De bevende aarde (4): Wie zal het verhaal vertellen?


11 juli is het 25 jaar geleden dat de door de VN gegarandeerde safe haven Srebrenica viel. De inname door Bosnisch-Servische troepen onder bevel van generaal Ratko Mladić werd gevolgd door de deportatie en genocide van meer dan 8.000 moslimjongens en -mannen onder het toeziend oog van ruim 400 Nederlandse blauwhelmen opererend onder een ontoereikend mandaat en met beperkte VN-ondersteuning. Guido Snel, schrijver, literair vertaler en tolk, reisde af naar de plaats des onheils en schrijft voor de Nederlandse Boekengids dagelijks over de verhalen die de overlevenden met zich meedragen en over onze en zijn eigen verhouding tot de oorlog. Vandaag deel 4: Wie zal het verhaal vertellen?


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit is deel 4 uit een reeks van zeven over de val van Srebrenica. Lees hier de andere delen:
1. Terug naar Srebrenica
2. Over de kwetsbaarheid van manuscripten en de kracht van mensen
3. Over de oordeelskracht
4. Wie zal het verhaal vertellen?
5. Het geheugen van de bossen
6. Over ontaard engagement
7. Over de teruggekeerden

In Nederland is vooral de andere tolk, Hasan Nuhanović, bekend. Jaren geleden alweer verkocht Hasan de rechten aan de regisseuse Jasmila Žbanić, die ook de film Grbavica maakte. De samenwerking liep stuk. De Bosnische pers heeft er uitgebreid over bericht.

Hasan had het moeten weten, zegt Emir. Als je je verhaal uit handen geeft, ben je het kwijt.

Hasan zei zelf in een interview dat hij het als zijn taak zag om aan iemand die er zelf niet bij was geweest, zo precies mogelijk het beeld over te brengen dat hij in zijn hoofd heeft. Niet voor niets heeft hij ook meerdere boeken geschreven. Daarin staat het allemaal, tot in detail.

Žbanić sprak ook in Nederland met Dutchbatters, hun versie van het verhaal komt niet overeen met de feiten, zegt Hasan verder, en zij was zich daar onvoldoende van bewust, ze leefde met de Dutchbatters mee.

In een eerste versie van het scenario, zegt Hasan voorts, bleken zijn vader, moeder en broer de hoofdpersonages. Dat was in het contract nooit vastgelegd, zegt hij. Zijn boek schetst een breed panorama van de gebeurtenissen, niet alleen van zijn eigen verlies.

In een tweede versie van het scenario, gaat hij verder, smokkelt hij zijn vader, moeder en broer onder het oog van honderden andere opgejaagden de VN-basis binnen. Dat is nooit zo gegaan, zegt Hasan. Nu komt hij over als iemand die enkel zijn eigen belangen wilde behartigen. De regisseuse veranderde de feiten omdat dit in de film beter werkte, legde ze hem uit.

In een derde versie kamt de moeder haar haar, er vallen luizen uit. Mijn moeder heeft nooit luizen gehad, verklaart Hasan. We leefden onder vreselijke omstandigheden, maar luizen hadden we niet. We worden toch al weggezet als een stel smerige moslims. Waarom dan dit racistische beeld bevestigen?

Hasan trok zich vervolgens terug. Žbanić voltooide haar film, die aanstaande zomer, 2020, als er vijfentwintig jaar sinds de genocide verstreken zijn, in première zal gaan. De film heeft de titel Quo vadis, Aida? en handelt over een lokale lerares Engels, Aida, die als tolk voor de VN werkt. Samen met haar man en twee volwassen zonen bevindt Aida zich op de basis van de VN.

Mogelijk, zegt Hasan in een ander interview, hebben ze echt afstand van het verhaal van mijn familie genomen. Dan neem ik mijn opmerkingen terug.

De regisseuse, Jasmila Žbanić, heeft een verklaring laten uitgaan. Door een fictief personage te scheppen, schrijft zij, in een context van waargebeurde feiten, willen we over alle slachtoffers van deze misdaad kunnen spreken, en tegelijk de privacy van individuele slachtoffers beschermen. Onze film is geen reconstructie van een individueel lot, het is geen documentaire over individuen.

Tijdens het werken aan onze film, schrijft Žbanić ook, hebben we zeer veel materiaal bestudeerd: getuigenissen, boeken, juridische stukken, en we hebben talloze gesprekken gevoerd. Het traject van het allereerste idee naar het eindresultaat, een speelfilm, is lang en ingewikkeld. Meestal is het zo dat het uiteindelijke resultaat wezenlijk verschilt van het oorspronkelijke idee. Dat is het wezen van scheppend werk.

En in haar verklaring zegt ze ook: er zijn geen woorden voor een persoonlijke tragedie. Dit is een film over een collectieve tragedie. Ons streven met deze film is dat de genocide van Srebrenica nooit zal worden vergeten, evenals de film Grbavica ertoe wilde bijdragen dat het gepleegde seksuele geweld tijdens de oorlog nooit zal worden vergeten. De hoofdpersoon in die film, Esma, is een bedacht personage, en toch hebben veel vrouwen die het slachtoffer van verkrachting waren zich in Esma herkend.

Ik zoek naar houvast in deze discussie, beken ik tegen Emir. Aristoteles stelde fictie boven geschiedschrijving, de zeggingskracht van de laatste beperkte zich tot het particuliere, het bijzondere van elke historische gebeurtenis. Fictie, aldus Aristoteles, sprak daarentegen over het algemeen menselijke. De echte tragedie is die van Orestes, Elektra, Agamemnon, daar pas wordt het lijden voorstelbaar: het kan, door de kracht van de vertelling, invoelbaar voor anderen worden gemaakt.

Maar er is zoveel zwakke fictie, vervolg ik. Met zwak bedoel ik: die met de beste bedoelingen is gemaakt, maar die geen universele zeggingskracht heeft, die er niet in slaagt andermans tragedie invoelbaar te maken. En misschien blijkt Jasmila Žbanić straks een hele goede film te hebben gemaakt, maar dan nog stemt dat tot nadenken. Het is onmogelijk voor alle slachtoffers om hun pijn en verdriet door een enkele film te laten spreken. De enige echte waarachtige geschiedenis van Srebrenica zou elk individueel lot in al zijn kracht en verdriet invoelbaar moeten maken. Zoals in het verhaal van Danilo Kiš, ‘De encyclopedie van de doden’, waarin de hoofdpersoon een bibliotheek betreedt die alle levensbeschrijvingen bevat van alle mensen die ooit geleefd hebben. Maar om zo’n tekst te schrijven, zouden Sophokles en Thucydides opnieuw geboren moeten worden, en wel in één lichaam.

Ik denk aan Emirs boek, Briefkaarten uit het graf, dat besluit met een kort verhaal, over ene Nezir Omerović. Het is Emirs poging de zeer wezenlijke wisselwerking tussen feitelijkheid en fictie te ontraadselen. Nezir, schrijft Emir, vervulde zijn dienstplicht in 1968 of 1969; als dienstplichtige moest hij als figurant deelnemen aan de Joegoslavische film Bitka na Neretvi, De slag bij de Neretva. Naast de sterren van toenmalige Joegoslavische cinema speelden acteurs uit de rest van Europa en de VS mee. Yul Brynner met zijn kale hoofd, en de eeuwige B-acteur Franco Nero, held in de spaghettiwestern Django.

Nezir, als figurant, sterft onder het mes van een četnik. Emir vertelt dat Nezir later, als hij een slok op had, klaagde dat hij zijn leven in de Bosnische provincie vergooide. Hij had een beroemde acteur kunnen worden. Emir schrijft ook dat er op de set meerdere takes nodig waren: telkens wanneer hem het mes op de keel werd gezet, moest hij lachen.

Nezir stierf een tweede, echte dood in de dagen na 11 juli 1995. Getuigen hebben hem voor het laatst gezien te midden van de duizenden gevangen mannen in Kravica, wachtend in de brandende zon op een plek in een van de massagraven.

Emir wijst op een verhaal van Jorge Luis Borges, ‘De andere dood’. Hij vat het als volgt samen: het verhaal handelt over ene Pedro Damian die droomde van zijn echte, fysieke dood, in de hoop dat hij de afloop van de veldslag kon wijzigen die hem isolement en maatschappelijke veroordeling had gebracht.

Ik sla het verhaal van Borges erop na. Hier gaat het om een dubbele werkelijke dood, en de verteller speculeert over een parallelle tijdlijn waarin de lafaard Pedro Damian decennia later een tweede, roemruchte dood stierf door zichzelf alsnog tot een held om te denken. En de verteller voert een theoloog uit de elfde eeuw na Christus op, Pier Damiani, die Aristoteles tegensprak: wat ooit al gebeurd is, kan wel degelijk door God ongedaan worden gemaakt. In de Summa Theologica, twee eeuwen later, verwerpt Thomas van Aquino deze stelling weliswaar, maar daarbij, zegt Borges’ verteller, rept hij met geen woord over

de ingewikkelde aaneenschakeling van oorzaken en gevolgen, die zo verstrekkend en geheimzinnig is dat er mogelijk geen enkele gebeurtenis ongedaan kan worden gemaakt zonder dat het heden ook ongedaan wordt gemaakt. Door het verleden te veranderen, verander je niet alleen een enkele gebeurtenis, men maakt ook alle gevolgen ongedaan, tot in de oneindigheid. Met andere woorden: men schept twee geschiedenissen van de wereld.

In het verhaal van Emir sterft Nezir eerst een fictieve en dan een echte dood. Emir besluit: ‘we weten ook dat hij beide keren als figurant aan zijn eind is gekomen, zonder actief deel te nemen aan twee grote slachtpartijen die door een halve eeuw van elkaar waren gescheiden.’ Fictie lijkt hier een repetitie voor de echte geschiedenis, die hierdoor onafwendbaar lijkt geworden, een kroniek van een aangekondigde dood. Je leeft als een figurant, je sterft als een figurant.

Maar het onderliggende verhaal van Borges maakt ook een ander scenario denkbaar. Kunnen we, minder gebonden aan oorzaak en gevolg, door alternatieve ketens van gebeurtenissen te bedenken, de loop der geschiedenis verleggen? We kunnen de moorden niet ongedaan maken, de doden niet tot leven wekken, maar we moeten wel andere mogelijke verlopen van de tijd blijven onderzoeken. Want de tijd, die stopt nooit, die ligt ook in het verleden niet stil, die blijft maar terugkeren. De pijn van vroeger is de zweer van de toekomst. Dat geldt voor de slachtoffers, dat geldt voor de daders, dat geldt voor de zwijgende, toekijkende massa.

We moeten ons Srebrenica herinneren en erover spreken, omdat het een misdaad is die diep in onze maatschappij is geplant. En als er niet over wordt gesproken, zullen mensen op allerlei manieren misdaden blijven plegen. Als er geen besef is over een gepleegde misdaad, ontwikkelt zich het geweld in een samenleving steeds verder, en dat is dan de straf voor een misdaad die men nooit heeft willen begrijpen.

Aldus sprak Borka Pavićević, die in Belgrado tentoonstellingen organiseerde en documentaires vertoonde om het publiek bewust te maken van een genocide die nog geen vijftien kilometer buiten de Servische staatsgrens plaatsvond, maar die in Servië goeddeels onbespreekbaar blijft. Borka, die in de zomer van 2019 overleed, merkte ooit op:

we moeten Srebrenica ook met onze taal respecteren, eufemismen zijn ontoelaatbaar. In Servië hoor je maar al te vaak: ‘dat wat er gebeurd is’. Wat is er dan gebeurd? En hoe gebeurt dan ‘wat er is gebeurd’? En natuurlijk hadden wij een aandeel in datgene wat gewoon bij de naam moet worden genoemd. Als je eenmaal begint met eufemismen en leugens, dan doe je dat ook op andere terreinen van het leven. Daarom is het van belang dat we secuur en gedurfd zijn, en dat we met naam en toenaam van genocide spreken.

Borka had een achtergrond in het theater. Voor bewustzijn van de taal, van de woorden die we gebruiken, van stijl in het algemeen, hebben we de kunsten nodig, kun je vaak genoeg horen: want met de verbeelding kunnen we de dwingende, politieke chronologie van de tijd openbreken, en andere scenario’s voorleggen.

Tegelijk zijn het denkers, schrijvers en kunstenaars geweest die, vooral vanuit Belgrado, de oorlog hebben voorbereid. Het wapengekletter klonk al in zinnen en verzen lang voordat de wapenen werden opgenomen. De misdaad van gisteren baarde het geweld van vandaag.

Maar de utopie van vandaag is niet alleen een alternatieve werkelijkheid voor morgen, ook gisteren kan altijd nog opnieuw worden uitgedacht. Niets is onomkeerbaar.