Advertentie
Ambo Anthos – banner de nederlanse boeken gids Gospodinov (web)

Schoonheid draait door, vervreemdt en verdeelt. Een interview met Giselinde Kuipers

Giselinde Kuipers is onderzoekshoogleraar sociologie aan de KU Leuven en doet onderzoek naar schoonheid. In september verschijnt haar nieuwste boek Lelijke mooie wereld bij uitgeverij Das Mag. Gedurende het tweede semester van het academisch jaar 2025-2026 verbleef ze als research fellow aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS) in Amsterdam.

Besproken boeken

[Merlijn Olnon] Hoe ben je hier aanbeland?

[Giselinde Kuipers] Ik ben sinds 2019 onderzoekshoogleraar sociologie aan de KU Leuven, maar ik ben Nederlands en woon nog altijd in Utrecht. Ik pendel en ben één à twee dagen per week in Leuven.

Ik studeerde Culturele antropologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht en kwam in 1995 terecht bij de Amsterdamse School voor Sociaalwetenschappelijk Onderzoek, die destijds zat in het gebouw waar nu het NIAS zit, aan de Spinhuissteeg. Mijn proefschrift, onder begeleiding van Joop Goudsblom, ging over humor, en daarin legde ik de kiem voor mijn onderzoeksprogramma dat gaat over de sociale vorming van culturele standaarden en de gevolgen die zulke standaarden hebben voor ongelijkheden, identiteiten en interacties. Of, wat toegankelijker geformuleerd: frivole onderwerpen met serieuze consequenties.

Na mijn promotie werkte ik een tijdje bij communicatiewetenschap aan de UvA, ik verbleef een jaar aan de University of Pennsylvania, werkte als postdoc bij cultuurwetenschappen aan de Erasmus Universiteit, en kwam toen weer terecht bij sociologie aan de UvA. Daar was ik achtereenvolgens universitair docent, hoofddocent en hoogleraar. Ook bekleedde ik van 2009 tot 2012 de Norbert Eliasleerstoel aan de Erasmus Universiteit. In die tijd ontwikkelde ik mijn onderzoeksprogramma verder, met steeds meer frivole onderwerpen met serieuze consequenties, zoals kunstjournalistiek, memes, televisie, vertaling, fietsen, culturele globalisering van film, mode, popmuziek en seksualiteit, en vanaf 2010 het onderwerp waar ik nu het meest mee bezig ben: schoonheid. Op dit moment leid ik een groot internationaal project, gefinancierd door de European Research Council, dat gaat over schoonheid en ongelijkheid in vijf ‘global cities’ over de hele wereld: Accra, Brussel, Buenos Aires, Hong Kong en Teheran (zie sociologyofbeauty.eu). Ik werk met promovendi uit die steden en daarnaast met een postdoc die vergelijkend onderzoek doet.

Ook binnen de wetenschap zie ik instituties buigen en barsten. Daardoor heb ik steeds meer het gevoel dat het niet alleen raar, maar ook immoreel is om door te gaan met business as usual. In de wetenschap – net als op veel plekken in de wereld – is het zoeken naar een nieuwe orde.

In 2024 werd ik ernstig ziek. Eind 2025 was ik aan het revalideren en dat ging trager dan gehoopt. Op uitnodiging van de dit voorjaar afgezwaaide directeur, Jan Willem Duyvendak, ben ik op het NIAS om weer terug te komen in het werkende leven en om het ritme van mijn werk weer op te pakken. Dat heeft goed uitgepakt: ik heb weer een duidelijk werkritme en voel me ook weer deel van de academische gemeenschap. Daarnaast was het heel bijzonder om terug te zijn in het gebouw waar ik in de jaren negentig aan mijn proefschrift werkte en heel gelukkig was.

[MO] Wat houdt je dezer dagen zoal bezig?

[GK] Het zijn roerige tijden, zowel maatschappelijk als persoonlijk. Dat maakt het lastiger om de zin te zien van het afstandelijke, analytische wetenschappelijke bedrijf. In mijn project merk ik hoe grimmig en grillig de wereld is. Ik heb de wetenschap altijd beschouwd als een alternatief mondiaal netwerk, dat mensen over de hele wereld met elkaar verbindt, in gedeelde instituties, waarden, doelen en idealen. Ik heb me altijd erg thuis gevoeld in dat kosmopolitische netwerk. Maar dat systeem staat nu onder druk. Dat komt deels doordat mensen zich uiteindelijk toch ook verbonden voelen met hun directe sociale omgeving, misschien meer dan met het academisch netwerk – dat toch minder hecht lijkt dan ik dacht of hoopte. Ook binnen de wetenschap zie ik instituties buigen en barsten. Daardoor heb ik steeds meer het gevoel dat het niet alleen raar, maar ook immoreel is om door te gaan met business as usual. In de wetenschap – net als op veel plekken in de wereld – is het zoeken naar een nieuwe orde.

[MO] Wat zou er volgens jou moeten veranderen aan het wetenschapssysteem om dat beter bestand te maken tegen de bedreigingen van deze tijd?

We doen er beter aan nu in te zetten op systeemverandering. Ik zou eigenlijk zeggen dat de Europese instituties en samenlevingen daarvoor wat beter hun best mogen doen, en dat ook Europese academici wel iets moediger zouden kunnen zijn nu het nog kan.

[GK] Een heel moeilijke vraag. Ik heb al eerder een pleidooi gehouden voor burgerschap als kern van de universiteit, in het kader van WOinActie. Dat is alweer zeven jaar geleden, maar het is nu nog urgenter. 

Wat volgens mij echt moet veranderen is de toenemende vervlechting van wetenschap met een slinkend aantal steeds grotere bedrijven die heel veel geld verdienen aan wetenschappelijke publicaties of ‘output’ – en daarbij denk ik zowel aan uitgevers als nu aan AI- en andere techbedrijven en platforms (bijvoorbeeld Canvas), maar bijvoorbeeld ook aan farmaceuten. Deze roofkapitalisten kapitaliseren niet alleen op het werk van wetenschappers, maar ook op publieke middelen, zowel van overheden als van allerlei non-profitorganisaties. De wetenschap, en daarmee bedoel ik onderwijs, onderzoek en wetenschapscommunicatie, is in de kern van de zaak geen (direct) winstgevende onderneming en ook niet iets wat altijd moet groeien. Dat een logica van groei, winst en opbrengst ons werk steeds meer vormt is een directe bedreiging en we moeten daar actief iets tegenoverstellen: een publieke logica van burgerschap.

Het wetenschapssysteem moet oprecht mondiaal worden, dus ook instituties buiten West-Europa, Noord-Amerika en Oost-Azië moeten er volwaardig deel van gaan uitmaken. We hebben noch een veelheid genationaliseerde wetenschapssystemen nodig, noch één geglobaliseerd westers systeem, maar eerder een mondiale ecologie van verschillende wetenschapssystemen. Er vallen nu in zo’n hoog tempo stukken uit het bestaande, op de VS georiënteerde systeem dat het niet meer goed lukt het in de lucht te houden. We doen er wellicht beter aan nu in te zetten op systeemverandering. Ik zou eigenlijk zeggen dat de Europese instituties en samenlevingen daarvoor wat beter hun best mogen doen, en dat ook Europese academici wel iets moediger zouden kunnen zijn nu het nog kan.

Wat ook zou helpen is dat universiteiten en andere academische instituties, maar ook wetenschappers individueel, zich wat drukker zouden maken over de normen en idealen waarop transnationaal academisch burgerschap gegrondvest is. Denk aan de verdediging van de academische vrijheid en academische gemeenschap, maar ook aan het opkomen voor universiteiten en academici die bedreigd worden.

[MO] Kun je ons iets vertellen over je onderzoek aan het NIAS?

Het constante streven er goed uit te zien en uit te blijven zien, sleept ons mee in een competitie die ons, onze samenleving en onze planeet uitput. Bovendien vervreemdt dit ‘schoonheidsregime’ ons van onszelf en ons lichaam, en vergroot het maatschappelijke tegenstellingen.

[GK] Bij het NIAS heb ik me vooral beziggehouden met het schrijven van een Nederlandstalig boek bij uitgeverij Das Mag: Lelijke mooie wereld. In dit boek, volgens de uitgever een ‘manifest’, laat ik zien hoe uiterlijke schoonheid steeds belangrijker is geworden, en waarom dat destructief is. Het constante streven er goed uit te zien en uit te blijven zien, sleept ons mee in een competitie die ons, onze samenleving en onze planeet uitput. Bovendien vervreemdt dit ‘schoonheidsregime’ ons van onszelf en ons lichaam, en vergroot het maatschappelijke tegenstellingen. Ik onderzoek hoe dit regime sinds de negentiende eeuw steeds verder uitgedijd is en hoe we eraan kunnen ontsnappen.

[MO] Je hebt het over ‘het schoonheidsregime’, maar is er in de geglobaliseerde wereld niet juist een veelheid aan naast elkaar bestaande en concurrerende schoonheidsidealen, en zou dat niet ook kunnen betekenen dat daardoor de dwang juist afneemt, en de keuzevrijheid toeneemt?

[GK] Schoonheid is weliswaar steeds belangrijker, maar we streven niet allemaal naar hetzelfde schoonheidsideaal. Er zijn dingen waar we het allemaal over eens zijn: dun is mooier dan dik, jong is mooier dan oud, strak beter dan uitgezakt. Maar onze goede smaak op het gebied van schoonheid is ook een manier om te laten zien wie we zijn. Daarom zijn er verschillen in wat we mooi vinden, en hoe we mooi proberen te zijn. Er is niet één schoonheidsideaal – schoonheid zelf is het ideaal.

Met onze geoefende blik op schoonheid, getraind door jarenlange blootstelling aan beelden van mooie mensen (of mooie beelden van mensen) zijn we heel goed in het ‘lezen’ van uiterlijke stijlen. We herkennen onze ‘eigen’ mensen aan de schoonheidsidealen die ze nastreven. We herkennen ook de mensen die hun best doen voor een ideaal dat niet het onze is, en trekken daar onze conclusies uit. Neem bijvoorbeeld opgevulde lippen, strakgetrokken oogleden en andere zichtbare cosmetische chirurgie. De mensen die dit laten doen zijn vaak trots op het resultaat, terwijl anderen juist neerkijken op zulke opvallende of ‘ordinaire’ manieren om je uiterlijk te verbeteren. Hetzelfde geldt voor gespierde lichamen. Gespierdheid is (op dit moment) een breed gedeeld schoonheidsideaal. Maar voor sommige mensen betekent ‘mooi gespierd’ een strak, gestroomlijnd lichaam; voor anderen betekent het zichtbare, geprononceerde spiermassa.

Omdat we zo goed zijn in het bekijken en beoordelen van uiterlijk, kunnen we met ons uiterlijk steeds beter laten zien wie we zijn. We tonen onze identiteit door hoe we ons mooi maken: door ons kapsel, kleding, make-up (of niet), sieraden en andere versiering, maar ook: door welke delen van ons lichaam en ons gezicht we benadrukken of juist verdoezelen, of we inzetten op perfectie of authenticiteit, op sexy of onderkoeld, heel vrouwelijk of mannelijk of juist genderneutraal of genderfluïde. Aan de styling en verzorging herkennen we vaak in een oogopslag waar iemand bij hoort: welke sociale klasse, leeftijdsgroep, etnische achtergrond, seksuele oriëntatie, of iemand uit de stad komt of van het platteland, en wat iemands politieke kleur is.

[MO] Hoe vergroot het schoonheidsregime volgens jou maatschappelijke tegenstellingen?

[GK] Het schoonheidsregime is destructief op drie manieren. Ten eerste raken we verstrikt in een race om te voldoen aan steeds minder haalbare schoonheidsidealen, en dit schaadt ons, onze samenleving en onze planeet. Ten tweede denken we steeds meer over ons lichaam als esthetisch object en project, en hierdoor raken we vervreemd van ons lichaam en onszelf. Ten derde verbinden we schoonheid steeds meer met waarde, en vergroot dit sociale ongelijkheden. Met andere woorden: schoonheid draait door, vervreemdt en verdeelt.

Een mooi verzorgd uiterlijk is een statussymbool geworden. Tegenwoordig staan professoren, advocaten, politici, CEOs en captains of industry ’s ochtends vroeg op de loopband.

Het schoonheidsregime verbindt uiterlijke schoonheid met sociale, economische en morele waarde en met eigenwaarde. Hierdoor speelt het mensen tegen elkaar uit en vergroot toch al groeiende ongelijkheden. Doordat we steeds meer waarde hechten aan uiterlijk worden mooie mensen rijker en succesvoller. Maar rijke mensen worden ook mooier, omdat ze meer toegang hebben tot mogelijkheden om hun uiterlijk te verbeteren. Denk aan goede kappers, dure schoonheidsbehandelingen, sportclubs, maar ook goed eten, kennis over je lichaam en een betere gezondheid. Vooral mensen met wie het toch al goed ging kunnen voldoen aan de steeds hogere eisen.

Een mooi verzorgd uiterlijk is een statussymbool geworden. Nog geen halve eeuw geleden keken mensen uit de hogere maatschappelijke echelons neer op lichaamsbeweging (‘A gentleman will walk but never run’). Tegenwoordig staan professoren, advocaten, politici, CEO’s en captains of industry (m/v/x) ’s ochtends vroeg op de loopband – soms zelfs op kantoor, waar de baas natuurlijk het goede voorbeeld moet geven.

[MO] En hoe kunnen we aan dit regime ontsnappen?

[GK] Ik zie vijf strategieën om een spaak in het wiel van dit doorgedraaide systeem te steken: verlichting, verantwoordelijkheid, vereende krachten (dus: collectieve actie), verzet en verbeelding. Al deze v’s, maar vooral verbeelding, hebben we ook hard nodig voor het beantwoorden van de grote vraag waar het schoonheidsregime ons mee confronteert: kunnen we onze behoefte aan schoonheid – aan mooi zijn, en mooi zien – zo vormgeven dat het onze wereld mooier maakt, en niet lelijker?

[MO] Hoe verhoudt je werk zich tot andere disciplines en domeinen?

[GK] Mijn werk heeft nooit helemaal goed gepast binnen disciplines. Ik zeg wel: ik ben geëindigd bij de (cultuur)sociologie omdat je niet echt iets kunt doen waardoor je geen socioloog meer bent. Voor alle andere disciplines geldt dat minder: als je geen veldwerk (zoals mijn doctoraal) doet ben je geen antropoloog meer, als je iets doet dat niet met media te maken heeft ben je geen communicatie- of mediawetenschapper meer, maar als socioloog mag alles. Je zet er gewoon voor: sociologie van de … en dan bestaat het. Humor, het onderwerp van mijn doctoraat, is misschien wel het meest interdisciplinaire onderwerp dat er bestaat, en ik heb daardoor samengewerkt met mensen van computationele linguïstiek tot vertaalwetenschap, van evolutiebiologie tot vertaling, van wijsbegeerte tot politieke wetenschap, en van wiskunde tot experimentele psychologie. Maar ook mijn andere onderzoek en onderwijs overschrijdt regelmatig de grenzen van disciplines, vooral op het brede gebied van de sociale-, gedrags- en geesteswetenschappen.

[MO] Wat zou je graag willen dat je bereikt met je werk?

[GK] Op dit moment zou ik zeggen: gelezen worden. Naast het Nederlandse boek dat er nu aankomt heb ik dit jaar (met Outi Sarpila) in open access het Handbook of Beauty and Inequality gepubliceerd. Hoewel ze tot heel andere genres behoren, zijn het allebei boeken die bedoeld zijn voor een breed, niet noodzakelijkerwijs academisch onderlegd publiek. Ik ben steeds ongelukkiger met de wetenschappelijke publicatiecultuur, met trage publicatie en vaak slecht leesbare stukken die alleen door experts worden gelezen.

Wat ik graag wil is dat mensen door mijn werk ook sociologisch gaan kijken en denken. Dat ze de verbazing voelen die ik ook voel(de) als ik over de sociale werkelijkheid nadenk, of als ik iets nieuws leer of ontdek; de flits van inzicht die een sociologisch concept of onderzoeksbevinding kan geven; en ook de verontwaardiging over sociale misstanden; en de energie als je nadenkt over hoe de wereld beter zou kunnen zijn.

[MO] Met welke drie sociologische inzichten denk je dat wij als maatschappij en als wereld nu het meest geholpen zouden zijn?

[GK] Jemig… Het grote sociologische inzicht is wat mij betreft: we zijn allemaal met elkaar verbonden en allemaal van elkaar afhankelijk. Deze afhankelijkheden vormen ook ons alledaagse leven, en ons ‘zelf’, en dus wat we ervaren als ‘individuele’ emoties, motivaties, overtuigingen – zoals wat we grappig of mooi vinden. Ik dacht heel lang: als we onze sociologische inzichten delen, en mensen laten zien hoe hun alledaagse ervaringen, en ook hun ‘persoonlijke’ ervaringen (die dus helemaal niet zo persoonlijk zijn) gevormd worden door de samenleving waar ze deel van uitmaken, dan gaan ze daardoor anders naar zichzelf en naar andere mensen kijken. Inmiddels ben ik daar wat sceptischer over: inzicht is geen uitweg. Juist in deze wereld van constante informatie en verbondenheid zonder echt contact kan inzicht ook verlammen en vervreemden. En het kan leiden tot cynisch en strategisch gedrag.

Juist in de dingen die frivool lijken worden sociale processen het meest zichtbaar, en kan de sociale orde steeds opnieuw uitgespeeld en vernieuwd worden.

Het tweede sociologische inzicht, waar ik me ook persoonlijk hard voor heb gemaakt is: juist in de dingen die frivool lijken worden sociale processen het meest zichtbaar, en kan de sociale orde steeds opnieuw uitgespeeld en vernieuwd worden. Het lijkt alledaags en losjes, en daarom blijft het onder de radar. Dit was toen ik begon aan mijn onderzoek een heel ander soort inzicht dan nu. Vijfentwintig jaar geleden kon je mensen hier echt mee verrassen: humor is niet onschuldig, schoonheid gaat ook over macht, via televisie worden we gemondialiseerd, de fiets houdt onze nationale mythe van gelijkheid in stand. Maar inmiddels zijn deze inzichten gemeengoed. Veel mensen zijn zich nu bewust – misschien te bewust – van het belang van zachte macht en cultureel en symbolisch kapitaal. En dit wordt, ook weer vrij cynisch, ingezet, bijvoorbeeld in de politiek, in simplistische kritiek op de ‘de witte wijn sippende Amsterdamse elite’ (of in het idee van de havermelkelite, overigens een veel subtielere analyse dan de versimpelde versie doet vermoeden). En de politiek is inmiddels zo vol van deze culturele macht dat ik soms het verwarrende gevoel heb dat politici (of hun spindokters) hetzelfde onderzoek doen als ik. Een jaar of tien geleden begon het me op te vallen dat vooral populistisch rechts veel gebruik maakte van humor. En inmiddels is er veel te doen over de manier waarop politici hun politieke kleur zichtbaar maken in hun schoonheidsidealen.

Als we iets aan de wereld willen veranderen, of de wereld willen beïnvloeden, moet dat altijd samen. We kunnen het niet alleen. Dat is lastig want het huidige sociale en economische systeem zit zo in elkaar dat we juist steeds tegenover elkaar komen te staan, in een individuele logica van competitie en constante vergelijking. In de sociale wetenschappen (niet alleen de sociologie) is veel nagedacht over zogenaamde collectieve-actieproblemen. Dat zijn sociale problemen die door samenwerking kunnen worden opgelost, maar dat niet worden omdat mensen hun eigenbelang volgen. Veel dingen die we nu zonder ironie zien als sociale vooruitgang – zoals de aanleg van riolering, het beëindigen van kinderarbeid – komen voort uit het te boven komen van zo’n collectieve-actieprobleem. De uitwegen zijn: gezamenlijke normen ontwikkelen (ook met protest), instituties vormen, en gezamenlijk toewerken naar een nieuwe ‘verbeelding’ van dingen waarin we vastraken. In mijn nieuwe boek laat ik zien dat dit ook de beste manier is om te ontsnappen uit het schoonheidsregime.