Nooit meer Indië: de zes denkfouten van Kester Freriks

Begin oktober verscheen Kester Freriks’ ‘pamflet’ voor ‘eerherstel’ van tempo doeloe – zeg maar de goede oude tijd in Nederlands-Indië. Daags ervoor verschafte NRC Handelsblad zijn eigen medewerker de ruimte om zijn punt alvast te maken. ‘Tempo doeloe – ook een mooie tijd’ kopte het stuk. Meteen verschenen er verontwaardigde en vlammende reacties die beweerden dat Freriks het systematische geweld van het kolonialisme ontkende of verzachtte. Ook Remco Raben was geneigd zich bij dit koor aan te sluiten, maar hield zich in: zijn naam is Pavlov, zegt hij, maar de hond bleef aangelijnd. Dit was te gemakkelijk. Misschien had Kester Freriks ons iets te vertellen. Konden we niet, in plaats van hem a priori af te fikken, proberen te begrijpen waarom Freriks dit pamflet geschreven heeft? Welk punt maakt hij precies? Laten we dat eerst proberen vast te stellen. Vervolgens kunnen we zien of hij overtuigt.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Kester Freriks
Tempo doeloe, een omhelzing
Athenaeum-Polak & Van Gennep 2018, 111 blz.

Wat betoogt Freriks? Dat witte en bruine Nederlandse mensen die in Indië hebben gewoond recht hebben op hun goede herinneringen aan hun tijd in de kolonie. Dat deze gevoelens momenteel onder druk van de ‘hedendaagse geschiedschrijvers’ en andere aanklagers plaats in de geschiedenis krijgen. Dat door de antikoloniale wind die de laatste jaren de Nederlandse samenleving striemt geen oog meer is voor de goede kanten van de koloniale samenleving. Dat er wel degelijk minder mooie dingen zijn gebeurd onder het koloniale bestuur, maar dat dat ons beeld niet mag overheersen. En dat de ophef over slavernij, het racistisch gehalte van Kuifje in Afrika, Zwarte Piet en standbeelden tot doel heeft het koloniale verleden uit te wissen. Een verdediging van het kolonialisme is nodig, aldus Freriks, omdat er een cultuurverschuiving plaatsvindt waarin hij monddood wordt gemaakt.

Kunnen we Freriks volgen? Het beginpunt is niet zo onaardig. Hij wil de zuivere gevoelens van zijn jeugd – al valt die in de jaren vijftig en moeten we het begrip tempo doeloe daarvoor wel behoorlijk oprekken – kunnen luchten. Wie zal hem zijn jeugdsentiment willen ontzeggen? Maar hij laat het daar niet bij. Hij extrapoleert als het ware de persoonlijke ervaring. Niet alleen de goede herinneringen verdienen hun plaats onder de zon, maar het koloniale bestel als zodanig verdient een rechtvaardiging. (Merk op hoe ‘tempo doeloe’, een aanduiding voor de goede oude tijd, naadloos overvloeit in ‘koloniaal verleden’, dat dus meteen in een warm licht komt te staan.)

Freriks geeft geen analyse van de goede of slechte kanten van het koloniale regime. Hij ontkent niet dat het kolonialisme ook zijn donkere kanten had. Maar zijn doel is ook niet om een balance sheet of empire te geven. Al lezend merken we dat Indië voor hem een gevoel is, die van de Nederlander voor wie het verblijf in de tropen niets minder dan een avontuur was. Er is een passage die dit gevoel aardig weergeeft:

‘Ik stel me de Europeaan in de tropen voor, levend in het hart der duisternis, omringd door de nieuwe geluiden en vreemde geuren, ver weg van de westerse samenleving en de westerse cultuur’.

Dit gevoel, die intense oriëntalistische belevenis die de kolonie voor de witte man betekende, bepaalt in essentie Freriks liefde voor tempo doeloe. Daarmee raakt hij inderdaad een koloniale snaar. Veel expats in de kolonie zouden deze ervaring kunnen onderschrijven. Maar elders schrijft Freriks ook:

‘Ik kan me inbeelden zo’n blanke te zijn die op de galerij de lange avond en de nacht doorbrengt, zoals misschien … mijn ouders, als zovelen. “Klimaatschieten” heette dat. Daarom is het misplaatst van Indië een zwarte litanie te maken na het loflied dat het land altijd te beurt viel. Daarmee snijden we het land en de tijd daar los van de betekenis die het had.’

De historisch waarschijnlijk juiste weergave van de in-en-in koloniale romantiek krijgt hier een flinke slinger. We schijnen niet alleen te vergeten dat het mooi was om ’s avonds op de galerij in het hart van de duisternis te staren, maar hij claimt de geschiedenis in naam van die ervaring en maakt van elke koloniale kritiek een aanval op zijn levensgevoel. Ervaring, geschiedenis en moraal zijn hier onontwarbaar verstrengeld.

Freriks doet voorkomen of hij de laatste redder van het idyllische Indiëgevoel is. Het pamflet en zijn receptie maakt ons er echter bewust van hoe diep de romantiek en aantrekkingskracht van het koloniale verleden geworteld zijn. Waarschijnlijk spreekt Freriks voor een grote groep mensen die de vinden dat we goedgunstig over de kolonie mogen of zelfs moeten denken. Daar zijn ongetwijfeld oud-kolonialen bij. Maar Freriks sluit hier ook aan bij een andere agenda, namelijk van mensen die niets met Indië of Indonesië hebben maar de antikoloniale kritiek als een kwetsende aanval op het Nederlandse verleden en de eigen cultuur ervaren.

Daarmee werpt Freriks zich met het hoofd voorover in het postkoloniale debat, dat in wezen gaat over de vraag of we ons de kritiek op het koloniale verleden zelf moeten aantrekken. Freriks hekelt fel alle pogingen om de oude koloniale orde en de doorwerking ervan onder de loep te nemen en te corrigeren. Het is duidelijk dat hij er niets van moet hebben, want het zou de romantische gevoelens die voor hem de essentie van Indië uitmaken schaden.

Ik heb geprobeerd Freriks betoog, dat nogal warrig en sentimenteel is, te begrijpen. Maar na de beker met welwillendheid geleegd te hebben, resteert er een dik sediment van onvrede. Het pamflet stoelt op een groot aantal denkfouten die het doen afglijden in een duistere schaduwwereld van koloniale vergoelijking en historische nonsens. Freriks houdt een pleidooi voor het recht op nostalgische gevoelens. Terecht natuurlijk. Hij maakt echter de fout om het persoonlijke geluk te gebruiken als rechtvaardiging van de kolonie. Omdat de kleine Kester of zijn moeder gelukkig was, moet de kolonie wel goed zijn geweest. Hier laat Freriks zich kennen als meer dan een sentimentalist, maar als een goedprater, een apologeet van het kolonialisme. Had hij zich nu maar bij zijn eigen fotoalbum gehouden, dan had er een wat traditioneel, maar oprecht geluid geklonken. Dat is denkfout #1.

Denkfout #2. Nederland heeft veel goeds gedaan in Nederlands-Indië. Wat dit precies met het koloniale geluksgevoel te maken heeft, weet ik niet. Wel dat het in zijn algemeenheid onzin is. Uiteraard heeft het koloniale bezettingsregime, zeker in de laatste decennia, pogingen gedaan zich tot een zorgende staat te ontwikkelen. Maar een feit is dat wat Nederland aan opbouwwerk heeft verricht, vooral uit eigenbelang gebeurde, of laat en mondjesmaat was. Freriks toont zich hier een soort Gilley-light – Bruce Gilley is de reactionaire Amerikaanse politicoloog die in 2017 een omstreden artikel schreef waarin hij de goede daden van het kolonialisme uitmat en pleitte voor een terugkeer van het koloniale bestuur. Freriks sluit zich hier aan bij het koloniale discours dat het Nederlandse bewind verheffing bracht. Zo werd er inderdaad op de galerij gesproken.

Denkfout #3 is dat Freriks een stropop opzet die taboe heet. Eindeloos oreert hij dat niemand meer iets mag zeggen wat niet faliekant het koloniale verleden verkettert. Dat is een bekende stijlfiguur van de onmachtige die moet overleven op complotdenken. Daar komt bij dat hij straal ongelijk heeft. De Nederlandse cultuur is doordesemd van koloniale nostalgie, en al zijn er stevige stemmen die aan deze koloniale orde rammelen, over het algemeen overheersen juist begrip en redelijkheid. Freriks heeft veel meer vrienden dan hij wil erkennen.

Dat sluit aan op denkfout #4. Alle kritiek op de koloniale tijd is een poging om warme herinneringen aan de kolonie te censureren. Hij opereert geheel in de beledigde slachtoffermodus die conserverend Nederland zich heeft aangemeten. Dat leidt tot merkwaardige tournures. Een van zijn expliciete doelwitten is de historicus Rémy Limpach, die in 2016 het vuistdikke De brandende kampongs van Generaal Spoor schreef over de bloedige Nederlandse onderdrukking van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Freriks vindt dat ‘buitensporige aandacht voor de excessen’ (sic) en ziet hierin een bewijs ‘dat we onze heerschappij in de koloniën nog steeds niet kunnen aanvaarden’. Dat is dus een oproep tot vergoelijking. Het geval wil dat Limpach een zeer zorgvuldige historicus is. Het is inderdaad best vervelend dat er zoveel doden zijn gevallen. Als dit feit meneer Freriks onwelgevallig is, ligt dat dan aan de boodschapper? Het is duidelijk: wie niet voor is, is tegen.

Denkfout #5. Indonesiërs wordt niets gevraagd. Freriks herhaalt een eeuwenoud koloniaal patroon: hij doet uitspraken over de kolonie zonder zich ervan te vergewissen wat de meest betrokken mensen ervan dachten. Correctie: naast talloze witte Nederlanders komt een enkele Indonesiër aan het woord die ooit iets positiefs over het Nederlandse bestuur heeft gemeld. Dat is niet alleen een pover maar ook een vals gebaar, want wat te denken van de duizenden dwangarbeiders die als kettingberen voor het gouvernement moesten werken, of de talloze branden in suikerplantages die ontevreden arbeiders en dorpelingen jaarlijks op Java aanstoken? Wat te zeggen van de minieme welvaartsstijging in de meeste delen van de archipel? Deze ellende en dit verzet drongen niet of nauwelijks door tot de huizen van de Nederlanders en konden worden genegeerd. Het is onmiskenbaar dat een kleine Indonesische elite geprofiteerd heeft van het koloniale bewind. Maar zelfs de als getuige à décharge opgevoerde Mochtar Lubis schrijft dat de welvaartspolitiek van de Nederlanders weinig voorstelde. Ook het feit dat een groot deel van de elite ingenomen was met de Japanse invasie en dat maar weinig Indonesiërs na de oorlog de Nederlanders terug wilden, geeft aan hoe oppervlakkig de liefde was. Freriks ontkent dat en zet hiermee de fundamentele onwetendheid en desinteresse van de Nederlandse koloniale elite voort.

Nog eentje dan, denkfout #6. ‘Er moet een rechtvaardiging komen van het koloniale verleden’. U leest het goed. Rechtvaardiging betekent dat we nu moeten goedkeuren wat er toen is gebeurd. Dat gaat best ver. We waren het er toch over eens geworden dat we het kolonialisme moesten afschaffen? Hier past natuurlijk het veelgehoorde argument dat we het kolonialisme in zijn eigen tijd moeten begrijpen. Prima. Vergeet het vooral niet aan de dorpelingen van Kuta Reh of Bajowe te vragen, of de vele rechteloos geïnterneerden in strafkamp Boven-Digoel, of de klerken die nooit op de ambtelijke ladder konden stijgen omdat die voor Indonesiërs gesloten bleven. Nederland heeft ruw maar voorzichtig geschat zo’n half miljoen tot een miljoen doden tijdens zijn koloniale veroveringen gemaakt. En nu komt een nostalgisch schrijver die dit wil rechtvaardigen uit naam van de goede herinneringen en het dunne onderwijs dat de Nederlanders op de valreep hadden opgezet? Geleidelijk verdwijnt de geschiedenis in een roze mist.

Helaas. Freriks’ pleidooi heeft de weerstand van een nat wc-papiertje. Had hij zich nu maar beperkt tot de observatie dat er in de kolonie óók mensen waren die zich de luxe konden permitteren om een dubbele maatstaf aan te houden, de signalen van onvrede en mishandeling te negeren en zich in hun expat-cocon een genoeglijk leven te verschaffen. En dat ook dat een onderdeel van de koloniale geschiedenis is. Punt. Geen speld tussen te krijgen. Maar hij vergaloppeert zich in een strijd tegen de geschiedwetenschap, roept geesten op die niet bestaan, negeert de gekoloniseerden en goochelt met de feiten. Zijn betoog is niet autobiografisch, zelfs niet historisch, maar ten diepste politiek. Hij sluit zich aan bij de reactionaire verongelijkten die in diversiteitspolitiek een vijand zien en in iedere koloniale kritiek een aanval op zijn (mogelijke) geluksgevoel. De wereld is hem tot vijand geworden.

Daarmee is de welwillendheid waarmee ik de lezing van zijn pamflet begon volledig verdampt. Freriks is een belabberde pleitbezorger van het koloniale geluksgevoel. Hij schaart zich onder de cultuurpessimisten die grabbelend in het eigen geestelijk zaagsel houvast in de postkoloniale wereld zoeken.