Advertentie
Banner Ambo Anthos 2026-5 – webformaat

Academische vrijheid in het tijdperk van polarisatie

Op 2 september 2026 opende de Libanese socioloog Sari Hanafi in Amsterdam het Academisch Jaar van het Netherlands Institute for Advanced Studies (NIAS). In zijn toespraak gaat Hanafi in op de toenemende druk op de academische vrijheid in een gepolariseerde samenleving. Centraal staat daarbij de opkomst van het ‘symbolisch liberalisme’. Het is een liberalisme dat in theorie heel liberaal oogt, maar in de praktijk vaak en in toenemende mate illiberaal uitpakt.

Besproken boeken

Recente debatten over academische vrijheid worden vaak afgeschilderd als geschillen over vrijheid van meningsuiting, ‘cancelcultuur’ of ideologische polarisatie. Toch wijzen deze debatten op een onderliggend probleem, namelijk hoe moeilijk het is om epistemische diversiteit in stand te houden binnen instellingen die steeds meer worden gekenmerkt door managementgericht bestuur, overgeërfde koloniale hiërarchieën en de behoefte om overal een veiligheidskwestie van te maken. Universiteiten hebben zich van oudsher geprofileerd als ruimtes waar concurrerende opvattingen over de waarheid kunnen worden bediscussieerd, getoetst en verfijnd. Tegenwoordig ervaren veel wetenschappers – net als journalisten en kunstenaars – echter toenemende druk om dominante narratieven te volgen, op straffe van professionele sancties.

In mijn recente boek Against Symbolic Liberalism: A Plea for Dialogical Sociology (2025) bespreek ik een zich verdiepende crisis binnen de hedendaagse academische wereld: de opkomst van ‘symbolisch liberalisme’ – een houding die klassiek liberaal is wat culturele kenmerken betreft, maar die in de praktijk politiek illiberaal is –, in combinatie met een toenemende maatschappelijke polarisatie. Deze crisis komt scherp tot uiting in de onderdrukking van de academische vrijheid en de linkse en rechtse vormen van cancelcultuur die daarin een rol spelen.

Ik onderscheid hier vijf onderling samenhangende dynamieken: (1) de gespannen relatie tussen academische vrijheid en diversiteit, gelijkheid en inclusie (DEI); (2) het samenspel van veiligheidsdenken en managementlogica; (3) de ongelijke hiërarchie van stemmen; (4) de duurzame rol van koloniale erfenissen in het academische leven; en (5) het gedeelde lot van academische, journalistieke en artistieke vrijheden binnen de liberale democratie.

DEI als aspect van academische vrijheid

Aan hedendaagse universiteiten wordt fel gediscussieerd over de vraag of DEI-principes de academische vrijheid vergroten of juist beperken. Gebruikmakend van het werk van onderwijsfilosofen zoals Eamonn Callan, Sigal Ben-Porath en Judith Butler betoogt Dina Kiwan in haar boek Academic Freedom and the Transnational Production of Knowledge (2023) dat inclusiviteit geen externe beperking van de academische vrijheid is maar eerder een ‘voorwaarde’ ervoor. Met andere woorden: voordat zij volledig deel kunnen nemen aan het academische leven moeten gemarginaliseerde groepen zich eerst veilig en betrokken voelen. Zolang aan die basisvoorwaarde niet voldaan is, blijft academische vrijheid een voorrecht van de dominante groep. Deze zienswijze probeert de gepolitiseerde impasse op te lossen tussen enerzijds de rechtse verdediging van de vrijheid van meningsuiting en anderzijds de linkse eis van bescherming tegen kwetsingen.

Hoewel het principe van sociale verantwoordelijkheid binnen de academische vrijheid ons in staat stelt kwetsende uitlatingen aan de kaak te stellen, mag dit niet leiden tot grootschalige wettelijke beperkingen.

In het huidige, afschrikkende klimaat van polarisatie wordt deze verhouding echter wankel. Precies dezelfde logica die inclusie als voorwaarde ziet, kan worden gebruikt om mensen met afwijkende meningen de mond te snoeren. Zo zijn protesten tegen de genocidale oorlog tegen Gaza bestempeld als antisemitisch op basis van een ‘psychologiserende literatuur over schade en trauma’. Wetenschappers zoals de Amerikaanse filosofe Ann Cudd (momenteel voorzitter van de Portland State University) stellen dat ‘giftige en onderdrukkende uitlatingen’ de aannames van studenten dat de wereld welwillend en zinvol is aan diggelen slaan en dus ingeperkt dienen te worden. Net als Uwe Steinhoff ben ik daar sceptisch over: een rechtssysteem dat meningsuiting beperkt op basis van ‘ervaringen die onze aannames aan diggelen slaan’ is gevaarlijk vaag. Hoewel het principe van sociale verantwoordelijkheid binnen de academische vrijheid ons in staat stelt kwetsende uitlatingen aan de kaak te stellen, mag dit niet leiden tot grootschalige wettelijke beperkingen: echte epistemische DEI vereist een kritische dialoog, geen preventieve juridische maatregelen; het vereist een dialogische sociologie die de grens tussen inclusie en open debat voortdurend heronderhandelt en zich zo verzet tegen uitsluiting en censuur.

De tragische dood van Jason Arday van de University of Cambridge toont aan hoe gevaarlijk het is als rechts-populistische mediacampagnes het academische veld gaan beheersen.

Om met Pierre Bourdieu te spreken: het academische veld dient autonoom te blijven en vooral binnen het eigen veld verantwoording af te leggen – via wetenschappelijke kritiek, peer review en intellectueel debat, en niet door berechting in de politiek of media. De tragische dood van Jason Arday van de University of Cambridge toont aan hoe gevaarlijk het is als rechts-populistische mediacampagnes het academische veld gaan beheersen. Een academische fout, meningsverschil of controversieel betoog dient volgens de normen van de universiteit te worden aangepakt en niet te verworden tot een openbaar proces of een medialynchpartij.

Het samenspel tussen securitisering en managementlogica 

De academische vrijheid wordt niet alleen bedreigd door ideologische polarisatie, maar ook door twee elkaar overlappende bestuurlijke logica’s: securitisering en managerialisme. Het voorbeeld van het Britse ‘Prevent’-beleid is leerzaam. Prevent, dat bedoeld is om extremisme tegen te gaan, politiseerde in de praktijk religieuze identiteit door (vermeend) sociaal conservatisme gelijk te stellen aan radicalisme. Islamitische medewerkers en studenten noemden het beleid afschrikwekkend, waarbij ze niet langer open discussies over moeilijke kwesties konden voeren en hun bij voorbaat legitimiteit en recht van spreken werd ontnomen. Deze securitisering is voornamelijk toe te schrijven aan populistische conservatieven die beweren dat universiteiten platforms zijn geworden voor radicale islamisten – al blijkt uit data dat minder dan twee procent van de evenementen van studentenverenigingen als ‘extreem’ werd beoordeeld. In Frankrijk wordt kritiek op de Franse politiek door zowel links als rechts afkeurend bestempeld als ‘islamo-links’ en blootgesteld aan hevige, door de regering georkestreerde en door de mainstreammedia versterkte, aanvallen.

De versmelting van securitisering (uitmondend in staatscontrole over ideeën) en managementlogica (marktgedreven risicomijding) leidt tot universiteiten die tegelijkertijd overdreven voorzichtig en politiek conformistisch zijn.

En terwijl een neoliberale managementlogica de boventoon voert, leggen universiteitsbestuurders (vaak zelf geen academici meer) overhaast straffen op aan hoogleraren omdat ze literaire werken citeren zonder triggerwarnings of omdat ze niet vooraf rekening houden met de gevoeligheden van studenten. Deze cultuur van ‘veiligheidsfanatisme’ wordt versterkt door de commodificatie van het hoger onderwijs: bestuurders investeren in fondsenwerving bij miljardairs, bezuinigen op het aantal vaste docenten, besteden diensten uit en sluiten ‘onrendabele’ afdelingen. In deze omgeving oefenen donateurs onevenredig veel invloed uit. De Bard College-zaak van 2023 – waarin de instelling een cursus over ‘Apartheid in Israël-Palestina’ verdedigde om vervolgens te maken te krijgen met een door donateurs georganiseerde tegencampagne – leidde onder meer tot het aftreden van een bestuurslid. Recenter werd een kunsthoogleraar met een vaste aanstelling op non-actief gesteld voor het opgeven van een casestudy waarin Palestijnen voorkwamen, omdat de vicevoorzitter voor academische zaken beweerde dat de handelingen van de hoogleraar studenten ‘onmiddellijke schade dreigden toe te brengen’. De versmelting van securitisering (uitmondend in staatscontrole over ideeën) en managementlogica (marktgedreven risicomijding) leidt tot universiteiten die tegelijkertijd overdreven voorzichtig en politiek conformistisch zijn.

Sommige stemmen lijken gelijker dan andere

Een vaak door wetenschappers benadrukt thema is de hiërarchische ongelijkheid van stemmen: wie mag spreken, wie wordt gehoord en wie wordt het zwijgen opgelegd? Uit gegevens van de Amerikaanse Foundation for Individual Rights and Expression (FIRE) blijkt dat het aantal keren dat Amerikaanse universiteiten uitnodigingen aan sprekers introkken tussen 2001 en 2020 steeg van vier naar vijfenzestig. Hoewel achtenzestig procent van de bezwaren van links van de betreffende spreker kwam, blijkt ook rechts deel uit te maken van de cancelcultuur. Maar mijn punt is meer structureel: sommige vormen van kritiek worden systematisch gedelegitimeerd – met name als het aankomt op religie, migratie, nationalisme, kolonialisme, gender of buitenlandbeleid.

De genocidale oorlog tegen Gaza is hiervan een schrijnend voorbeeld. Meerdere internationale en Israëlische organisaties en mensenrechtengroeperingen hebben de militaire acties van Israël in Gaza als genocide bestempeld – met name Amnesty International (5 december 2024); de VN in het rapport Anatomy of a Genocide, van Francesca Albanese uit maart 2024; Artsen Zonder Grenzen op 19 december 2024; de Internationale Federatie voor de Rechten van de Mens op 12 december 2024; en ook de Israëlische mensenrechtenorganisaties B’tselem en Physicians for Human Rights. Toch wordt er op veel sociologische conferenties die ik heb bijgewoond door menig westers wetenschapper nog vaak simpelweg gesproken over ‘de oorlog tegen Gaza’ of, erger, ‘de crisis in het Midden-Oosten’. Wetenschappers die kritisch staan tegenover het Israëlische beleid zetten hun carrière op het spel, behalve in landen als Ierland, Slovenië en Spanje.

Ghassan Hage, een gerenommeerd antropoloog, werd in 2024 na een lasterlijk krantenartikel ontslagen bij het Max Planck Instituut in Duitsland. In Frankrijk werden tussen oktober en december 2023 bijna driehonderdvijftig institutionele en gerechtelijke onderzoeken ingesteld naar aanleiding van klachten die verband hielden met het Palestijns-Israëlische conflict. Ondertussen stelt de antisemitismedefinitie van de International Holocaust Remembrance Alliance – die weliswaar niet wettelijk bindend is, maar soms wel juridisch wordt gebruikt – antizionisme gelijk aan antisemitisme.

Sommige stemmen zijn inderdaad gelijker dan andere: van Palestijnse en antikoloniale wetenschappers wordt vaak verondersteld dat zij worden gedreven door haat, en niet door hun toewijding aan mensenrechten. De media reproduceren deze hiërarchie al te vaak: tijdens de genocide in Gaza lieten Franse en Duitse media zelden Palestijnse, islamitische of antikoloniale stemmen aan het woord. De mensen die Kiwan voor haar boek sprak, beschrijven – zelfs al voor 7 oktober 2023 – een ‘vijandige werkomgeving’ voor iedereen die kennis over Palestina produceert. Zo gaat formele vrijheid van meningsuiting gepaard met een diepe epistemische ongelijkheid, waarbij bepaalde kritische perspectieven tot ‘verboden kennis’ worden: kenbaar, maar te gevaarlijk om te produceren.

Koloniale erfenis in de academie 

De academische dogma’s van vandaag kunnen niet worden begrepen zonder rekening te houden met de Euro-Amerikaanse koloniale erfenis. Deze erfenis is op meerdere niveaus van invloed: organisatorisch, in het curriculum en in het dagelijkse academische leven.

Het doel moet niet zijn om te ‘cancelen’ maar om ‘Europa te provincialiseren’.

Op organisatorisch vlak is de moderne universiteit gevormd door koloniale en bedrijfsbelangen. Kennis is een ‘fictief handelsproduct’ geworden, gedreven door dezelfde logica die rijkdom uit koloniën haalde. Dezelfde donateurs die profiteerden van imperiale netwerken bepalen nu mede welke meningsuitingen geoorloofd zijn op campussen. Wat het curriculum betreft, hebben de Europese filosofie en sociale wetenschappen niet-westerse volkeren historisch gezien afgeschilderd als een ‘metafysische dreiging’ in plaats van als medeproducenten van kennis. Zoals Hamid Dabashi het stelt: ‘Arabieren, Iraniërs en moslims (…) zijn voor Europese filosofen geen ontologische realiteit.’ Toch verwerp ik, met Gisèle Sapiro, de simplistische oplossing om de canon te zuiveren.

In plaats daarvan stel ik een drietrapsstrategie voor in de omgang met problematische denkers: (1) scheid de ondeugdelijke opvattingen van een wetenschapper van diens nuttige bijdragen; (2) verdeel de intellectuele arbeid (sommigen richten zich op positieve bijdragen, anderen op kritiek); en (3) realiseer je dat de ethiek van vandaag morgen alweer als ondeugdelijk kan worden beschouwd. Daarom volg ik de dialogische communicatietheorie van Jürgen Habermas, ook al ben ik het hartgrondig oneens met zijn politieke standpunt over Palestina. En daarom geef ik de voorkeur aan de aanpak van het Rijksmuseum in Amsterdam – bij schilderijen context verschaffen over slavernij – boven het hernoemen van de David Hume-toren van de Universiteit van Edinburgh. Langs dezelfde lijnen pleit ik ervoor om Durkheim (ondanks zijn zwijgen over het Franse kolonialisme in Algerije) niet te vervangen door W.E.B. Du Bois. Het doel moet niet zijn om te ‘cancelen’ maar om ‘Europa te provincialiseren’; en Europese kennis zo te behandelen als noodzakelijk, maar ook als niet voldoende.

In het dagelijkse academische leven komt de koloniale erfenis tot uiting in de vraag naar wie er wordt geluisterd.

In het dagelijkse academische leven komt de koloniale erfenis tot uiting in de vraag naar wie er wordt geluisterd. Toen Alain Touraine de opvang van Russische Joden door Israël prees als een ‘wonder’, ging hij voorbij aan het feit dat de meesten van hen illegaal in bezet gebied werden gevestigd. Touraines reactie – ‘die migranten zijn seculier, zij zullen vrede steunen’ – onthult een secularistische vooringenomenheid die niet in staat is de koloniale realiteit onder ogen te zien. Dit is niet louter een individuele tekortkoming; het is een structureel kenmerk van een kennissysteem dat westerse handelingen als vanzelfsprekend beschouwt en niet-westers verzet als afwijkend bestempelt.

Journalistieke en artistieke vrijheid 

De academische vrijheid is nauw verbonden met de journalistieke en artistieke. Alle drie staan ze onder dezelfde druk: symbolisch liberalisme, cancelcultuur en de politieke instrumentalisering van ‘schade’. In de beroemde brief in Harper’s Magazine (juli 2020) – ondertekend door onder anderen Noam Chomsky, Salman Rushdie en Margaret Atwood – werd cancelcultuur gedefinieerd als ‘een intolerantie ten opzichte van tegengestelde standpunten, een rage van publieke bespotting en uitsluiting, en de neiging om complexe beleidskwesties op te lossen in een verblindende morele zekerheid’. Zowel de hoogleraar die zijn vaste aanstelling verliest, de journalist tegen wie een onderzoek loopt wegens ‘vergoelijking van terrorisme’, als de kunstenaar wiens prijs wordt ingetrokken, is het uiteindelijke slachtoffer.

Het geval van Masha Gessen is exemplarisch. Gessen, aan wie de Hannah Arendt-prijs werd toegekend, zag deze prompt weer ingetrokken worden vanwege een vergelijking van Gaza voor 7 oktober met Joodse getto’s in het door de nazi’s bezette Europa. Zelfs Arendt zelf – al sinds de oprichting criticus van de natiestaat Israël – zou in het Duitsland van vandaag niet meer in aanmerking komen voor de naar haar vernoemde prijs. Op soortgelijke wijze werd de toekenning van de prestigieuze Duitse LiBeraturpreis aan de Palestijnse romanschrijfster Adania Shibli in 2023 ingetrokken. Kortom, artistieke en journalistieke vrijheden staan en vallen met de academische vrijheid; ze maken deel uit van een en hetzelfde epistemische ecosysteem.

Liberale democratie vereist een levendige publieke sfeer waarin burgers met elkaar in debat kunnen gaan. Als universiteiten, media en de kunsten plaatsen worden van risicomijdende conformiteit, vervalt de democratie in ofwel symbolisch liberalisme ofwel populistisch autoritarisme.

Cruciaal is dat dit ecosysteem fundamenteel is voor de liberale democratie zelf. Liberale democratie vereist niet alleen verkiezingen, maar ook een levendige publieke sfeer waarin burgers met elkaar in debat kunnen gaan. Als universiteiten, media en de kunsten plaatsen worden van risicomijdende conformiteit, vervalt de democratie in ofwel symbolisch liberalisme (performatieve tolerantie zonder echt pluralisme) ofwel populistisch autoritarisme. Maar de nieuwe generatie daagt dit uit: studentenprotesten voor Gaza hebben de oude elite uit haar evenwicht gebracht; deze studenten vertrouwen juist op sociale media omdat ze de mainstreammedia wantrouwen. Dat is een gevaarlijke maar ook veelbelovende ontwikkeling: het toont aan dat de crisis van de academische en journalistieke vrijheid ook een crisis is van de legitimiteit van liberale instellingen.

Naar een dialogische sociologie

Mijn oplossing is niet meer wettelijke beperkingen maar een ‘dialogische sociologie’: een sociologie die weigert de ander een etiket op te plakken, die machtsongelijkheid aankaart zonder de dialoog op te geven en die de spanning tussen academische vrijheid en DEI heronderhandelt via gesprekken in plaats van juridische stappen – waarbij geen van beide verplichtingen absoluut kan zijn: ze moeten elkaar informeren. Het doel is om zowel de spiraal van zwijgen en conformeren als de spiraal van uitsluiting en zwartwit-denken te vermijden.

Uiteindelijk kan de gezondheid van de liberale democratie worden afgemeten aan de manier waarop zij omgaat met haar meest onwelgevallige stemmen. Als universiteiten, redacties en ateliers, musea en podia verworden tot plaatsen voor mensen die het al met elkaar eens zijn, dan zal de polarisatie alleen maar toenemen en zal de democratie van binnenuit worden uitgehold. De dialogische sociologie biedt, door aan te dringen op luisteren over verschillen heen, een kwetsbare maar essentiële belofte: dat we kritisch kunnen zijn ten opzichte van macht zonder dogmatisch te worden, en inclusief kunnen zijn zonder te zwijgen.

Redactie en vertaling: Merlijn Olnon