Driestemmig: Inkt en bloed
In de rubriek Driestemmig wordt een boek besproken door drie personen. Het gaat om korte leesverslagen met een vrije invulling. Voor deze editie lazen drie schrijvers met elk hun eigen band met Korea en het Koreaans de nieuwste roman van Nobelprijswinnaar Han Kang. Journalist Casper van der Veen, schrijver Heeji Jacobs en vertaler Mattho Mandersloot delen hun leeservaringen van Inkt en bloed, over de zoektocht die volgt op de moord op een kunstenares.
Besproken boeken
Whodunit over kunst en lijden
Casper van der Veen
‘Het boek dat Han Kang schreef na De vegetariër’, prijkt op de achterflap van Inkt en bloed, alsof het nu al om een iconisch tijdvak gaat binnen het oeuvre van de Zuid-Koreaanse Nobelprijswinnares. De roman draait om de dood van kunstenares Seo Inju en om de zoektocht, uitgevoerd door hoofdpersoon en hartsvriendin Lee Jeong-hie, naar hoe zij om het leven is gekomen. Het boek verscheen al in 2010 in het Koreaans, maar werd dit jaar vertaald in het Nederlands.
Han Kang is de eerste Zuid-Koreaanse schrijfster die doorbreekt bij een mondiaal publiek. Aan haar kenmerkende zintuiglijke schrijfstijl is duidelijk te zien dat ze als dichter debuteerde. In spaarzame taal en met goedgekozen details roept Kang rijke beelden op die voor zichzelf moeten spreken. Aan uitleggen doet ze minder. Ook in goedgekozen stilte klinkt soms een schreeuw.
In al haar werken treedt het lichamelijke sterk op de voorgrond. Via het lijden van individuen maakt Kang grote, maatschappelijke trauma’s invoelbaar, zoals het Bloedbad van Gwangju van 1980 (waarover haar boek Mensenwerk gaat) of de massamoord in 1949 tijdens de Jeju-opstand (het onderwerp van haar meest recente roman, Ik zeg geen vaarwel).
In Inkt en bloed wordt vrouwen pijn aangedaan door mannen, terwijl die mannen zelf eerder lijden onder het leven dan dat ze specifiek door iemand worden gekweld.
Die arbeid heeft een zware wissel getrokken op de auteur. Voor Mensenwerk deed Kang uitgebreid onderzoek naar het bloedbad van Gwangju, waarbij meer dan duizend studenten werden vermoord door de Zuid-Koreaanse ordediensten. Ze hield er ernstige nachtmerries aan over. ‘Ik had gehoopt dat ze zouden stoppen als het boek er was’, vertelde ze me in 2017 tijdens een gesprek in het stadje Seongnam. ‘Dat bleek een naïeve gedachte. Ik voel het leed van de slachtoffers nog steeds en moet het als deel van mijn leven accepteren.’
Ook in Inkt en bloed wordt veel geleden, al is dat leed nu persoonlijker van aard en niet zozeer onderdeel van een collectief trauma. De nadruk ligt op rouw. In Inkt en bloed wordt vrouwen pijn aangedaan door mannen, terwijl die mannen zelf eerder lijden onder het leven dan dat ze specifiek door iemand worden gekweld. De personages zijn bereid elkaar veel naars aan te doen ter verdediging van hun versie van het verhaal over de dood van Inju. In deze ontleding van pijn en ellende, met haarscherpe psychologische observaties, is Kang op haar sterkst. Het gaat in Inkt en bloed echter niet enkel om menselijk lijden. Kang beschikt ook over het talent om de lezer te laten meeleven met een spin waarover Jeong-hie een kommetje plaatst. Daarnaast loopt kunst, in de vorm van uitgebreide beschrijvingen van de schilderkunst van Inju, als rode draad door het boek. In het cathartische verlangen naar verandering, dat door verschillende personages wordt ervaren, gaan het mooie en het lelijke zo een symbiotische relatie met elkaar aan.
Die focus op leed geeft het boek een vrij zwaarmoedig begin, niet ongewoon in het ernstige en sombere oeuvre van Kang, maar halverwege neemt het verhaal een verrassende wending. De dood van Inju wordt aanvankelijk als zelfmoord afgedaan, maar de spannend beschreven zoektocht naar de ware toedracht van haar overlijden maakt van de roman soms een echte pageturner. In korte, snel wisselende scènes maakt Kang de jachtige dynamiek invoelbaar waarmee naar de waarheid wordt gezocht. Dat is andere koek dan de verstilde intensiteit, zowel tekstueel als emotioneel, die boeken als De vegetariër, Mensenwerk en Ik zeg geen vaarwel kenmerken.
In deze delen van het boek moet de lezer de aandacht er goed bijhouden. Koreaanse namen (die voor de gemiddelde Nederlander doorgaans onbekend en daarom moeilijker te onthouden zijn) volgen elkaar in rap tempo op. Sommige namen worden na de eerste introductie lange tijd niet genoemd, waardoor na een moment van onoplettendheid onduidelijk kan zijn naar welk personage ‘hij’ of ‘zij’ eigenlijk verwijst. Ook pakken twee motieven, de kosmos en de muziek van Gustav Mahler, niet heel goed uit. Dat het universum onmetelijk groot is en wij maar nietig zijn, is een gemeenplaats. Om dat gegeven in de eenentwintigste eeuw nog effectief in te zetten, heb je meer nodig dan Kang in Inkt en bloed biedt. Bij de astronomische referenties is nog duidelijk welk effect de auteur ermee beoogt; waar de lange Mahler-analyses voor dienen, is mij echter een raadsel.
Je associeert Han Kang niet direct met humor, maar een student die zo intens verliefd wordt op zijn wiskundelerares, zoals pubers dat kunnen, zorgt wel voor enkele komische momenten. Zijn uitspraak ‘Laat me een formule zien en ik krijg een stijve’ deed mij in ieder geval hardop grinniken.
Inkt en bloed is een aanrader voor liefhebbers van het serieuze, psychologische werk van Kang, die leed als geen ander een menselijk gezicht weet te geven. Fans van De vegetariër zullen ook deze roman vermoedelijk waarderen, voor lezers die Mensenwerk goed vonden is dat vrijwel zeker het geval.
Tussen hier en ginds
Heeji Jacobs
Kort nadat in oktober 2024 bekend werd dat Han Kang als eerste Koreaanse schrijfster de Nobelprijs voor Literatuur had gewonnen, was ik in Seoel. Er klonk gejubel, niet alleen binnen mijn kleine Koreaanse vriendenkring maar in heel Korea. In de Kyobo boekenwinkel op Gwanghwamun Square hing haar foto levensgroot in het midden van de ruimte en er lagen glanzende nieuwe uitgaven van haar hele oeuvre. Het historisch belang van deze winst zat hem niet alleen in de mondiale erkenning van de Koreaanse taal en literatuur, maar ook in het feit dat Kang ongefilterd vertelt over tragische gebeurtenissen uit de recente geschiedenis. Met haar schrijven over staatsgeweld en de onderdrukking van een volk dat ooit gebukt ging onder een brute militaire dictatuur eert ze de collectieve rouw en nagedachtenis, en geeft hun die het zwijgen werd opgelegd een stem.
Als Belgische van Koreaanse afkomst – door adoptie bij de geboorte gescheiden van mijn land en cultuur van oorsprong – bevond ik me op dat moment in een fundamentele zoektocht die mijn gevoel van identiteit ingrijpend veranderde. Net als mijn vrienden was ik trots en ontroerd dat een Koreaanse deze prijs had gewonnen. In tegenstelling tot in mijn kindertijd, toen Korea voor velen nog een onbekende plek was, maakte al deze aandacht het makkelijker om mijn afkomst te omarmen en zelfs fier te zijn om Koreaanse wortels te hebben.
Centraal in Inkt en bloed staat een ongeval op een besneeuwde berg, een dood gehuld in vraagtekens. Jeong-hie is ervan overtuigd dat de dood van haar jeugdvriendin, de kunstenares Seo Inju, geen zelfmoord was, zoals wordt gesuggereerd door de kunstcriticus Kang Seok-won die Inju met gelijkaardige intensiteit najaagt.
‘De dood paste niet bij Inju. Als er per se een van ons dood had moeten gaan, dan was ik het.’ Met een gewelddadige bezetenheid gaat Jeong-hie op zoek in een poging het laatste levensjaar van haar vriendin te begrijpen, en zet hierbij haar eigen leven op het spel. Als een detective brengt zij de laatste sporen van Inju in kaart en probeert ze te achterhalen wat er gebeurd is. Haar speurtocht leidt ons dwars door Seoel en terug in de tijd.
In een beklijvende, poëtische stijl beschrijft Han Kang de straten van een troosteloze stad – ‘de flatgebouwen die doen denken aan enorme urnenmuren. Scherpe, schijnbaar gillende boomtakken’ – en hoe het leven ondanks alles zijn gangetje gaat: convenience stores, kinderen in uniform op weg naar school, eenvoudige, alledaagse gerechten, bevroren klodders speeksel op de kille straten. De beschrijvingen voeren me terug naar mijn allereerste bezoek aan mijn geboorteland tijdens een ijskoude winter meer dan twintig jaar geleden, toen ik van mijn omgeving vervreemd en verteerd door heimwee en cultuurshock door diezelfde straten dwaalde.
Net als in Kangs roman Ik zeg geen vaarwel zijn het landschap, de bomen en de sneeuw bijna volwaardige personages en vervaagt de grens tussen heden en verleden, dromen en werkelijkheid. In een mozaïek van herinneringen, brieven en gesprekken komt het verleden tot leven en lijkt alles met elkaar verbonden. Gaandeweg leren we niet alleen Inju en de mensen om haar heen kennen, maar ook Jeong-hie zelf, de oorzaken van haar wanhoop en de diepe band tussen de twee vrouwen.
Inkt en bloed is na Ik zeg geen vaarwel het tweede boek van Han Kang dat ik lees in het Nederlands. De roman is sterk vertaald door Mattho Mandersloot, die de Koreaanse cultuur en eigenheden treffend weet over te brengen. Zijn keuze om het woord ‘oom’ onvertaald te laten, weerspiegelt bijvoorbeeld passend het wij-gevoel onder Koreanen en de complexiteit van familiebenamingen waarin ook ik sinds de hereniging met mijn geboortemoeder mijn weg probeer te vinden. Voor de titel wijkt Mandersloot volledig af van het origineel, 바람이 분다, 가라 – (letterlijk: De wind waait, ga), en vervangt dit door Inkt en bloed, briljante verwijzingen naar de kunst in het boek en het rood in de schilderijen van Mark Rothko.
Kang weet als geen ander de ‘Han’ (한) – de melancholie en het lijden – van elk personage te beschrijven met een zinderende intensiteit.
Anders dan in Mensenwerk en De vegetariër gaat het in deze roman niet over nationaal trauma of maatschappelijke kwesties als de positie van de vrouw. Thema’s als vergankelijkheid, wreedheid en geweld, verzet en verlies keren echter terug, net als de kwetsbaarheid van het menselijk bestaan, wat het boek toch een heel Koreaans gevoel geeft. Kang weet als geen ander de ‘Han’ (한) – de melancholie en het lijden – van elk personage te beschrijven met een zinderende intensiteit.
Het duurde enkele hoofdstukken voor ik echt gegrepen werd, geremd door de zwaarte en het aanvankelijk trage ritme, tot het verhaal plots veranderde in een kolkende rivier van obsessie, liefde, pijn en verlangen. Wat dragen wij mee in onze genen? Wat wordt ons doorgegeven door onze voorouders? En wat is voorbestemd? Als Koreaanse die opgroeide buiten haar familie en cultuur van oorsprong en zich toch diep verbonden voelt met Korea, zijn dit vragen die ook ik me stel. Seo Inju blijft ongrijpbaar tot het einde, en misschien ligt net daarin de hoop en het mysterie van een leven dat enkel haar toebehoorde.
Hoe het nawoord mijn redding werd
Mattho Mandersloot
Als ik vertel dat ik Han Kang vertaal, krijg ik geregeld de vraag: heb je dan ook contact met haar? Vaak leunt die vraag eerder in de richting van ‘Wacht, ben ik dan two handshakes away van een Nobelprijswinnaar?’ of ‘Regel je de volgende keer een handtekening voor me?’ dan ‘Kun je me wat meer vertellen over je vertaalproces?’ (Maar goed, alles beter dan ‘Kun je dat tegenwoordig niet gewoon door AI laten doen?’) Waardoor de vraag ook is ingegeven, ik moet hem helaas ontkennend beantwoorden. Er zijn weliswaar auteurs met wie ik regelmatig appjes uitwissel op Kakao (de Koreaanse tegenhanger van WhatsApp), maar Han Kang valt daar niet onder. Ze is altijd – en terecht – op haar privacy gesteld geweest, en sinds ze de Nobelprijs won des te meer.
Maar hoe vertaal je dan, zonder enig referentiepunt en zonder de auteur te kunnen raadplegen, een roman waarin beeldende kunst zo’n grote rol speelt? Een roman waarin een kunstenaar zoveel om zijn werk geeft dat hij zich ermee vereenzelvigt? ‘Inkt is rood, bloed is zwart’, zegt Samchon op een gegeven moment, alsof de inkt door zijn aderen stroomt en zijn bloed over het papier. Het staat buiten kijf dat de nauwkeurige beschrijvingen van zijn inktschilderingen – en die van zijn nicht Inju – dan ook tot in detail moeten kloppen, en net zo zinnenprikkelend moeten overkomen. Tijdens mijn eerste vertaalronde merkte ik echter dat de tekst me juist op die plekken door de vingers glipte. Wat in het Koreaans subtiel en poëtisch klonk, klonk in het Nederlands krom en zweverig. Waar in het Koreaans werd beschreven wat de schilderijen ongrijpbaar maakte, werd in het Nederlands de tekst zelf ongrijpbaar. In mijn eerste versie stonden zinnen als: ‘Samchons ster, die Inju heeft gereproduceerd, wordt op een volle pagina geboren. Het witte, warme, vlammende ding, de verlatenheid van de ronde vlam, strekt zich uit in de inkt die lijkt op pikzwart bloed.’ Zonder me tot de auteur te kunnen richten ploeterde ik dapper voort, tot ik aankwam bij – en gered werd door – het nawoord.
Wat in het Koreaans subtiel en poëtisch klonk, klonk in het Nederlands krom en zweverig. Waar in het Koreaans werd beschreven wat de schilderijen ongrijpbaar maakte, werd in het Nederlands de tekst zelf ongrijpbaar.
Vrijwel iedere Koreaanse roman bevat een nawoord van de auteur en een kort essay over de roman in kwestie, geschreven door een literatuurcriticus. In de Angelsaksische wereld worden beide parateksten meestal weggelaten, in Nederland blijft het nawoord vaak bewaard. In dit geval wijdt Kang een paragraaf aan de kunstenaars die haar hebben geïnspireerd tijdens het schrijven van Inkt en bloed. En ook al ging het om relatief onbekende kunstenaars, dankzij de wondere wereld van het internet wist ik genoeg materiaal op te duikelen om mijn vertaling te kunnen aanscherpen. Het was ronduit verbijsterend hoe alles op zijn plek viel toen ik de tekst opnieuw las met de beelden nog helder op mijn netvlies. Hoe de ingewikkelde schildertechnieken, de compositie en het kleurverloop zich nu wel lieten uitleggen, en hoe de juiste woorden als vanzelf kwamen bovendrijven. Zo veranderden bovenstaande zinnen uiteindelijk in: ‘Inju’s reproductie van Samchons ster beslaat een hele pagina. Wit, heet, brandend – de stilte van de ronde vlam dringt door tot in de inkt, het zwarte bloed.’ Dit proces deed me denken aan een citaat uit Kane Parsons’ film Backrooms: ‘Imagine describing a dog to someone who’s never seen one before and then asking them to draw it.’ Dankzij het nawoord zag ik de hond.