lach immer leken te blaken van gezondheid voor eenieder die hem ontmoette – dat wil zeggen ongeveer iedereen in ons taalgebied die wel eens een pen heeft vastgehouden. 

Als je jong bent gaat al je aandacht naar het feest zelf, zonder besef van hoe laat het afloopt. In de loop der jaren krijg je er lucht van: er komt nog iemand, hoe laat is onduidelijk.

Desalniettemin werd hij zeer ziek en moest hij de meest ingrijpende behandelingen incasseren. ‘Halverwege mijn ziekenhuisbed en mijn schrijftafel’ ontstonden vervolgens deze bespiegelingen, vervat in een boekje met de epicurische titel Elke dag, over de drie stadia van sterfelijkheid. Het verkleinwoord alleen vanwege het bescheiden formaat, in ieder ander opzicht is dit wel degelijk een boek. Er valt veel uit te leren: exquise hapjes wereldliteratuur en aardig wat over de binnenwereld van Maarten Asscher.

Laconieke epicurist

De Griekse filosoof Epicurus vreesde de dood niet, want elke dag dat Epicurus er was, was de dood er niet, en de dag dat de dood kwam, zou Epicurus er niet meer zijn, zo redeneerde hij. Asscher lijkt te willen zeggen: kijk, ik ben uit hetzelfde laconieke hout gesneden. Hij heeft argumenten: voor de bruidsreportage bij zijn eerste huwelijk koos hij een kerkhof als decor; zijn leven lang is een vakantie voor hem niet compleet zonder bezoekje aan de plaatselijke dodenakker; en de titel van zijn eerste verhalenbundel luidt Dodeneiland (1992).

De ‘ernstige aandoeningen’ zouden echter niet zo ernstig zijn, als zij dat laconieke niet tot het uiterste op de proef stelden. Als weerslag van Asschers lijdensweg doorstaat Elke dag die proef op het nippertje. Soms schrikt de lezer even als het lijkt alsof er toch een alarmerende diagnose aan het proza moet worden gesteld, bijvoorbeeld wanneer Asscher de hoofdletterkraan wijd opendraait als een puber die in z’n dagboek schrijft: ‘Als ik één gedicht zou moeten noemen dat ik als ‘Het Gedicht Van Mijn Leven’ beschouw dan is het dit’ (Valéry’s Le Cimetière marin) of bij een moeilijk te volgen zin als deze: ‘De dood was er in die jaren niet, dus had ik er als kind ook geen voorstelling van, en de uiterlijke manifestaties ervan die ik zag waren eigenlijk wel aantrekkelijk, ja, bijna uitnodigend.’ Maar dergelijke uitglijders vallen in het niet bij al het moois dat zijn geheugen opdient.

Over zijn eerste patroon en latere vriend Theo Sontrop, bijvoorbeeld, schrijft hij dat die de gewoonte had om wodka te serveren ‘in forse limonadeglazen’. Asschers voldoening is bijna voelbaar, en niet alcoholistisch: ‘Een zeer ongezond leven, waaruit duidelijk bleek hoezeer hij voor zijn eigen sterfelijkheid – zoals ook voor vele andere onderwerpen in het leven – niets dan totale minachting koesterde.’ Hoe laconiek wil je het hebben?

Asscher vertelt ons in zijn woorden wat al in vele varianten is gezegd: dat er op het feest des levens één genodigde is die altijd als laatste komt. Als je jong bent gaat al je aandacht naar het feest zelf, zonder besef van hoe laat het afloopt. In de loop der jaren krijg je er lucht van: er komt nog iemand, hoe laat is onduidelijk. Nou, denk je, het zal wel. En je danst verder. Tot ineens hard op de voordeur wordt geklopt. Je schrikt je wezenloos. 

Ziekenhuis duwt terug

Op een van de eerste pagina’s belooft de auteur al dat dit geen boek over ‘de clichés van de witte medische wereld’ zal worden, ‘met zijn terugkerende gesprekken, behandelingen, scans en controles, om van het vele wachten nog te zwijgen’. Elke dag is bedoeld als verslag van een filosofische poging om ‘sterfelijkheid’ beter te begrijpen. 

Maar het ziekenhuis duwt terug, en Asscher protesteert op een manier die mij ontroert, ‘dat de hoeveelheid praktische handelingen waaraan een patiënt wordt onderworpen de beschikbare tijd zozeer vult, dat er voor filosofische gedachten nauwelijks ruimte overblijft. Hoe zou je met aandacht moeten proberen te ‘leren sterven’ als er de hele tijd mensen je kamer binnenkomen om bloed te prikken, een infuus te verversen, je etenswensen op te nemen, een injectie te geven, de kamer te zwabberen, je medicijnen te brengen, je een maaltijd te serveren, je bloeddruk en temperatuur te controleren, je bed te verschonen.’ 

Elke dag is bedoeld als verslag van een filosofische poging om ‘sterfelijkheid’ beter te begrijpen. Maar het ziekenhuis duwt terug, en Asscher protesteert op een manier die mij ontroert.

De lezer ziet hem liggen: met zijn laatste piezeltje kracht heeft hij een dichtbundel ter hand genomen of probeert hij geluidloos Le Cimetière marin te reciteren, maar het Franse origineel en zijn eigen, prachtige Nederlandse vertaling zijn nog niet begonnen over elkaar heen te buitelen of daar is alweer de volgende gezant van de keuken, het lab of de schoonmaakploeg. Maak je borst maar nat, mijn beste, straks komt er ook nog een delegatie van de geestelijke verzorging, en als je die hebt weggewerkt begint het bezoekuur.

Nogal wiedes dat Asscher zich niet kan concentreren op zijn sterfelijkheid. Al die lui krijgen aan het begin van hun diensten een opdracht mee: geef de patiënt hoop, desnoods tot na het intreden van de rigor mortis. Prik met precisie, zwabber zorgvuldig, serveer met zwier, houd de moed erin. Want niet alleen is het voor de prikkers en zwabberaars zelf anders niet vol te houden – en zij moeten, in tegenstelling tot de patiënt, zo lang mogelijk blijven werken in het ziekenhuis (waar het personeelstekort schrijnend is), terwijl de patiënt juist zo snel mogelijk weg moet, levend of dood. Een ziekenhuis wil het liefst dat patiënten genezen, dus het láátste dat ze daar moeten hebben is iemand die gaat liggen proberen te ‘leren sterven’!

Poëzie als doping

Waarom is niet alleen Asschers wanhoopskreet maar dit hele boek zo ontroerend? Ik lees het als het verhaal van een man die zichzelf steeds wil verbeteren, door het leven en door de literatuur gaand alsof het circuitjes in de sportschool zijn. Dat bedoel ik niet badinerend, eerder bewonderend. Altijd trainde hij met de zware jongens, maar in het ziekenhuis is hij aan zichzelf overgeleverd, voor de ars moriendi kan hij geen geschikte workout vinden. Dus gaat hij te rade bij de letteren. Om de vergelijking door te zetten zou je de poëzie zijn doping kunnen noemen. 

Ik lees dit boek als het verhaal van een man die zichzelf steeds wil verbeteren, door het leven en door de literatuur gaand alsof het circuitjes in de sportschool zijn. Altijd trainde hij met de zware jongens, maar in het ziekenhuis is hij aan zichzelf overgeleverd.

Maar hoe belezen hij ook is, het lijkt hem moeite te kosten om te begrijpen dat elk boek, elke strofe, ja, ieder woord in elke taal altijd een aansporing tot leven is, onbruikbaar om te ‘leren sterven’. Asscher moet eraan geloven dat ook hijzelf een vat vol emoties is, een vat dat alleen maar harder gaat borrelen als er aan de kurk gemorreld wordt

Leven van dag tot dag

Eén inzicht in zijn eigen sterfelijkheid krijgt Asscher in elk geval. Niet via de poëzie maar van een arts in het ziekenhuis, die ‘met een simpele Alt+Tab-beweging’ de Charlson Comorbidity Index op het beeldscherm zet en dat naar Asscher toedraait. ‘Stond deze website op deze afdeling altijd standaard open, vroeg ik mij af, of had de arts die bij de voorbereiding van onze afspraak alvast klaargezet?’ Daar komt hij niet achter, wel dat de kans minimaal is dat hij langer zal leven dan het batterijtje in zijn pacemaker.

Het klinkt aanlokkelijk: je onder je doodvonnis uit draaien, maar als sleutel tot een begrip van sterfelijkheid is het wel een povere uitleg.

Een laconieke levenshouding, kom er maar eens om. Laconiek… een dermate zeldzame eigenschap dat er geen zelfstandig naamwoordsvorm voor bestaat, zoals nonchalant – nonchalance of opportunistisch – opportunisme. Tenzij het bijbehorende substantief ‘Asscher’ luidt. Hij lijkt immers de belichaming van laconiek, wanneer hij schrijft: ‘Op weg naar huis betrapte ik me erop dat ik me er alweer onderuit begon te draaien. Je kon immers morgen ook onder de tram komen of volgende week door een fatbike worden doodgereden.’ 

Het klinkt aanlokkelijk: je onder je doodvonnis uit draaien, maar als sleutel tot een begrip van sterfelijkheid is het wel een povere uitleg. Asscher haalt er een sonnet bij, door een ‘ten dode opgeschreven Duitse dichter, diplomaat en verzetsman’, tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog geschreven in een gevangeniscel. De slotregel blijkt de oorsprong van zijn boek titel: ‘ach/ ieder van ons kan sterven – elke dag!’ Leven van dag tot dag, iets anders zit er niet op. 

Als een ware baron Von Munchhausen trok hij zichzelf uit het ziekbed omhoog. Als lezer heeft dit boek mij aangegrepen. Dat is een compliment. Boeken die je niet aangrijpen, zijn de moeite van het lezen niet waard.