Advertentie
Banner Ambo Anthos 2026-5 – webformaat

Toen de Noordpool nog wild en woest was 

Door geopolitieke en klimatologische ontwikkelingen staat de Noordpool volop in de belangstelling. Tim van Gerven woont en werkt in Tromsø, en kent de verlokkingen van het Noorden. Hij las vier recente boeken over de Noordpool en concludeert dat het romantische verlangen naar het ijs en de eenzaamheid ook vervlochten is met een groeiend maatschappelijk en ecologisch besef van verval en verlies. 

Besproken boeken

Tromsø, de stad waar ik woon en werk, ligt aan de rand van de wereld en in het centrum van de aandacht. Sinds ik vier jaar geleden naar de poolcirkel verhuisde, lijkt het aantal toeristen iedere winter exponentieel toe te nemen. Verreweg de meeste bezoekers komen om het noorderlicht te zien of om met honden te sleeën – of om een selfie te nemen voor de noordelijkste McDonald’s ter wereld. Ondertussen wordt het ene hotel na het andere uit de grond gestampt, verdrijft AirBnB de plaatselijke bewoners van de woningmarkt en telt de al met al kleine stad inmiddels niet minder dan 23 souvenirwinkels en bijna net zo veel touroperators. Maar voor een groeiende groep toeristen is Tromsø slechts een uitvalsbasis voor het nog hogere noorden, voor een trip naar Spitsbergen of daar voorbij. Wie zich het ticket kan veroorloven, kan in alle luxe per cruiseschip breedtegraden doorkruisen die voorheen slechts na de nodige beproevingen en met gevaar voor eigen leven konden worden bereikt – als ze al werden bereikt. 

Verreweg de meeste bezoekers komen naar Tromsø om het noorderlicht te zien of om met honden te sleeën – of om een selfie te nemen voor de noordelijkste McDonald’s ter wereld.

Dergelijk op comfort gericht toerisme staat in schril contrast met de ervaringen van de eerste poolreizigers, die zich in een voor hen geheel onbekende wereld begaven en op hun vaak vergeefse tocht naar de pool ondenkbaar lijden moesten doorstaan. In zijn fascinerende biografie van de Noordpool serveert Erling Kagge op meeslepende wijze enkele van de meest bekende en tragische verhalen. Zo is er de noodlottige expeditie van Adolphus Greely, waarvan de overlevende leden zich na drie jaar aan kou en ellende bij thuiskomst moesten verweren tegen hardnekkige (maar niet geheel ongegronde) geruchten over kannibalisme. Of de tot mislukken gedoemde poging van de Zweed Salomon August Andrée om per luchtballon naar het noordelijkste puntje van de aarde te vliegen. Nadat de ballon neerstortte, overleefden Andrée en zijn twee metgezellen wekenlang op het pakijs voordat ze op Kvitøya, een van de meest onherbergzame plekken ter wereld, om nog altijd onopgehelderde redenen zouden overlijden; hun lichamen werden pas 33 jaar later per toeval teruggevonden.  

Het lijkt erop dat we maar geen genoeg kunnen krijgen van zulke dramatische verhalen over onbevattelijk lijden en afzien, moed en doorzettingsvermogen. De opvallende groei van het arctisch toerisme kent een al even opvallende parallel in het Nederlandse leesgedrag. In de afgelopen twee jaar verscheen de ene na de andere titel over de geschiedenis van het noordpoolgebied. Deze trend betreft onder andere twee heruitgaven: de Nederlandse vertaling (eerste druk 2018) van Een vrouw in de poolnacht van de Oostenrijkse Christiane Ritter, dat oorspronkelijk verscheen in 1938, en Terug uit de witte hel (eerste druk 2015) van Adwin de Kluyver, een biografie van de in de vergetelheid geraakte Nederlandse poolheld Sjef van Dongen. Daarnaast zijn er onlangs twee oorspronkelijk Noorse boeken in Nederlandse vertaling verschenen: het eerder aangehaalde De Noordpool van Erling Kagge, en Poolliefde van Anders Bache en Sigri Sandberg. Ongetwijfeld zijn er tussen het moment van schrijven en publiceren ook alweer nieuwe titels verschenen.  

De recente golf aan poolliteratuur en het bloeiende arctische toerisme doen de vraag rijzen waar deze opgeleefde belangstelling voor het allerhoogste noorden vandaan komt. Waarom vinden wij de extreme omstandigheden in het poolgebied zo aantrekkelijk en lezen we zo graag over de dappere en onbezonnen zielen die deze gevaren trotseerden? Hoe verhoudt die fascinatie zich tot onze eigen hang naar luxe en comfort? En waarom laat deze interesse voor de Noordpool zich juist nu zo gelden?

De aantrekkingskracht van het sublieme

Erling Kagge stipt veel van deze vragen aan in zijn boek, dat hij zelf beschrijft als ‘een fragmentarische en persoonlijke biografie van een geografisch gebied dat wordt ontdekt en herontdekt door egocentrische, nieuwsgierige mensen van over bijna de hele wereld – zoals ikzelf.’ De levensloop van de gebiografeerde begint bij de eerste voorstellingen rond de Noordpool in de Indiase tekst Rigveda en loopt via Herodotus, de eerste op mythevorming gebaseerde kaarten, het tragische lot van Willem Barentsz en alle dramatische, vruchteloze pogingen de pool te slechten die na hem volgden, via de Amerikanen Robert Peary, Frederick Cook en Richard Byrd – die allen claimden als eerste de Noordpool te hebben bereikt, en die alle drie zeer waarschijnlijk de boel bij elkaar hebben gelogen – tot aan de problematiek rond klimaat en politiek die vandaag speelt. Rode draad vormt de relatie tussen mens en natuur: het gaat over de liefde en eerbied van de mens voor zijn omgeving, maar ook om de wens haar te onderwerpen en uit te buiten. Tegelijkertijd blijft de natuur de mens vaak de baas, zeker in het ijskoude noorden, waar de omstandigheden in de regel hard en ongenadig zijn. 

Veel poolgeschiedenissen bieden dezelfde combinatie van weerzin, sensatiezucht en fascinatie als zulke horrorromans. De avonturen van poolreizigers verkochten in de negentiende eeuw dan ook al goed. En hier gold: hoe gruwelijker het lijden, hoe hoger de oplagen.

Voor de ervaren poolreiziger Kagge is zowel de schoonheid als de wreedheid van het poolgebied bepaald geen abstract begrip. Hij doorweeft zijn geschiedenis van de Noordpool met een verslag van de expeditie die hij in 1990 samen met zijn kameraad Børge Ousland volbracht. De twee legden achthonderd kilometer af op ski’s zonder daarbij onderweg hulp te ontvangen in de vorm van bijvoorbeeld depots, honden of gemotoriseerde voertuigen; hun voorraden trokken ze zelf voort op sleeën. Zijn beeldende beschrijvingen van de ontberingen die hij zelf heeft moeten doorstaan voorzien de historiografische delen van een diepere laag: het maakt het lijden van bijvoorbeeld Greely of Andrée nog beter voorstelbaar en soms bijna voelbaar (denk alleen al aan Kagges beschrijving van zijn eigen lichaam, waar aan het einde van de tocht geen grammetje vet of spier meer aanzit). Vaak ook geeft Kagge een logische verklaring voor passages uit de (dag)boeken van historische poolreizigers die ons als vreemd of zelfs onwaarschijnlijk voorkomen. Velen dachten bijvoorbeeld land te hebben gevonden waar latere expedities niets dan zee en pakijs aantroffen. Kagge legt helder uit hoe luchtspiegelingen landmassa kunnen suggereren. Hij heeft dat zelf vaak genoeg meegemaakt. 

Naast de persoonlijke en historiografische verhaallijnen onderbreekt Kagge zijn relaas zo nu en dan met persoonlijke reflecties rond de betekenis en aantrekkingskracht van de Noordpool. Leidende vraag is daarbij: waarom doe ik mijzelf dit aan? Waarom stel ik mezelf keer op keer bloot aan immense kou, honger, gevaar, pijn en fysiek ongemak? In het verlengde van die persoonlijke motieven – onder meer nieuwsgierigheid naar het onbekende, reislust, een zoektocht naar de erkenning van op de eerste plaats zijn vader, en een aan verliefdheid grenzende obsessie met het overwinnen van alle beproevingen die tijdens de reis op zijn pad komen – kunnen we redenen identificeren voor de blijvende fascinatie voor de avonturen van poolreizigers, ook onder lezers die er zelf niet van zouden dromen de sneeuwschoenen aan te trekken. 

Kagge vindt een antwoord in het denken van de Ierse filosoof Edmund Burke en diens begrip van het sublieme. Het sublieme kan misschien het best gedefinieerd worden als een genoegen waarbij iets op het spel staat, dat angstaanjagend en overweldigend is, en aantrekkelijk omdat het tegelijk juist afstoot. Volgens Burke en zijn tijdgenoten was de natuur vergeven van het sublieme: hoge bergkammen, lawines, vulkaanuitbarstingen, machtige stormen, steile kliffen en bruisende zeeën, eindeloze ijsvlakten, ijskoude winden en hevige sneeuwval. Maar we vinden het sublieme bijvoorbeeld ook in de schilderijen van Caspar David Friedrich, waar de mens een nietige figurant is in een meedogenloze en majestueus oprijzende natuur. Een andere vorm van sublimiteit treffen we in de gothic novels over spookkastelen, door de duivel bezeten monniken, of het monster van Frankenstein. Veel poolgeschiedenissen bieden dezelfde combinatie van weerzin, sensatiezucht en fascinatie als zulke horrorromans. De avonturen van poolreizigers verkochten in de negentiende eeuw dan ook al goed. En hier gold: hoe gruwelijker het lijden, hoe hoger de oplagen.

Tegelijkertijd kan de lezer opgelucht ademhalen: wij hoeven gelukkig niet door min vijftig een tientallen kilo’s zware slee voort te slepen over ijsschotsen die onder onze voeten constant in beweging zijn en ons misschien wel verder laten wegdrijven van ons doel en zo al ons geploeter vergeefs maken. Veilig thuis op de bank worden we niet blootgesteld aan een snijdende wind en geplaagd door een onophoudelijk knagende honger, terwijl we constant op onze hoede moeten zijn voor een mogelijke aanval van een hongerige ijsbeer. Ook hoeven we gelukkig niet te overwegen of we misschien onze tanden moeten zetten in het vlees van een bezweken kameraad… Die opluchting is een fijne en verlossende ervaring op zich. 

De pool en de liefde

De mysterieuze liefde van de mens voor de onverbiddelijke polaire natuur is ook het onderwerp van Poolliefde. Verlangen bij -40 °C van Anders Bache en Sigri Sandberg. Maar de twee Noorse auteurs voegen daar een belangrijk perspectief aan toe: dat van de liefde (of, in een enkel geval, het gebrek daaraan) voor een partner, die ofwel meegaat naar de koude streken, ofwel thuis moet achterblijven in de kwellende onzekerheid of de poolreizende geliefde ooit nog levend zal worden teruggezien. De offers die een poolheld moet brengen onderweg naar zijn doel kunnen niet bestaan zonder de zelfopoffering van zijn naasten. 

Bache en Sandberg presenteren negen dergelijke liefdesverhalen. Ontroerend is de briefwisseling tussen de bekende Noorse poolreiziger Fridtjof Nansen en diens vrouw Eva Sars, een toentertijd bekende zangeres, tijdens Nansens uiteindelijk mislukte expeditie naar de Noordpool tussen 1893 en 1896. Gedurende de drie jaar die de reis duurt, mist hij zijn ‘Evapadje’ intens – en zij mist hem al even erg. De liefde spat van hun woorden af. Tegelijkertijd verdiept de afstand en de uitzonderlijke situatie waarin de twee verkeren die liefde alleen maar. Of zoals Fridtjof aan Eva schrijft: ‘Stel je ons beiden voor als twee normale echtelieden, die niet langer naar elkaar lachen in de alledaagse trivialiteit, de dagelijkse sleur, en die steeds afgevlakter worden, onaardiger en onaardiger, en voor wie de ander niet meer is dan een willekeurig meubelstuk in huis. Zo zijn toch de meeste mensen die ik ontmoet, zich eindeloos voortslepend in de tredmolen van het bestaan.’ 

Na Eva’s vroegtijdige dood zou Nansen al even romantische brieven sturen naar een Britse beeldhouwster met de naam Kathleen Bruce. Maar voor Bruce, die over mannelijke aandacht niet te klagen had, was er maar één man in haar leven: Robert Falcon Scott, de ongelukkige Britse poolreiziger die de Zuidpool een maand nadat de expeditie van Roald Amundsen daar reeds de Noorse vlag had geplant zou bereiken. Scott zou op de terugweg naar het basiskamp om het leven komen en dit nieuws zou Bruce pas een dik jaar later bereiken. Wat voor Nansen en Sars gold, gold net zo goed voor haar. Hoe langer Scott vermist was, schrijft ze ergens, hoe verliefder ze op hem werd. 

De voorbeelden van Nansen, Sars, Bruce en Scott tonen het sublieme in een andere gedaante. Waar de poolreiziger een strijd op leven en dood voert met de elementen in de sublieme setting van sneeuw en ijs, worstelt de achtergebleven geliefde met een liefde die even intens als angstaanjagend is, omdat ieder moment het bericht kan komen dat het middelpunt van die liefde nooit meer thuiskomt. Ook hier geldt dat de uitzonderlijke omstandigheden in de poolgebieden de menselijke ervaring intensiveren – of sublimeren. 

Vrouwen in de poolnacht

De Oostenrijkse Christiane Ritter, die haar man naar Spitsbergen volgde en daar verslingert raakte aan de poolnacht, heeft de selectie van Sandberg en Bache niet gehaald, en dat is enerzijds jammer te noemen, want haar levendige verslag van haar tijd op Spitsbergen is misschien wel een van de mooiste liefdesverklaringen aan het Hoge Noorden in de wereldliteratuur. Aan de andere kant valt de keuze ook te begrijpen. Ritters verblijf is een stuk minder dramatisch dan dat van de wel opgenomen ‘poolvrouwen’ – zoals dat van Hansine Hansen, die als een van de weinigen een kind ter wereld bracht tijdens haar tijd op Spitsbergen; of dat van Ilse Erika Grau, die onder mysterieuze omstandigheden om het leven kwam, slechts kort na haar aankomst op de eilandengroep. 

De verhalen van deze drie vrouwen laten zien dat het leven op Spitsbergen, ver buiten het bereik van de lange arm van de ‘beschaving’, de mogelijkheid bood te breken met sociale conventies. Zo kon zowel Hansen als Grau ongetrouwd samenwonen met een veel oudere man zonder dat dit onder de plaatselijke bevolking tot opgetrokken wenkbrauwen leidde. Ritters poëtische beschrijvingen van de ontzagwekkende natuur kunnen eveneens worden opgevat als een vorm van maatschappijkritiek, een kritiek waarin de sublieme ervaring een centrale rol speelt: 

Nee, de Noordpool onthult zijn geheim niet voor de prijs van een passagebiljet. Je moet de lange nacht, de stormen en de vernietiging van de menselijke trots hebben meegemaakt. Je moet de dingen dood hebben gezien om te kunnen voelen dat ze leven. In de terugkeer van het licht, in de betovering van het ijs, in het levensritme van de in de wildernis bespiede dieren, in heel die hier zichtbaar wordende wetmatigheid van het bestaan schuilt het geheim van de Noordpool en de geweldige schoonheid van het landschap.

Een Nederlandse poolheld

Ritter vormt, samen met Hansen en Grau, ook een uitdaging voor een stereotype dat vooral opgang deed in het interbellum: dat van de poolreiziger als het toonbeeld van ultieme mannelijkheid. Die mannelijkheid is enerzijds geënt op de onverschrokken confrontatie met de natuur, anderzijds juist op de ontkenning van het sublieme: door rationeel en doelgericht handelen kan de echte man de natuur temmen, onderwerpen, haar angstaanjagende karakter onschadelijk maken. 

In zijn onlangs opnieuw uitgegeven Terug uit de witte hel. Hoe Nederland een eigen poolheld kreeg beschrijft Adwin de Kluyver uitvoerig en met een scherp oog voor historische context hoe in Nederland anno 1928 een eigen nationale en ultiem mannelijke poolheld wordt geschapen. De held in kwestie is Sjef van Dongen, een dan 22-jarige Brabander die min of meer per toeval betrokken raakt bij de zoektocht naar de bemanning van het neergestorte luchtschip Italia. De door generaal Umberto Nobile geleide expeditie had succesvol de Noordpool weten te bereiken, maar was op de terugreis in zwaar weer geraakt. Ten gevolge van de crash kwamen zeven van de zestien bemanningsleden om het leven en Nobile zelf brak een arm en een been. De reddingsactie die volgde mondde uit in een ideologische wedloop tussen onder meer Italië en de Sovjet-Unie, tussen fascisme en communisme. Ook deze missies eisten de nodige slachtoffers. Roald Amundsen, de eerste mens op de Zuidpool, raakte vermist en werd later doodverklaard. 

Van Dongen bevond zich ten tijde van deze mediastorm op Spitsbergen als opzichter van de in onbruik geraakte Nederlandse kolenmijn in Barentsburg. In de nagenoeg verlaten nederzetting zat de jongeman zich voornamelijk te vervelen, dus toen het verzoek kwam of hij met zijn hondenslee wilde deelnemen aan de reddingsoperatie aarzelde hij geen moment. De manhaftige onderneming van Van Dongen en de Italiaanse militair Gennaro Sora werd allerminst een succes, onder meer door Van Dongens gebrek aan ervaring met het trainen van sledehonden en doordat hij het uitdrukkelijke bevel nooit het pakijs te betreden negeerde. Uiteindelijk moesten de twee zelf van het ijs worden gered.

De natuur is niet te overwinnen. Men kan noch zonder consequenties op Gods stoel gaan zitten en menselijk leven scheppen, noch straffeloos de Noordpool bedwingen.

Desalniettemin wachtte Van Dongen bij thuiskomst een heldenonthaal. Tienduizenden mensen juichten hem toe in Rotterdam en in Arnhem, de woonplaats van zijn ouders. De Kluyver vertelt smakelijk over de verrichtingen van Frans Schiphorst, hoofdredacteur van het populaire weekblad Het Leven, die er alles aan deed een financieel slaatje te slaan uit de hype rond de kersverse Nederlandse poolheld. Zo was Schiphorst de ghostwriter van de twee boeken die Van Dongen uitbracht over zijn belevenissen op Spitsbergen. De Kluyver maakt aannemelijk dat de twee het niet zo nauw namen met de waarheid en de operatie een stuk spannender voorstelden dan hij in feite was. Dit is allerminst een unicum in de poolgeschiedenis, waarin feit en fictie onlosmakelijk met elkaar verknoopt zijn. Denk alleen al aan de verzinsels van Cook, Peary en Byrd. The sublime sells. En soms moet een verhaal daarom een beetje worden aangedikt. Dat was het geval in de tijd van Van Dongen en Schiphorst en dat is het klaarblijkelijk nog steeds. Het boek van De Kluyver is dan ook juist zo interessant, omdat het messcherp ontleedt hoe een heldenstatus doelbewust wordt gecreëerd en hoe daarbij het sublieme wordt gecultiveerd en gecommercialiseerd.     

Monsters

De Noordpool is ook een plek voor monsters, de thuishaven voor wezens die bij uitstek het sublieme en mysterieuze vertegenwoordigen. Gezien Mary Shelley’s fascinatie voor het sublieme, zo typisch voor de Romantiek, is het niet verwonderlijk dat ze haar monster van Frankenstein naar de Noordpool laat vluchten. Het is een soort thuiskomen. Frankenstein zelf (natuurlijk het eigenlijke monster in het verhaal) reist zijn schepping achterna, vast van zin wraak te nemen voor de moord op zijn broer, beste vriend en bruid. Daar sterft hij uitgeput aan boord van een Engels schip op weg naar de pool. Het monster zal zichzelf van het leven beroven, terwijl de kapitein van het schip zijn ambitie de pool te bereiken opgeeft en de terugreis inzet. 

Erling Kagge leest de roman met een ecokritische blik: de natuur is niet te overwinnen. Men kan noch zonder consequenties op Gods stoel gaan zitten en menselijk leven scheppen, noch straffeloos de Noordpool bedwingen. Die interpretatie van Shelley’s werk is uiterst actueel – en in dat licht is het ook niet zo vreemd dat Guillermo Del Toro de roman onlangs groots heeft verfilmd. Want wat gebeurt er als we deze boodschap negeren en de Noordpool definitief ‘temmen’? Wat staat ons te wachten wanneer handelsschepen en cruiseschepen in de zomer vrijelijk over de top van de wereld kunnen varen? Maken we dan niet net als Victor Frankenstein monsters van onszelf? 

Misschien verlangen we terug naar de tijd dat de Noordpool nog wild en woest was, een sublieme setting waar de mens zich heldhaftig kon meten met een superieure natuur.

Misschien willen we liever niet al te lang bij zulke vragen stilstaan en liever vergeten dat het noordpoolgebied door ons toedoen bezig is te verdwijnen. Misschien lezen we juist zo graag over Andrée, Ritter en Van Dongen omdat we terugverlangen naar de tijd dat de Noordpool nog wild en woest was, een sublieme setting waar de mens zich heldhaftig kon meten met een superieure natuur. We laven ons met overgave aan de schoonheid en de spannende verhalen die de pool te bieden heeft, zodat we maar niet onze ogen hoeven te openen voor het onherroepelijke verval en verlies.