Advertentie
Banner Ambo Anthos 2026-5 – webformaat

Geen revolutie alstublieft, we zijn liberaal!

Anderhalve eeuw was Georg Forster een min of meer vergeten denker. Andrea Wulf schreef met De reiziger een biografie over deze fascinerende Duitse ontdekkingsreiziger en filosoof, maar het beeld dat Wulf schetst is ideologisch vertekend en gaat voorbij aan Forsters radicale kant, betoogt Joris Verheijen. 

Besproken boeken

Op de eerste bladzijden van haar biografie De reiziger noemt Andrea Wulf de ten onrechte vergeten ontdekkingsreiziger, bioloog, filosoof en revolutionair Georg Forster (1754-1794) een ‘vrijdenker die zijn tijd ver vooruit was’. Dat was hij zeker: veel Duitse dichters en denkers bewezen hooguit lippendienst aan het ideaal van de vrijheid, terwijl ze naar de gunsten van een graaf of hertog dongen, maar Forster maakte zich sterk voor radicale sociale gelijkheid en het einde van de standensamenleving. 

Toen anderen in juli 1791 schande spraken van de ‘vrijheidskomedie in Frankrijk’, schreef Forster: ‘Deze komedie wordt zo goed gespeeld dat de boer in heel Frankrijk van de helft van zijn lasten bevrijd is. Daarom voelt hij zich, daarom is hij gelukkiger dan tevoren. Hij kan zijn buik vol eten, hij kan zich kleden en dat kon hij niet onder die harpijenregering.’

Georg Forster vond zelfs dat de revolutie nog een stap verder moest gaan, in de richting van een werkelijke democratie. ‘De adel en de geestelijkheid zijn aangepakt,’ schreef hij, bijna zestig jaar voor het Communistisch Manifest, ‘de kapitalisten moeten volgen’.

Zulke sociaal-economische reflecties op de revolutie in Frankrijk waren zeldzaam aan de andere kant van de Rijn. In een brief van een paar maanden later vond Forster zelfs dat de revolutie nog een stap verder moest gaan, in de richting van een werkelijke democratie. ‘De adel en de geestelijkheid zijn aangepakt,’ schreef hij, bijna zestig jaar voor het Communistisch Manifest, ‘de kapitalisten moeten volgen’.

Op reis met James Cook

Het zijn gedachten die inderdaad hun tijd vooruit waren, maar die ontbreken in het boek van Wulf. Daarin ligt het accent op de eerste twintig jaar van Forsters leven, toen hij met zijn vader twee grote wereldreizen maakte. Een hervertelling van zijn driejarige zeiltocht met James Cook rond de wereld (1772-1775), langs de Zuidpool en door Polynesië, beslaat bijna de helft van het boek. Forsters avonturen in het pakijs en op volle zee komen in geuren en kleuren voorbij, net als zijn uitwisselingen met Tahitianen en zijn ontdekkingen van nieuwe plant- en diersoorten. Ook horen we hoe hij als tiener al progressieve ideeën ontwikkelde over de gelijkwaardigheid van mensen en culturen, waardoor hij zich later uitsprak tegen het racisme van Kant en andere tijdgenoten.

Waarom die voorkeur voor de jonge reiziger? De verklaring schuilt waarschijnlijk in de karakterisering van Forster op de eerste bladzijden, die in de Nederlandse editie verkeerd vertaald blijkt te zijn. In de Engelse tekst wordt hij namelijk geen ‘vrijdenker’ genoemd, maar een ‘liberal thinker’.

Terechte eer, maar voor Forsters andere, latere inzichten en prestaties is minder aandacht. Het boek gaat voorbij aan zijn rol als grondlegger van het Bildungsideaal, aan zijn bijdrage aan de literaire vorm van het essay en aan zijn invloed op de vroege Romantiek. Zijn leidende rol in het eerste democratische experiment op Duitse bodem, de revolutionaire republiek Mainz (1792-1793), wordt beschreven in slechts negen pagina’s. Veel van zijn latere politiek-filosofische essays worden alleen genoemd of blijven buiten beschouwing. Ook de in het hele boek gebezigde voornaam, ‘George’, hoort in feite bij Forsters jeugdjaren: gebruikelijk is om hem ‘Georg’ te noemen, zoals hijzelf en zijn vrienden vanaf zijn volwassenheid deden.

Een tendentieus beeld

Waarom die voorkeur voor de jonge reiziger? De verklaring schuilt waarschijnlijk in de karakterisering van Forster op de eerste bladzijden, die in de Nederlandse editie verkeerd vertaald blijkt te zijn. In de Engelse tekst wordt hij namelijk geen ‘vrijdenker’ genoemd, maar een ‘liberal thinker’. Wulf blijkt Forster vooral te bewonderen om het liberale inzicht dat we elkaar met onze verschillen moeten accepteren. Ze toont minder begrip voor het feit dat hij sociaal-economische ongelijkheid juist niet accepteerde, maar fel bestreed.

Zo is het een misvatting van Wulf dat Forster tot 1789 een revolutie ‘niet noodzakelijk’ vond en een voorstander was van geleidelijke hervormingen. Hij heeft het juist altijd onvermijdelijk gevonden dat er vroeg of laat een revolutie zou plaatsvinden. Al in 1783 schreef hij ‘dat dat de reden is waarom ik aan het volledige succes van alle hervormers twijfel’.

Rond Forsters rol in de republiek Mainz schetst Wulf een onjuist en misleidend beeld van iemand die gaandeweg onredelijker en agressiever werd. Ze beweert zonder bron dat Forster ruzie kreeg met zijn vriend Samuel Thomas von Sömmerring omdat die ‘neutraal wilde blijven’ en niet wilde ‘vechten’. Sömmerring was echter helemaal niet neutraal, maar een uitgesproken tegenstander van de revolutie. En nee, Forster werd niet boos omdat Sömmerring hem ‘had gevraagd een oogje op zijn huis in Mainz te houden’. Het was omgekeerd Sömmerring die Forster zijn revolutionaire daden verweet en hem bij voorbaat persoonlijk aansprakelijk stelde voor alles wat er in zijn afwezigheid met zijn huis in Mainz zou kunnen gebeuren.

Forster heeft het altijd onvermijdelijk gevonden dat er vroeg of laat een revolutie zou plaatsvinden.

Het helpt niet dat Wulf de Franse jakobijnen, met wie Forster samenwerkte, afschildert als een stel paranoïde moordenaars. Ze stelt dat het overlopen van generaal Dumouriez naar de Oostenrijkers in 1793 ‘voer voor de complottheorieën van de jakobijnen’ was. Wat ze er niet bij vertelt is dat Dumouriez overliep nadat zijn grootschalige complot om de revolutie te vernietigen was mislukt. In dat tendentieuze beeld is ook geen aandacht voor de sociaal-economische motieven van de revolutionairen, zoals de al geciteerde overtuiging van Forster dat de Franse boer na de revolutie over het algemeen gelukkiger was.

De natuur als levenskracht

Verder is er veel aan te merken op Wulfs gebruik van bronnen. Volgens Wulf zag Forster ‘de natuur als een product van God, de goddelijke architect’, terwijl Alexander von Humboldt een stap verder ging door ‘de natuur als de levenskracht zelf’ te beschouwen. In werkelijkheid ontwikkelde Forster dat idee van een allesdoordringende Lebenskraft al. Voor een goddelijke architect was in zijn wereldbeeld geen ruimte, behalve rond 1781, toen hij een bevlieging voor de Rozenkruisers had en een gezwollen tekst vol theologie schreef. Wulf heeft geen rekening gehouden met de context van die ene bron, maar heeft ook te weinig begrip van de natuurfilosofie die Forster in andere essays en brieven ontvouwde om het verschil te kunnen zien.

Wulf beweert dat Goethe ontspannen en goedgehumeurd was toen hij tijdens de Pruisische veldtocht van 1792 op weg naar Frankrijk een huisbezoek bracht aan de Forsters in Mainz. Dan heeft ze de dichter zelf niet geraadpleegd, die in zijn reisdagboek vertelde dat de spanning om te snijden was. Geen wonder, want de revolutionaire gezindheid van Forster en zijn metgezellen was bekend en het was, in de woorden van Goethe, ook ‘duidelijk dat ik me haastte met een heel leger dat aan die gezindheid en haar effecten een definitief einde moest maken (…) Grote republikeinse spanning van de gemoederen. Ik voelde me onbehaaglijk in het gezelschap.’

Had Wulf zich maar beperkt tot de wereldreis van Forster met Cook, waar ze met meer plezier en kennis van zaken over schrijft. Dan was dit een evenwichtiger boek geworden en had de titel beter gepast.

Had Wulf zich maar beperkt tot de wereldreis van Forster met Cook, waar ze met meer plezier en kennis van zaken over schrijft. Dan was dit een evenwichtiger boek geworden en had de titel beter gepast. Ondertussen gun je Forster een biograaf die recht doet aan zijn hele leven en die zijn revolutionaire werken en daden niet op ideologische gronden verwerpt.

De vloek van Stolberg

Aan het eind van zijn leven zei graaf Stolberg, een vriend van Goethe: ‘Laat het aandenken aan Forster (…) in een of andere rommelkamer vergeten zijn.’ Forster moest vergeten worden omdat hij een ongeschreven Duitse wet had overtreden: hij had radicale politiek bedreven. ‘Ze kunnen een mens niet begrijpen die als de tijd daar is ook kan handelen’, schreef hij zelf in 1793. ‘En ze vinden me afschuwwekkend omdat ik principes in praktijk breng, die ze nog huldigden toen ik ze alleen op papier zette.’

Mijd radicalisme en blijf zoeken naar datgene wat ons verbindt: dat is de moraal van dit boek, maar beslist niet van Forsters leven en werken.

Die vloek van Stolberg heeft zijn werk gedaan, want de honderdvijftig jaar daarna was Forster zo goed als vergeten. En nog steeds gaat de rehabilitatie moeizaam: liberale ideeënhistorici als Frederick Beiser en biografen als Wulf kunnen de radicale Forster slecht verdragen. Het beeld dat ze creëren van een weldenkende, gematigde liberaal die na 1789 op onverklaarbare en betreurenswaardige wijze in een fanaticus veranderde, zegt meer over hun eigen voorkeuren dan over Forster. Hij weerlegde dat kunstmatige onderscheid zelf trouwens al door de continuïteit in zijn weergaloze brieven. In hun nietsontziende eerlijkheid vormen ze een hoogtepunt van de Duitse briefliteratuur en verdienen ze een Nederlandse vertaling.

Mijd radicalisme en blijf zoeken naar datgene wat ons verbindt: dat is de moraal van dit boek, maar beslist niet van Georg Forsters leven en werken. Als er actuele lessen van hem te leren zijn, dan eerder dat democratie niet draait om het zoeken naar ‘verbinding’, maar om een voortgaande strijd voor emancipatie en tegen alle bestaande vormen van onderdrukking. En dat het nog steeds geen slecht idee is om de kapitalisten aan te pakken.