Een archeologie van stiltes
In Wat ik haar niet vertelde van Sigrid Bousset leert de lezer de bijkans vergeten Vlaamse schrijver Ivo Michiels (opnieuw) kennen, maar krijgen ook de stemmen van de vele vrouwen die in de schaduw stonden van hun vaak mannelijke literaire tijdgenoten meer aandacht. Sarah de Mul concludeert dat deze aanpak ruimte biedt voor een nieuwe, relationele kijk op de biografieën van Vlaamse en Nederlandse schrijvers.
Besproken boeken
De naoorlogse Vlaamse auteur Ivo Michiels (1923-2012) schreef werken zoals Journal brut: Ikjes sprokkelen (1958), Orchis militaris (1968), en Exit (1971), en was scenarist van Meeuwen sterven in de haven (1955) en, in samenwerking met Paul Delvaux, Een vrouw tussen hond en wolf (1979). Michiels is echter voor de meeste hedendaagse Nederlandse lezers slechts een verre echo uit een tijd van radicaal modernisme. Hoewel Het boek Alfa (1963), geïnspireerd door de Franse nouveau roman, in de literaire canon werd opgenomen, kent Michiels in Nederland geen groot lezerspubliek meer. Hier komt hopelijk verandering in door Sigrid Boussets Wat ik haar niet vertelde, een werk dat zich aankondigt als een biografie over Michiels, maar dat tegelijk een dossier opent dat de grenzen van de traditionele schrijversbiografie ver overstijgt. Wat ik haar niet vertelde kan een relationele biografie genoemd worden, die de kunstenaar niet langer als een autonoom scheppend wezen portretteert, maar als een knooppunt in een weefsel van sociale relaties, emotionele afhankelijkheden en gedeelde creativiteit. Hiermee slaagt Bousset erin de mens Michiels achter de taalpionier te confronteren met de vele stiltes die zijn oeuvre mogelijk maakten.
Dit kan een relationele biografie genoemd worden, die de kunstenaar niet langer als een autonoom scheppend wezen portretteert, maar als een knooppunt in een weefsel van sociale relaties, emotionele afhankelijkheden en gedeelde creativiteit.
Mythe van de literaire pionier
Sigrid Bousset is dochter van emeritus hoogleraar en neerlandicus Hugo Bousset. Hij wijdde zijn proefschrift integraal aan de ontrafeling van de interne structuur van Het boek Alfa en was bevriend met de schrijver en zijn vrouw Christiane Faes. Bousset groeide op in de schaduw van de Vlaamse literaire en artistieke wereld van de jaren zeventig en tachtig. Het was een wereld die haar betoverde, en waartoe ze graag wilde behoren. Zo schetst ze een wereld van Michiels en Faes, die een idyllisch bestaan leidden in de Provence, af en toe onderbroken door mondaine filmpremières, literaire prijsuitreikingen en vernissages. Ze vertoefden in het gezelschap van de artistieke en literaire vernieuwers van die tijd — van Hugo Claus, Louis Paul Boon en Jef Verheyen tot Pierre Alechinsky en Paul Delvaux: een milieu doordrenkt van kunst, literair experiment, en mannelijke genialiteit.
Bousset schept een fundamenteel biografisch dilemma: hoe behoud je immers de kritische distantie tot een onderwerp dat je claimt als erfgenaam?
Bousset is letterkundige maar ook familievriendin die zijn privéleven van dichtbij meemaakte. Deze bijzondere binnen- en buitenstaanderspositie verleent Bousset een uniek perspectief op Ivo Michiels en zijn tijdsgewricht, en schept een fundamenteel biografisch dilemma: hoe behoud je immers de kritische distantie tot een onderwerp dat je claimt als erfgenaam? Na het eerder verschenen Meer dan ik mij herinner: Gesprekken met Ivo Michiels (2011) stelde Michiels Bousset immers voor als ‘mijn biografe’. Ook Faes, die haar leven in het teken stelde van Michiels en zijn werk, bleek Bousset als ersatzdochter te omarmen en schakelde haar in voor haar levensproject ten dienste van haar echtgenoot. Jarenlang spoorde Faes Bousset aan om over haar man te schrijven, schonk haar notitieboeken, herinneringen, en vertrouwen.
Maar in plaats van zich te schikken in de rol van de klassieke biograaf, kiest Bousset voor een herziening van de schrijversbiografie. Ze stelt de mythe van de zelfscheppende kunstenaar ter discussie door te laten zien dat Michiels’ werk slechts kon bestaan bij de gratie van een onzichtbaar web van relaties waarin veelal vrouwen zorg, logistiek beheer en intellectueel klankbordwerk boden. Dit relationele vertrekpunt stelt Bousset in staat om tegemoet te komen aan het verlangen van haar ‘vaders’, maar tegelijk haar eigen weg te vinden met een lastige erfenis op haar schouders. Zoals het een biografe betaamt, duikt Bousset in het door de auteur zelf zorgvuldig gecureerde archief in het Letterenhuis. Ze krijgt bovendien toegang tot het strafdossier over het collaboratieverleden van Michiels, waar hij nooit eerder toegang tot verleende. Bousset spreekt ook uitgebreid met de mysterieus gebleven minnares en de zoon Guido uit zijn eerste huwelijk, die steeds toenadering zocht met zijn vader, die hem echter altijd op afstand hield. Ze spreekt vrienden en nabestaanden, zelfs als dat weinig oplevert — zoals blijkt uit het aangrijpende beeld van de radeloze eeuweling Aster Berkhof die zich vastklampt aan zijn vrouw in het ouderentehuis en in wanhoop blijft herhalen: ‘Wat word ik verondersteld te weten?’
Door deze relationele lens laat Bousset de Michiels opdoemen die achter de mythe van de literaire pionier schuilt. In het bijzonder herstelt ze de menselijke, ontluisterende dimensie achter zijn radicale literaire experiment: een jongeman die zich tijdens de Tweede Wereldoorlog aansloot bij de SS, die in Duitsland een voor de buitenwereld verzwegen zoon verwekte; die met de veel jongere Christiane Faes trouwde en haar professionele ambities ontmoedigde en haar later vol verdriet achterliet in de Provence terwijl hij met zijn Sarah de wereld rondreisde en haar postkaartjes toestuurde. Met mededogen schetst Bousset een door oorlogsschuld en schaamte getekende schrijver, een arbeiderszoon uit Mortsel die zich nooit thuis voelde in het literaire Vlaanderen, en die bovenal gezien wilde worden.
Het creëren van een nieuwe taalwerkelijkheid ontspringt niet uitsluitend aan intellectuele ambitie en progressieve idealen. Bij Ivo Michiels lag aan de basis een verlangen om beschutting te zoeken voor trauma, schaamte en schuldgevoel.
Wat deze biografische zoektocht oplevert is het inzicht dat het streven naar autonomie in de taal waar de flamboyante, altijd een tikkeltje overdreven lachende, literator Michiels om bekend staat, bovenal een vlucht was. Het was een poging om te ontsnappen aan wat te pijnlijk is om onder ogen te zien en te benoemen. Zo blijkt dat het creëren van een nieuwe taalwerkelijkheid niet uitsluitend ontspringt aan intellectuele ambitie en progressieve idealen. Bij Michiels lag aan de basis een verlangen om beschutting te zoeken voor trauma, schaamte en schuldgevoel.
Vrouwen in de schaduw
De titel Wat ik haar niet vertelde verwijst niet alleen naar de geheimen in het leven van Michiels — de oorlog, de zoon, de minnares —, maar ook naar wat Bousset zichtbaar maakt in haar schets van Michiels’ literaire en artistieke milieu: de structurele stiltes die de vrouwen in die literaire wereld omgaven. Bousset: ‘Creëren deden hun vrouwen in de schaduw van hun mannen, die ze vergezelden naar het licht’ (213).
Het is inderdaad bij mijn weten voor het eerst dat er in een biografie over een Vlaamse canonieke auteur zoveel aandacht is voor vrouwen die ook aanwezig waren in de marges van de literaire mannenwereld in Vlaanderen. Wie immers kent Christiane Faes, Eleonore Vigenon, Dani Franque, Nanda Vigo, Tina Jolas en vele anderen, die Bousset de revue laat passeren? Vanuit deze optiek doet Wat ik haar niet vertelde denken aan het (hoewel vormelijk veel experimentelere) werk Heroines van Kate Zambreno, die zichzelf inschrijft in een genealogie van modernistische schrijversvrouwen — Zelda Fitzgerald, Vivienne Eliot, Jane Bowles — wier levens door mannelijke kunstenaars werden verzwolgen. Ook Bousset, die zichzelf opvoert als schrijversvrouw en jarenlange literaire bemiddelaar ‘ten dienste van’, graaft in het archief van Ivo Michiels en beschrijft vrouwen in de rol van muze, schrijversvrouw, figurant, terwijl ze er tegelijkertijd zelf een eigen artistieke praktijk of ambities op nahielden. Ze waren elk op hun eigen manier onderdeel van een artistieke wereld waarin vrouwelijke stemmen werden gedempt, hun bijdrage tot de rand van de kunst veroordeeld, ten dienste van het mannelijke, ogenschijnlijk autonoom scheppende genie.
Het is inderdaad bij mijn weten voor het eerst dat er in een biografie over een Vlaamse canonieke auteur zoveel aandacht is voor vrouwen die ook aanwezig waren in de marges van de literaire mannenwereld.
Zo wordt Boussets boek meer dan een biografie over Ivo Michiels: het is, Michel Foucaults woorden indachtig, een archeologie van vele stiltes. Niet de stilte als een afwezigheid van spreken, maar als een spreken dat niet gehoord wordt volgens de gangbare codes en normen van een literaire wereld die bepalen wie mag spreken, wat gezegd wordt, en wat verzwegen blijft. ‘Er is niet een maar vele stiltes’, schrijft Foucault, en zij maken wat gezegd wordt mogelijk. In Wat ik haar niet vertelde laat Sigrid Bousset precies die meervoudige stiltes spreken die Ivo Michiels en zijn literaire en artistieke generatiegenoten omringden.
Bousset draagt Wat ik haar niet vertelde op aan haar ‘vaders’. Ze eindigt het boek ook met een Postscriptum waarin ze uit een correspondentie met Michiels opmaakt dat haar vader ooit zelf een biografie over Michiels wilde schrijven en intussen vanuit literatuurfilosofisch oogpunt de relevantie van een biografische lezing had ingezien. Het was een plan waar zijn dochter in zijn plaats gevolg aan had gegeven. Maar door zo nadrukkelijk bij ‘de vaders’ toestemming te zoeken, doet Bousset haar eigen project in feite tekort. Wat ik haar niet vertelde overstijgt immers ruimschoots de traditionele schrijversbiografie. Behalve de complexe menselijke dimensie te tonen achter het literaire experiment van Ivo Michiels, legt Bousset ook de kiem voor een nieuwe, relationele kijk op de Vlaamse canonieke mannelijke literatoren, een die de talloze schrijvende vrouwen die hen omringden, eindelijk vanonder het stof van de archieven haalt.