Voorbij de paddotrip
Om het bewustzijn echt te begrijpen, moeten we onze geest open durven stellen, aldus schrijver Michael Pollan in zijn nieuwste boek Een wereld verschijnt. Lukt hem dat zelf ook? Daan Mulder betwijfelt het.
Besproken boeken
Je zou zeggen dat de Amerikaanse schrijver Michael Pollan niet al te bang is aangelegd. Zijn vorige boek, How To Change Your Mind (in het Nederlands: Verruim je geest), ging over de geschiedenis van het onderzoek naar psychedelica. Om het onderwerp ook van binnenuit te begrijpen nam Pollan lsd en paddo’s, en rookte kristallen van 5-MeO-DMT, een uit paddengif gedestilleerd hallucinogeen. In het boek wisselde hij zo geschiedenis en wetenschappelijk onderzoek af met beschrijvingen van zijn eigen trip-ervaringen. Het boek werd een bestseller en er volgde een Netflix-documentaire met dezelfde titel. Pollan hield aan zijn drugsgebruik een fascinatie over die je bij enthousiaste trippers wel vaker ziet: hij wil nu het bewustzijn begrijpen. Zijn meest recente boek, Een wereld verschijnt, richt zich dan ook op dat onderwerp.
Ook in dit boek treffen we aanvankelijk de onverschrokken Pollan. De inleiding gaat gelijk over het vraagstuk dat filosoof David Chalmers het ‘moeilijke probleem van het bewustzijn’ noemde: hoe ontstaat er überhaupt een bewuste ervaring uit alle taken die de hersenen uitvoeren? Zelfs als we elk detail van de werking van de hersenen precies zouden kunnen beschrijven, elke cel, elk molecuul, elke interactie (wat door Chalmers met gevoel voor ironie het ‘makkelijke probleem’ werd genoemd), dan nog blijft de vraag hoe uit zo’n fysisch proces een bewuste ervaring ontstaat. Neem bijvoorbeeld het licht dat vanaf een stoplicht op het oog valt, de oogzenuw die signalen naar de hersenen stuurt, de hersenen die de kleur (‘rood’) omzetten in een signaal naar je spieren om te stoppen met lopen. Je zou je kunnen voorstellen dat al deze processen zich volautomatisch en machinaal zouden voltrekken, zonder dat er een ‘iemand’ is die deze gang van zaken bewust meemaakt. Waarom zijn we kennelijk meer dan uit vlees gemaakte machines? Hoe ontstaat die bewuste ervaring?
Michael Pollan hield aan zijn drugsgebruik een fascinatie over die je bij enthousiaste trippers wel vaker ziet: hij wil nu het bewustzijn begrijpen.
Pollan benadrukt terecht dat de vraag naar het bewustzijn voor een groot deel buiten het domein van de reguliere wetenschap ligt. Dat wil niet zeggen dat er over het onderwerp niets interessants te zeggen valt. Ook dit keer is Pollan bereid om zichzelf als proefkonijn te gebruiken. Hij laat zich bijvoorbeeld door psychologieprofessor Russell T. Hurlburt een pieper opspelden, die op willekeurige momenten een signaal geeft, waarop Pollan moet noteren wat er in zijn gedachten omging vlak voor de piep. Hurlburt onderzoekt hoe de gedachtestroom bij verschillende mensen vorm krijgt: zijn ze bijvoorbeeld visueel ingesteld, of niet? Verrassend genoeg gaat het boek zo pagina’s lang over wat precies de ervaring was toen Pollan voor de eerste keer de piep hoorde (hij stond in de rij bij een koffietentje te bedenken of hij ook een broodje zou kopen): dacht hij in woorden of zag hij het broodje daarbij voor zich? En als hij het broodje voor zich zag, in hoeveel detail dan? Tot zijn eigen verbazing volgt de conclusie dat Pollan een relatief kalme bewustzijnsstroom heeft.
Wie ruist er in het struikgewas?
Pollan sorteert zijn onderwerpen grofweg op complexiteit, van ‘receptiviteit’, via ‘gevoel’ en ‘denken’ (hier wordt de aanschaf van het broodje ontleed), naar het ‘zelf’. In het eerste hoofdstuk, over receptiviteit, komen planten aan bod. Tijdens een paddotrip heeft Pollan het gevoel gehad dat de planten in zijn tuin op een basale manier ‘opmerkzaam’ waren. Als de psilocybine uit de paddenstoelen is uitgewerkt bezoekt Pollan meerdere plantwetenschappers, die dit idee bevestigen. Planten kunnen complexe taken uitvoeren, zoals een soortgenoot onderscheiden of met hun wortels een doolhof oplossen. Ze registreren dus informatie uit hun omgeving en passen hun gedrag, zoals hun groeirichting en -snelheid, daarop aan. De vraag is natuurlijk of de plant daarbij zelf iets ervaart.
Michael Pollan gaat enthousiast mee in de mogelijkheid dat planten meer zijn dan alleen groeiende, gevoelloze stronken, totdat de mogelijkheid op tafel komt dat planten dan ook kunnen lijden. Hierop zet Pollan ogenblikkelijk, als een iets te hardhandig aangestoten kruidje-roer-me-niet, een terugtrekkende beweging in.
Pollan gaat enthousiast mee in de mogelijkheid dat planten meer zijn dan alleen groeiende, gevoelloze stronken, totdat de mogelijkheid op tafel komt dat planten dan ook kunnen lijden. Hierop zet Pollan ogenblikkelijk, als een iets te hardhandig aangestoten kruidje-roer-me-niet, een terugtrekkende beweging in: ‘Deze implicaties van bewustzijn bij planten had ik niet voorzien. Het hele idee begon me ineens wat tegen te staan.’ Wat laf, dacht ik bij het lezen, om je voorkeur zo je conclusie te laten beïnvloeden, vooral voor iemand die in de inleiding nog benadrukte dat men bij het nadenken over bewustzijn bereid moet zijn zich ‘open te stellen voor bepaalde uiterst wonderlijke mogelijkheden’. Zoals de Engelsen zeggen: ‘You can’t have your cake and eat it too’, of misschien nog toepasselijker: ‘Je kan geen gevoelens toeschrijven aan je basilicumplant en hem toch gedachteloos opeten.’ Uiteindelijk trekt Pollan de wel erg veilige conclusie dat het bewustzijn van planten heel anders moet zijn dan het onze.
In de loop van het boek schetst Pollan een merkwaardige, enigszins karikaturale beschrijving van de wetenschapsgeschiedenis, die begint bij Galileo en Descartes. Door het geestelijke te scheiden van het materiële, hebben zij er volgens Pollan aan bijgedragen dat de wetenschap het bewustzijn zo lang links heeft laten liggen: ‘De kwantificeerbare materiële wereld werd de enige wereld die telde, en de werkelijkheid van de innerlijke ervaring verbleekte in het felle schijnsel van de wiskundige abstractie.’ Pollan contrasteert deze abstractie met vormen van niet-objectief weten: spiritualiteit, mystiek of literatuur. Zo krijgt zijn bewustzijnsqueeste een bijna rebelse glans, waarbij Pollan op zoek gaat naar waarheden die al vijfhonderd jaar door de dogmatische natuurwetenschappers onder de pet worden gehouden. Het roept bij mij toch vragen op: is de scheiding van lichaam en geest werkelijk een uitvinding van de moderne wetenschap? Heeft dat idee niet veel oudere wortels, die juist ook in religie te vinden zijn? ‘De geest is gewillig, maar het vlees is zwak’, is tenslotte geen quote van Galileo, maar uit het bijbelboek Mattheüs.
Menselijke machines
Pollans beschrijving van de wetenschap als dualistische boeman gaat ook voorbij aan de historische critici van Descartes’ theorieën, zoals de Franse arts en filosoof Julien Offray de La Mettrie. Hij schreef in 1747 L’Homme Machine, waarin hij uiteenzet waarom hij niet in een ziel gelooft. In plaats daarvan denkt hij dat de geest voortkomt uit de materie: ‘Ik geloof dat denken zo weinig onverenigbaar is met georganiseerde materie dat het een eigenschap ervan lijkt te zijn, net als elektriciteit, bewegingsvermogen, ondoordringbaarheid, uitbreiding, enzovoort.’ Volgens Descartes zijn dieren zielloze machines en hebben alleen mensen naast hun lichaam ook nog een denkende ziel, die voor hun bewustzijn zorgt. La Mettrie betoogt dat Descartes zich hierin vergist: het onderscheid tussen mensen en dieren vindt La Mettrie onzinnig – zo stelt hij voor om een mensaap bij wijze van experiment naar school te laten gaan. La Mettrie suggereert zelfs dat het hele idee van een menselijke ziel voor Descartes slechts een slinks trucje was, waardoor hij het idee kon verspreiden dat levende wezens eigenlijk complexe machines zijn, zonder de Kerk voor het hoofd te stoten; ‘een stilistische list, om theologen een gif te laten slikken dat verborgen ligt in de schaduw van een analogie die iedereen treft, maar die alleen zij niet zien.’
Is de scheiding van lichaam en geest werkelijk een uitvinding van de moderne wetenschap? Heeft dat idee niet veel oudere wortels, die juist ook in religie te vinden zijn?
La Mettrie heeft er geen bezwaren tegen om ook aan machines bewustzijn toe te kennen, aangezien wijzelf volgens hem ook niets anders zijn dan machines. ‘Alles’, aldus La Mettrie, ‘hangt af van het verschil in rangschikking van de materie.’ Daar is Pollan veel terughoudender in. Hij raakt er weliswaar van overtuigd dat alle levende organismen, of het nu een mens of een eencellige betreft, over een bepaalde mate van bewustzijn beschikken, maar hij durft de stelling niet aan dat ook robots een bewustzijn zouden kunnen ontwikkelen. Het wordt me niet helemaal duidelijk waaraan organismen hun bijzondere plaats in Pollans wereldbeeld te danken hebben. Alle eigenschappen die hij noemt, onze kwetsbaarheid, onze lichamelijkheid, onze eindigheid, zouden in theorie evengoed voor robots kunnen gelden. Sterker nog, Pollan heeft interessante interviews met onderzoekers die dat soort robots proberen te bouwen. Het dogmatische ‘een machine kan nu eenmaal niet bewust zijn’ vind ik zelf wel een erg ontwijkend antwoord op de vraag of er ooit iets als een bewuste robot zou kunnen bestaan.
Het lezen van een boek is uiteindelijk een subjectieve ervaring, en voor het lezen van een boek over bewustzijn geldt dat misschien wel dubbel zo sterk. Ik heb geboeid zitten lezen over alle wetenschappers en denkers die Pollan aanhaalt en bezoekt. Zijn eigen analyses vind ik daarentegen veel zwakker. Aan het einde van het boek gaat Pollan op stilteretraite in een meditatiecentrum in de buurt van Santa Fe. Ik kon een gedachte niet onderdrukken: hield hij in de rest van het boek ook maar wat vaker zijn mond.