De lessen van Robert B. Silvers en The New York Review

Eind april vertrok Merlijn Olnon, hoofdredacteur van de Nederlandse Boekengids (dNBg), met een reisbeurs van het Nederlands Letterenfonds voor een werkbezoek naar New York. Eenzelfde bezoek aan Londen staat gepland voor deze zomer, met eind dit jaar nog een tweede bezoek aan New York.

Al vrijwel sinds het eerste nummer in februari 1963 wordt The New York Review of Books (NYRB) – volgens sommigen naast The Times Literary Supplement (TLS) en, sinds 1979, The London Review of Books (LRB) – beschouwd als hét tijdschrift voor het review essay: de door oprichtend redacteuren Robert B. Silvers en Barbara Epstein tot literaire kunstvorm verheven essayerende boekbespreking, waarin wetenschappers met een scherpe pen en schrijvers met een scherpe geest (in gelukkige gevallen verenigd in één en dezelfde persoon) nieuwe boeken naast hun eigen ervaring en de actualiteit leggen, om ieder onderwerp zo in de volle breedte en in uiterst leesbare vorm aan hun lezers te presenteren. Wat kan de dNBg als Dutch Review of Books uit de eerste hand van deze rijke traditie leren? Het korte ziekbed en plotselinge overlijden van Silvers in maart plaatste het voor april-mei geplande werkbezoek opeens in een heel ander, niet minder onthullend, licht.

Het is bij binnenkomst op het kantoor zo stil dat je een speld zou kunnen horen vallen. Tenminste, had er geen doorsnee grijs kantoortapijt gelegen. Links van me een verplaatsbare wand met de eredoctoraten van Silvers (1929-2017), van het allereerste nummer tot zijn dood op 20 maart de drijvende kracht achter het meest toonaangevende literaire – en politieke, wetenschappelijke, culturele – tijdschrift ter wereld. Rechts van me staat een ronde keukentafel met een wit tafelkleedje erop, daarachter een onbemande receptiebalie en een diepe pijpenla van een postkamer waar twee medewerkers druk bezig zijn met wat de afwikkeling van de zojuist van de drukker gekomen jaargang 54, nummer 8 moet zijn, het tweede nummer in het bestaan van het blad dat niet onder Silvers’ redacteurschap ‘naar bed gebracht’ werd. Voorbij de postkamer ligt een reeks aan het zicht onttrokken ruimtes achter witte tussenwanden, met links de redactieruimten en rechts die van de uitgeverij. Voor me strekt zich een aantal open huiskamerachtige ruimtes uit. Dit doodnormale kantoor in de New Yorkse Village is het thuis van The Review en zijn circa dertig medewerkers.


Essay uit dBNg 2017#3 (een eerdere versie van dit essay werd 26 mei gepubliceerd op nrc.nl


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder De lessen van Robert B. Silvers en The New York Review

‘We’ll always have Paris’

In december vorig jaar verscheen La La Land in de Nederlandse bioscopen. Anders dan de gender- en rassenpolemiek rond deze lm doet vermoeden, is het decor ervan – de Amerikaanse ‘megalopolis’ Los Angeles – de eigenlijke sleutel tot zijn boodschap. Het ogenschijnlijk vrolijke drama, waarin de American Dream en de Pursuit of Happiness worden beproefd door de grillen van het moderne leven, is boven alles een stadsverhaal dat aantoont hoe waardevol populaire kunst kan zijn voor het doorzien van onze maatschappelijke structuren en conventies. Door David Rijser.

Het eerste shot van La La Land toont het diffuse licht van een stralende Californische zomerhemel, en pant dan van de zinderende zon naar de snelweg daaronder, LA’s variant op wat in een Europese stad een straat met trottoir is. Op de ‘big freeway’ (Burt Bacharach) die de stad is, een onafzienbaar file-lint, de horizontale pendant van de verticale lijnen van de wolkenkrabbers op de achtergrond. We horen een kakofonie van claxons en elkaar overschreeuwende autoradio’s, die regisseur Chazelle binnen enkele ogenblikken triomfantelijk transformeert in een musicalnummer (Another Day of Sun) dat de bestuurders in staat stelt zich even letterlijk en figuurlijk te bevrijden uit het isolement van hun cabines. Zo lijkt het zowaar dat zelfs de bewoners van een moderne reuzenstad een collectief kunnen vormen: in perfecte harmonie zingen, dansen en springen ze. Het is ook een springplank voor de plot, die twee bestuurders van opeenvolgende auto’s – de actrice Mia en de jazzpianist Sebastian – bij elkaar zal brengen en weer uiteen zal drijven. En uit dat laatste blijkt dan weer dat de suggestie van een collectief, van ‘samen spelen’, misleidend is als het om de praktijk van het moderne bestaan gaat, in een relatie net zo goed als in de samenleving als geheel.


Essay uit dBNg 2017#3

 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder ‘We’ll always have Paris’

Rouwen in het Antropoceen

Sommige begrippen dienen enorm goed als stok om mee te slaan. ‘Neoliberalisme’ is daar een mooi voorbeeld van. Gewoon ‘neoliberalisme’ roepen en klaar is Kees. Kaltgestellt. Het buzzword van dit moment, ‘Antropoceen’ heeft een vergelijkbaar effect. Al dient dit begrip niet zozeer als stok om anderen mee te slaan, als wel als zweep om mee aan zelfkastijding te doen. Met de introductie van dit nieuwe geologische tijdperk proberen we de vinger op de zere plek te leggen: de mens – de antropos – die een puinzooi maakt van onze planeet. Door Lisa Doeland.

Volgens de recent verkozen Denker des Vaderlands, René ten Bos, gaat van naamgeving een bezwerende werking uit. Onbenoemd maakt onbekend. En angstig: ‘we geven namen omdat we bang zijn’. In Dwalen in het Antropoceen (2017) laat Ten Bos zien hoe we aan de onzekerheid die gepaard gaat met leven in tijden van klimaatopwarming, zeespiegelstijging en massa-extinctie, het hoofd proberen te bieden door het beest een naam te geven: het Antropoceen. Het probleem met Antropoceen met een grote ‘A’ is volgens Ten Bos dat het een richting suggereert, een aanknopingspunt, een weg het bos uit. En dat is volgens hem nou juist wat we níet moeten doen. We hebben de weg nooit geweten en we moeten vooral niet denken dat we die nu opeens wél kunnen vinden: verdwaald zijn is de permanente conditie van de mens. Met geo-engineering en andere technologische quick fixes om de ‘cascade aan catastrofes’ het hoofd te bieden (zoals het bouwen van een megadam in de Beringzee om de Noordpool te beschermen, of een reflecterend zonnescherm in de ruimte plaatsen om wat zonlicht tegen te houden) heeft hij dan ook weinig op. Want als het Antropoceen ons íets leert, dan is het wel dat wij op onze omgeving inwerken en de omgeving op ons. En ook dat er geen buitenperspectief is dat ons toestaat van een afstandje te bepalen wat er aan de hand is en wat we zouden moeten doen om elders te komen. We staan er niet boven of buiten, we zitten er middenin.

Essay uit dBNg 2017#3

    


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Rouwen in het Antropoceen

Beelden van Egypte: fotografie en Oriëntalisme in Huis Marseille

In Huis Marseille is er tot 4 juni aanstaande een bijzondere tentoonstelling te zien over negentiende-eeuwse fotografie in Egypte. Diederik Burgersdijk bezocht deze tentoonstelling en modereerde het SPUI25– programma ‘Egyptomanie. Reizigers en fotografen 1850-1900’. Zo zag hij hoe Egypte een rijke bron is voor observanten van alle tijden, van antieke toeristen tot fotografen van vroeger en vandaag. Door Diederik Burgersdijk.

In een tentoonstellingszaal van Huis Marseille ligt het lang vergeten ‘Reisindrukken in het Oosten’ van de Rotterdamse dominee Louis Heldring (1846-1909), een oudoom van de journalist Jérôme Louis Heldring (1917-2013). De pagina’s, waarop een reisverslag naar de Levant via Griekenland en Egypte, zijn in bruin stofomslag gebonden. De kaft is gesierd met gouden letters en een tekening van ‘Rachels graf’, een lieu de mémoire in Palestina. De reisbeschrijving, uit het laatste decennium van de negentiende eeuw, is verluchtigd met kaarten en aquarellen van de Duitse kunstenaar R.J. Hartmann, die enkele van de bezochte plaatsen verbeelden. Het tentoongestelde exemplaar bevat een bijzonderheid. In de katernen meegebonden zijn foto’s van de hand van de reizende dominee zelf, met handgeschreven onderschriften. Er bestaan drie van die exemplaren: voor elk van de kinderen van de auteur een.


Essay uit dBNg 2017#3

In Egypte / Reizigers en fotografen, 1850–1900, Huis Marseille, Amsterdam, 11 maart 2017 – 4 juni 2017. Conservator: Saskia Asser


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Beelden van Egypte: fotografie en Oriëntalisme in Huis Marseille

Némirovsky, of de verleidingen van fictionalisering en nonfictionalisering

Het is verleidelijk de romans van oorlogsslachtoffers in de eerste plaats te bezorgen en te lezen als getuigenissen van hun dramatische levensloop. Neem nu Irène Némirovsky, wier literaire oeuvre in de afgelopen tien jaar haast overstemd raakte door de wederwaardigheden van haar leven en erfenis. Toch zou het vreemd zijn haar werk niet in dat licht te lezen. Wat te doen met deze wisselwerking tussen de fictionalisering van oorlogslevens en de nonfictionalisering van oorlogsverhalen? Kan het beter – met meer respect voor levens én werk? Jazeker, zo demonstreert The Némirovsky Question. Door Marjolein Corjanus.

Een jonge, succesvolle schrijfster, in 1942 in Auschwitz vermoord, verschijnt zestig jaar later weer in een reeks sprekende portretten op de omslagen van haar heruitgegeven werk: de ‘herontdekking’ van Irène Némirovsky als auteur van een prachtig Frans literair oeuvre sprak de afgelopen jaren zeer tot de verbeelding van het lezerspubliek. De postume uitgave van de roman Suite Française, in 2004 bekroond met de Prix Renaudot, leidde tot hernieuwde aandacht voor leven en werk van de joodse Némirovsky. Met het internationale succes deed evenwel ook de mythevorming haar intrede.


Essay uit dBNg 2017#3

 

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Némirovsky, of de verleidingen van fictionalisering en nonfictionalisering

16 juni: Bloomsday!

Op 16 juni is het weer zover: Bloomsday. Bloomsday is de dag die wordt beleefd door Leopold Bloom, de held van Ulysses, de befaamde roman van James Joyce die zich afspeelt binnen een etmaal – op 16 juni 1904. Doordat hij wordt gadeslagen en vooral door wat hij denkt, mompelt, zegt en schrijft komen we als lezers te weten wat Bloom bezighield tijdens zijn miniatuur-odyssee, die bestaat uit omzwervingen door Dublin. Joyce besteedde daar een kwart miljoen woorden aan, niet bepaald het format van een bestseller, maar de bespiegelingen van Bloom werden op zo’n oorspronkelijke, vrolijke en scherpzinnige manier gepresenteerd dat het boek uitgroeide tot een monument. Door Luuc Kooijmans.

In Dublin wordt de dag jaarlijks gevierd en er is geen evenement dat niet is voorzien van een woordspeling op zijn naam. Dat is in stijl natuurlijk (zijn tweede beroemde boek, Finnegans Wake, is een grote woordspeling), maar over het enthousiasme voor de viering in Dublin zou de schrijver misschien wel wat schamper hebben moeten lachen. Het duurde jaren voor hij er een boek uitgegeven kreeg. Ulysses werd uitgebracht in Parijs, want in Dublin vond men het boek schokkend immoreel. Verstikkend conventioneel vond Joyce er de atmosfeer, dodelijk voor de kunstenaarsziel. Voor hij 23 was had hij de stad verlaten en hij keerde er nooit meer terug.


Essay uit dBNg 2017#3 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder 16 juni: Bloomsday!

Een verdediging van het kleine leven

Boeken over het leven van een kunstenaar of anderszins bekend persoon zijn erg in trek: ze zouden een inkijkje geven in ‘het echte leven’. Vaak zijn uitgegeven dagboeken echter aaneenschakelingen van escapades, en gaan ze minder over het leven dan over het escapisme van de persoon in kwestie. Lodewijk Verduin bespreekt drie recente, weinig sensationele maar daarom juist levensechte (auto)biografieën. Door Lodewijk Verduin.

Literatuur over kunstenaarslevens heeft een mysterieus allure. Egodocumenten en autobiografieën worden anders en steevast gretiger gelezen dan romans en dichtbundels. Het is alsof ze een uniek geheim bevatten, ons meer kunnen vertellen over kunst en leven dan de kunst zelf. Niet voor niets vormen literaire egodocumenten een uiterst populair genre op zich, dat uitnodigt tot een voyeurisme dat in dienst staat van het achterhalen van dit geheim. Wat zoeken mensen in de levens van kunstenaars dat ze in hun werk kennelijk niet vinden?


Essay uit dBNg 2017#3


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Een verdediging van het kleine leven

Voorbij fort Europa

De vluchtelingencrisis is niet voorbij, maar min of meer uit het zicht verdreven. Met hulp van autocratische landen worden vluchtelingen op afstand gehouden. Maar de Europese Unie betaalt een hoge prijs voor deze manier van optreden, stellen Henk van Houtum en Leo Lucassen.

In het felle en nog niet uitgewoede debat over de begrenzing van de EU hebben grensonderzoeker Van Houtum en migratiehistoricus Lucassen zich afzonderlijk en soms samen flink geroerd, met ingezonden stukken, optredens voor radio en tv en tientallen lezingen. Ze gingen de strijd aan met wat ze beschouwen als misvattingen, misleiding en onterechte angstbeelden en stelden een opener houding tegenover migranten voor. In oktober verschijnt hun boek Voorbij Fort Europa, waarin ze de crisis in haar historische context plaatsen, de ontwikkelingen van de afgelopen tijd analyseren en een alternatieve visie presenteren. Door Addie Schulte.

Ieder van de twee heeft een eigen benadering van het onderwerp. Henk van Houtum, hoofd van het Centre for Border Research van de Radboud Universiteit in Nijmegen en hoogleraar Interdisciplinary Border Studies aan de University of Eastern Finland, stelt vooral fundamentele vragen over de rechtvaardigheid of onrechtvaardigheid van grenzen en ziet de omgang met migranten duidelijk ook als een mondiale en morele kwestie. En hij benadrukt in zijn boek Grensland (2013) dat grenzen politieke constructen zijn. Leo Lucassen, directeur onderzoek van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam en hoogleraar Global Labour and Migration History aan de Universiteit Leiden, is naar eigen zeggen ‘meer technocratisch’ ingesteld. Hij hanteert vooral de geschiedkundige aanpak, zoals eerder met zijn broer Jan in het boek Winnaars en verliezers (2011) over migratie in Nederland.


Interview uit dBNg 2016#4 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Lees verder Voorbij fort Europa

ingezonden: ‘It’s Islam, stupid’

Image result for 9789492161031Niklas Anderberg las Michiel Leezenbergs bijdrage aan de Nederlandse Boekengids 2017#2 en bleef haken achter de verwijzing naar Wim van Rooy en diens ontkenning van het bestaan van een islamitische filosofie in Waarover men niet spreekt. Bezonken gedachten over postmodernisme, Europa, islam. Hij daalde af in Van Rooy’s catacomben en schreef na terugkeer bij wijze van ingezonden brief het volgende reisverslag.

Lees verder ingezonden: ‘It’s Islam, stupid’

Menselijkheid in het robottijdperk

Begin deze maand maakte de ING-bank bekend dat zij ondanks een recordwinst ruim vijftien procent van het personeelsbestand zal schrappen. Toenemende digitalisering maakt die stap volgens de ING zowel noodzakelijk als mogelijk, waarmee de bank meegaat in de trend die software-ondernemer Martin Ford op populairwetenschappelijke wijze probeert te duiden. De ‘opmars van robots’ en andere informatietechnologie is een feit, maar hoe ermee om te gaan? In ieder geval niet door ons zonder meer mee te laten voeren op deze golf. Door Cees Zweistra.

De antwoorden op die vraag lopen sterk uiteen, van zeer kritisch (bijvoorbeeld schrijver Nicholas Carr, populair-filosoof Evgeny Morozov en filosoof-psycholoog Sherry Turkle) tot lyrisch-utopisch (zoals bijvoorbeeld Google’s Eric Schmidt). Grofweg kan gezegd worden dat de critici technologie zien als een belangrijke sociale en politieke macht, terwijl de utopisten technologie vooral beschouwen als een instrument waarmee de efficiëntie waaraan westerse economieën hun welvaart te danken hebben, verder vergroot kan worden. Omdat hij technologie uiteindelijk niet kritisch kan (of wil) benaderen, behoort Ford tot die laatste groep. Dat heeft nogal wat consequenties voor de geloofwaardigheid van zijn boek.


Essay uit dBNg 2016#5


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Menselijkheid in het robottijdperk

Russische hoop

Wie de Russische president Vladimir Poetin heeft leren vrezen, maakt zich grote zorgen over het aantreden van Donald Trump als Amerikaans president: beiden zijn autocraten, achter wier verachting van burgerlijke vrijheden en democratie, een nietsontziend streven naar persoonlijke macht en gewin schuilgaat. Vrijheidslievende Rusland-deskundigen roepen op tot actief verzet en burgerzin, voor het te laat is in de Verenigde Staten en daar – net als in Rusland – de Amerikaanse civil society op de knieën wordt gedwongen met leugens in de media en een meeslepend beroep op archaïsche, xenofobe en militaristische sentimenten. Ruslandkunde wordt fuck-Trumpologie. Door Raymond van den Boogaard.

De Russisch-Amerikaanse journalist Masha Gessen, auteur van onder andere de Poetin-biografie De man zonder gezicht en Het woord als wapen, het beste boek over de feministische activisten van Pussy Riot, was er het eerste bij. Autocracy: Rules for survival heette haar stuk op de site van de New York Review of Books, twee dagen na Trumps onverwachte verkiezingsoverwinning, toen tegenstanders als Clinton en Obama zich nog sportieve verliezers wilden betonen en velen de (inmiddels voos gebleken) hoop koesterden dat de rouwdouw Trump van de campagne zich zou ontpoppen tot een geciviliseerde president. Laat je niet in de luren leggen, betoogde Gessen, verwijzend naar de manier waarop Poetin – in het bijzonder sinds zijn herverkiezing in 2012 – korte metten heeft gemaakt met al wat zijn macht kan bedreigen – schijnprocessen en politieke moorden niet schuwend. Gessen stelde een reeks regels op: laat je niet in de luren leggen door de autocraat, want hij meent wat hij zegt; laat je niet bedotten door kleine tekenen van normaliteit die slechts de voorbode van grotere wandaden zijn; denk niet dat de instituties je wel zullen beschermen, want de autocraat zal die onttakelen. Wapen je, moreel, en stel je in op verzet.


Essay uit dBNg 2017#2

     


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Russische hoop

De waarde van waarden: schrijvers en lezers in een veranderende wereld

De schrijver is niet meer alleen schrijver, maar ook publieke intellectueel, mediapersoonlijkheid en celebrity. Via teksten, optredens en sociale media beïnvloeden auteurs politiek en maatschappij. Hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde Yra van Dijk bespreekt een reeks recente voorbeelden van zulk engagement in het licht van recent Nederlands onderzoek. Door Yra van Dijk.

Maart 2017. Het is het laatste weekend voor de verkiezingen, en vele stemmen roeren zich in het publieke debat. Opvallend is dit jaar hoeveel van die stemmen aan schrijvers toebehoren. ‘Ongevraagd advies’, geeft de Dichter des Vaderlands bijvoorbeeld in een gedicht in NRC Handelsblad: gooi je stem niet te grabbel, is de strekking van Esther Naomi Perquins vers. Een dag later in die krant politieke columns van Christiaan Weijts en Ilja Pfeijffer, en een opiniestuk over stemgedrag van schrijver Philip Huff. Op de zaterdagmiddag daarna woon ik de opnamen van Hier is… Adriaan van Dis bij, waar Hillary Mantel spreekt over geweld in heden en verleden. Zaterdag op Facebook David van Reybrouck over zijn speech in de Bundestag, en Alma Mathijsen over de Women’s March die ze die middag bijwoonde. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de 24 toekomstverhalen in het vlak voor de verkiezingen verschenen Als dit zo doorgaat, de door Auke Hukst bij Ambo|Anthos gebundelde krachten van een groep schrijvers die verontrust is over het ‘trumpisme’ en het populisme.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder De waarde van waarden: schrijvers en lezers in een veranderende wereld

‘My blackness is all cultural appropriation’

De Amerikaan Paul Beatty brak twintig jaar na zijn debuut door bij het grote publiek met zijn vierde roman The Sellout. Al zijn hele loopbaan verzet hij zich tegen de hokjes waarin hij geplaatst wordt en die ook duidelijk de receptie van zijn laatste werk kleuren. Door Fiep van Bodegom.

The Sellout van Paul Beatty won de Man Booker Prize 2016 en werd jubelend ontvangen als genadeloze satire over ras in hedendaags Amerika. Zelf gaat de schrijver ongemakkelijk op zijn stoel schuiven van zowel het woord ‘ras’ als ‘satire’, en wil niet dat zijn werk zonder meer ‘politiek’ wordt genoemd. De vraag is: wat is het dan wél? Zijn terughoudendheid over deze categorieën zegt veel over de schrijver en zijn werk, dat op het eerste gezicht inderdaad een geslaagde satire over ras is.


Essay uit dBNg 2017#2

     


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder ‘My blackness is all cultural appropriation’

Kunst tussen bewustzijn en ‘onbewustzijn’

Wanneer de natuurwetenschappen zich op het terrein van de geesteswetenschappen wagen, klinkt al gauw het verwijt dat zij ‘reductionistisch’ te werk gaan. In zijn nieuwe boek Ons creatieve brein verweert Dick Swaab zich tegen dit verwijt. Een neurobioloog die in de hersenen speurt naar de fysieke bron van onze schoonheidservaring, kan nog best zelf dingen mooi vinden. Of, als zijn object de liefde betreft, zelf verliefd worden. Arnold Heumakers twijfelt er geen moment aan, maar wijst er op dat argwanende geesteswetenschappers iets anders bedoelen als zij hun collega’s uit de bètawetenschappen van reductionisme betichten. Door Arnold Heumakers.

Wat geesteswetenschappers dwarszit, is een vorm van extreme eenzijdigheid: ingewikkelde fenomenen die worden teruggebracht tot een al te simpele kern, onder verwaarlozing van alle andere aspecten. Een goed voorbeeld hiervan zijn de darwinisten die zich sinds de jaren negentig van de vorige eeuw met literatuur en kunst bezighouden. Zij kunnen vanuit evolutionair perspectief uitstekend verklaren waarom mensen verhalen vertellen, muziek maken of tekeningen vervaardigen. Verhalen versterken de empathie die onze sociale aard vereist, en net als muziek stimuleren ze de onderlinge cohesie. Beeldende kunst creëert een virtuele werkelijkheid, die we met magie en ritueel beter aankunnen dan de ongrijpbare echte werkelijkheid.


Essay uit dBNg 2017#2

   

   


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Kunst tussen bewustzijn en ‘onbewustzijn’

De actualiteit van Charles Sanders Peirce

In de Verenigde Staten herleeft momenteel de belangstelling voor de pragmatische waarheidsfilosofie van Charles Sanders Peirce (1839-1914). Het zou al te kort door de bocht zijn om dat volledig aan het actuele publieke debat over post-truth te wijten, maar dit recente fenomeen maakt deze filosofie wel degelijk relevanter. Voor Peirce waren ‘waarheid’ en ‘rechtvaardigheid’ de twee belangrijkste richtingbepalende waarden (leading values) die in de wetenschap als in het leven tot uiting komen als respect voor feiten en eerlijkheid (fairness). Wat vertelt zijn denken ons over de wegen – meningen, feiten, redeneringen – waarlangs we tot waarheid (truth) proberen te komen en hoe het komt dat we daarin zo vaak tekortschieten. Door Kees Schuyt.

Het pragmatisme in het algemeen, en dat van Peirce in het bijzonder, mag nu extra actueel zijn, de heropleving dateert niet van vandaag en gisteren. Eigenlijk is die al bijna twee decennia aan de gang; in ieder geval sinds de hernieuwde bestudering van Peirce’s kennistheorie in onder andere Cheryl Misak’s Truth and the End of Inquiry (2004) en Christopher Hookway’s Truth, Rationality and Pragmatism (2000). Misak schreef al eerder over de vernieuwende toepassing van Peirce’s kennistheorie op problemen van democratische besluitvorming, deliberatie en consensus (Truth, Politics, Morality, 2000); Robert Westbrook vervolgde zijn werk met de invloedrijke studie Democratic Hope, Pragmatism and the Politics of Truth (2005). Een derde fase in de heropleving vond plaats in de logica, waar meer aandacht is gekomen voor abductief redeneren, dat wil zeggen redeneren van specifieke gevallen naar de meest eenvoudige en waarschijnlijke verklaring ervan, als erkende methode in de wetenschap, vooral gebruikt in zogenaamd kwalitatief sociaalwetenschappelijk onderzoek (I. Tavory & S. Timmermans, Abductive Analysis, Theorizing Qualitative Research, 2014).


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder De actualiteit van Charles Sanders Peirce

Gender is net zo echt als Sinterklaas: de impact van Judith Butler

Ze had en heeft een ongekende invloed op ons begrip van gender en seksualiteit: de Amerikaanse ster-academica Judith Butler. Eigenhandig zette ze de vastgeroeste ideeën over identiteit van de Tweede Feministische Golf op losse schroeven en bewees dat we niet man, vrouw, mannelijk en vrouwelijk zijn, maar veeleer doen. Wees subversief, zei ze, want achter die hokjes zit geen waarheid. Linda Duits legt uit waarom Butlers klassieke werken Gender Trouble en Bodies That Matter levensveranderend waren en ook anno 2017 niets aan relevantie hebben ingeboet. Door Linda Duits.

Halverwege de jaren ’90 ging ik studeren, midden in de backlash tegen feminisme. De Amerikaanse journalist Susan Faludi koos dat woord om de tegenstroom te beschrijven die opkwam nadat de Tweede Golf geluwd was. Media roemden de verdiensten van de vrouwenbeweging, maar zetten deze tegelijkertijd bij het vuil. Gelijkheid was behaald, maar daarvoor was – zo stelden pers en populaire cultuur – een hoge prijs betaald: met het feminisme waren vrouwelijkheid en al het heilige dat daarbij hoorde verloren gegaan. Faludi signaleerde antifeminisme, al hielden sommige andere denkers het bij het vriendelijker klinkend ‘postfeminisme’.


Essay uit dBNg 2017#2

 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Gender is net zo echt als Sinterklaas: de impact van Judith Butler

Een rationele en liefdevolle islam: de filosofie van Souleymane Bachir Diagne

Een boek dat een eyeopener kan zijn voor het Nederlandse islamdebat: Filosoferen in de islam? van de Senegalese filosoof Souleymane Bachir Diagne, over de rol van de rede en de liefde in de islam. Michiel Leezenberg verwelkomt dit ‘pleidooi voor een dialoog tussen de islam en het moderne denken’, maar vraagt zich daarbij af waar de wegen van islamitische filosofie en theologie van elkaar scheiden. Wat is moderniteit in de islam precies? En is de rede voor Diagne niet al te heilig? Door Michiel Leezenberg.

Een van de opvallendste kenmerken van wat in Nederland nog altijd eufemistisch ‘het islamdebat’ wordt genoemd, is de totale minachting voor historische feiten die eruit spreekt. Elk beroep op de realiteiten van de islamitische wereld – of dat nu de afwezigheid van een kerk is, de eeuwenlange praktijk van tolerantie ten aanzien van religieuze minderheden (die zelfs door Voltaire in zijn Traité sur la tolérance werd geprezen, en aan de Franse koning ten voorbeeld werd gesteld), of het bestaan van een traditie van filosofisch denken en van publieke debatten (moenâzarât) over theologische kwesties – wordt door zelfbenoemde islamcritici achteloos terzijde geschoven als ‘apologetisch’. Zelfs het bestaan van, en het historische belang van, een filosofische en wetenschappelijke traditie in de islam wordt door deze islamofoben glashard ontkend. [1]


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Een rationele en liefdevolle islam: de filosofie van Souleymane Bachir Diagne

Zeker als je nog niks hebt, kun je heel veel riskeren

Kunstenaars die van hun kunst kunnen rondkomen zijn in Nederland een schaars goed. Recente publicaties proberen de dialoog over de erbarmelijke arbeidsvoorwaarden van kunstenaars te openen, maar het is de vraag of zij daarin slagen. Harm Hendrik ten Napel ziet in de zzp’ende artiest die moet zwoegen en bijklussen om het hoofd boven water te houden een extreem voorbeeld van een veel bredere tendens: de precarisering van de werkende Nederlander. Door Harm Hendrik ten Napel.

‘Eigenlijk zijn wij geen van tweeën het standaardverhaal,’ stelt schrijver en beeldhouwer Maria Barnas tegenover Anne Vegter, de ex-Dichter des Vaderlands. In het eerste interview van Het laatste taboe, een bundeling gesprekken over kunstenaarschap en inkomen, stellen de twee zo vast dat hun perspectief op deze thema’s niet zo relevant is. ‘Interessanter zijn eigenlijk,’ gaat Barnas verder, ‘de mensen die jarenlang proberen en proberen en hun werk niet zichtbaar krijgen. Dat is echt een probleem.’ Hiermee verwoordt ze precies het probleem van dit eerste deel van ‘Het kabinet’, een serie essayistische publicaties van Van Oorschot. Het doel van de gesprekken – een prikkelende dialoog te openen over de slechte financiële situatie van kunstenaars in Nederland – wordt tegengewerkt door de opzet van de interviews.


Essay uit dBNg 2017#2

  


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Zeker als je nog niks hebt, kun je heel veel riskeren

Wie doet het licht weer aan in de journalistiek?

Verhalen over de toekomst van de journalistiek zijn zonder uitzondering donker getoonzet. Al jaren kelderen de oplagecijfers van kranten en tijdschriften, adverteerders lopen weg, nieuwsredacties worden noodgedwongen gehalveerd, regionale kranten opgeheven of uitgekleed tot een plaatselijk suffertje, en geld voor grote journalistieke onderzoeksprojecten raakt op. Dat is niet alleen het beeld in Nederland, maar ook internationaal. De opkomst van digitale kranten tempert de daling enigszins, maar het verhaal van weekbladen die maandbladen worden, laat zich toch lezen als een kroniek van de naderende dood. Veel kranten zijn overgeleverd aan hongerige investeerders die opzien tegen radicale veranderingen. Is er eigenlijk nog wel een toekomst voor de pers als waakhond van de democratie? Door Harry van Dalen.

Er gaat niets boven de geur van drukinkt, een tastbare krant, zo zal de oudere garde denken. Al die nieuwe technologieën maken een site of een krant weliswaar gelikter, maar aan het eind van de dag moet er allereerst gewoon een goed, gedegen stuk klaarliggen voor de drukker. Er valt ook zeker wat te zeggen voor papier: een papieren krant wordt veel langer gelezen – gemiddeld 16-18 minuten –, terwijl de digitale lezer al na 2-3 minuten afhaakt. En wat te denken van serendipiteit – het lezen van artikelen die buiten de directe interessesfeer van lezers liggen? Het is een kwaliteit die in de fysieke omgeving langzaam maar zeker verdwijnt en zich online moeilijk laat nabootsen.


Essay uit dBNg 2017#2


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Wie doet het licht weer aan in de journalistiek?

Europa’s gemankeerd laboratorium

In de slipstream van alle hedendaagse euroscepsis is het bon ton om neer te kijken op het zuidelijk deel van de Lage Landen. Maar als proeftuin zou België gezien haar strategische positie op ons werelddeel juist met welwillende belangstelling gevolgd moeten worden. Om te beginnen door de banden met de directe buren aan te halen om zo een Europa van onderop eindelijk een serieuze kans te geven. Kan de nood tot samenwerking van en in België ons iets leren over de toekomst van Europa? Steven van Schuppen denkt van wel: een advies aan Brussel. Door Steven van Schuppen.

België als pars pro toto van Europa. Hier ontmoeten Noord en Zuid, Germaans en Romaans, nuchter-zakelijk en Bourgondisch elkaar. Als ergens de proef op de som van Europese samenwerking genomen zou kunnen worden, dan wel daar. Zeker nu de grootschalige aanpak van de Europese Unie toenemende kritiek ontmoet, is nader onderzoek naar de casus België de moeite waard. In historische analyses van naar het Belgische reilen en zeilen overheerst veelal de politieke kant van de geschiedenis, waarbij onvermijdelijk de aandacht gericht is op de taalstrijd tussen het Nederlands en het Frans. Des te opmerkelijker dat er in de herfst van vorig jaar twee studies over de economische geschiedenis van het land verschenen. In Het gestolde land van Kristof Smeyers en Erik Buyst ligt de nadruk op de periode vanaf de Eerste Wereldoorlog. In De onzichtbare hand boven België van René De Preter wordt ingezoomd op de laatste veertig jaar, het tijdperk waarin het neoliberalisme doorbrak.


Essay uit dBNg 2017#2

    


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *
Lees verder Europa’s gemankeerd laboratorium