Beelden van Egypte: fotografie en Oriëntalisme in Huis Marseille

In Huis Marseille is er tot 4 juni aanstaande een bijzondere tentoonstelling te zien over negentiende-eeuwse fotografie in Egypte. Diederik Burgersdijk bezocht deze tentoonstelling en modereerde het SPUI25– programma ‘Egyptomanie. Reizigers en fotografen 1850-1900’. Zo zag hij hoe Egypte een rijke bron is voor observanten van alle tijden, van antieke toeristen tot fotografen van vroeger en vandaag. Door Diederik Burgersdijk.

In een tentoonstellingszaal van Huis Marseille ligt het lang vergeten ‘Reisindrukken in het Oosten’ van de Rotterdamse dominee Louis Heldring (1846-1909), een oudoom van de journalist Jérôme Louis Heldring (1917-2013). De pagina’s, waarop een reisverslag naar de Levant via Griekenland en Egypte, zijn in bruin stofomslag gebonden. De kaft is gesierd met gouden letters en een tekening van ‘Rachels graf’, een lieu de mémoire in Palestina. De reisbeschrijving, uit het laatste decennium van de negentiende eeuw, is verluchtigd met kaarten en aquarellen van de Duitse kunstenaar R.J. Hartmann, die enkele van de bezochte plaatsen verbeelden. Het tentoongestelde exemplaar bevat een bijzonderheid. In de katernen meegebonden zijn foto’s van de hand van de reizende dominee zelf, met handgeschreven onderschriften. Er bestaan drie van die exemplaren: voor elk van de kinderen van de auteur een.


Essay uit dBNg 2017#3

In Egypte / Reizigers en fotografen, 1850–1900, Huis Marseille, Amsterdam, 11 maart 2017 – 4 juni 2017. Conservator: Saskia Asser


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Anticipatie

Hoewel niet de hoofdzaak van het boek, zijn de foto’s illustratief voor de ontwikkelingen van fotografie en Egyptologie in de negentiende eeuw, die sinds ruim een halve eeuw stormachtig waren verlopen. De daguerreotypie, de vroegste fototechniek die was uitgevonden aan het eind van de jaren dertig, maakte het vastleggen van voorheen onfixeerbare zaken mogelijk, met een documentaire revolutie tot gevolg. Tekeningen, slechts één generatie eerder gemaakt door de volgelingen van Napoléon Bonaparte in het land van veertig eeuwen, of jaren durende transcripties van hiërogliefen, werden in een klap overbodig gemaakt door fotografen die naar het land van de oude beschaving trokken – zo althans deden de pioniers in de fotografie, van wie François Arago in 1839 de voornaamste was, het graag voorkomen. In werkelijkheid bleven geschreven en getekende verslagen tot ver in de twintigste eeuw naast fotografie bestaan, al was het maar omdat veel zaken niet onmiddellijk door de nieuwe lichttechniek vast te leggen waren.

Waar Heldrings feuilletons eerst uit het Nederlandsch Dagblad gebundeld en verluchtigd werden met aquarellen, werden zij voor privé-gebruik gesierd met fotografieën, wat als specialer gold. De feuilletons zelf zijn ook onthullend: Egypte was de verste bestemming van een reis, die uiteindelijk bedoeld was voor het stichten van de lezer door kennismaking met de heilige plaatsen in Palestina, dat toen Engels protectoraat was. De reis, en daarmee het boek, begint met het Griekse Korinthe, dat niet om zijn oudheidkundige waarde wordt aangedaan, maar – op doorreis – om het feit dat de apostel Paulus daar gepreekt heeft, de gemeente daar de afgodendienst heeft ontraden en tot het Christendom aangevuurd. Egypte, dat na een kalme bootreis van twee dagen wordt bereikt, bevat vele indrukwekkende schatten, maar zie de beschrijving van het beeld van Ramses II in Memphis: ‘Thans ligt het daar met het starre oog ten hemel gericht, alsof het nog zocht naar het licht van de zon, die het weleer aanbad, maar die verduisterde, toen de God des Hemels sprak’. De hogere reden van het Egyptebezoek is de herkomst van Mozes, die onder Ramses’ tyrannieke bewind het woestijnland ontvluchtte. Ook Rachels zoon Jozef resideerde daar eens.

Oriëntalisme

Het betoog is te lezen in het licht van de negentiende eeuw, waarin Egypte nog geen zelfstandige status had, maar als nominale Osmaanse provincie onder verhulde Britse ‘protectie’ stond. Nieuwsgierigheid naar de oude cultuur kan de vele Egyptereizigers niet worden ontzegd, evenmin als een in hedendaagse ogen neerbuigende houding jegens de lokale schatbewaarders. Naast het boek van Heldring liggen vergelijkbare boeken met gelijke bestemmingen van een andere Rotterdamse dominee en in 1898 reisgezel van Heldring, J. Krayenbelt, en van de tot het christendom bekeerde jood en predikant Frans Lion Cachet.1 De beschrijving van laatstgenoemde naar Cairo per stoomtrein ‘door ellendige dorpen en eenvoudige steden’ wordt verluchtigd door wijsheden van Herodotus en Plinius over de waterstand van de Nijl, ten teken dat de oude westerse literatuur, in Grieks en Latijn, meer houvast biedt dan de vigerende chaos.

Zowel Westerse bewondering voor Egyptes rijke verleden, als een negatieve beeldvorming over het Egyptische heden, zijn twee kanten van een cultuurhistorische medaille met een lange traditie. Egypte gold in de Romeinse tijd als verwekelijkt, decadent en bijgelovig. Onkuise goden en vreemde gewoonten – goden met een hondekop of ratels ter begeleiding van de Isisverering – werden bespot in de hoofdstad van het rijk. De opkomst van Octavianus, die onder de naam Augustus als eerste het keizerschap in Europa zou vestigen, houdt direct verband met de teloorgang van zijn tegenstander Marcus Antonius in Egypte, waar hij zwelgt in de omarming van zijn geliefde Cleopatra, de geduchte onheilskoningin – zo wilde de politieke propaganda. Toch bestond er tegelijkertijd een groot ontzag voor de enorme bouwwerken en intrigerende objecten – De obelisk! De pyramide! De sfinx! – die dan ook, zo niet verscheept naar de hoofdstad, in toeristisch ogende tochten werden aangedaan. De legerleider Germanicus verbaasde zich een generatie na Augustus vanuit een zuiver historische belangstelling over de wonderwerken, en een eeuw later deed de schoonheidslievende keizer Hadrianus datzelfde. Het waren de christenen in de late oudheid die begonnen af te rekenen met de godsdiensten, die in het vroegere Rome zo welkom waren geweest.

De veronderstelling van een oriëntalistisch discours, in de jaren zeventig zo stellig uitgewerkt door Edward Saïd in zijn Orientalism, vindt nergens betere ondersteuning dan in de christelijke geschriften van weleer, in de oudheid of daarna. Het christendom is afkomstig uit datzelfde oosten, maar in het westen zoveel beter bewaard, zo lijken de predikanten uit domineesland (de term is door J.L. Heldring veelvuldig gebruikt) te stellen. Het duiden van verschillen met de Ander, zoals dat heet, gaat ver terug: Herodotus, de ‘vader van de geschiedschrijving’ is de oudst overgeleverde historiografische bron die het beeld van de oude Egyptenaren schetst, in het tweede boek van zijn Historiën. In het Hellenocentrisch wereldbeeld was Griekenland het middelpunt van de menselijke beschaving. Hierbij paste dat de randen van de wereld, van de Russische steppen tot de verre bronnen van de Nijl, vreemde volken in minder beschaafde gebieden herbergen. Herodotus’ vertelling moet worden gezien in de bredere context van een confrontatie van Oost en West, de oorlog tussen Perzen en Grieken, waarvan de laatsten de vrijheid behielden ten koste van de opmars van de eersten. De Perzische aanwezigheid in Egypte rechtvaardigde een historische belangstelling voor dat vreemde land, dat toch ook zo’n intrigerende geschiedenis had. De inkadering in tegenstellingen tussen Oost en West heeft vijfentwintig eeuwen later nog niets aan kracht ingeboet.

Egypte en het Westen

Het Oosten, waaronder Egypte, leed onder een lange traditie van gekleurde beeldvorming: ver, exotisch, vreemd, waartegen in moderne tijden bezwaar is gemaakt. Dit bezwaar houdt verband met het spiegelbeeld van Oriëntalisme, namelijk de beeldvorming van het Westen in het Oosten. Hiervoor introduceerden Ian Buruma & Avishai Margalit het contrabegrip Occidentalisme, dat de perceptie van het westen als pluralistisch, ongedisciplineerd en areligieus inhield – percepties die op in het westen gecreëerde tegenstellingen gestoeld zijn. Maar ook in het Oosten zijn opinies zo veelkleurig als de regenboog, en vinden we verschillende meningen in verschillende landen, en binnen die landen. Een kwestie die voor Egypte behandeld is, met de nodige kritiek op Buruma & Margalit, door de Amsterdamse Arabist Robbert Woltering in zijn Occidentalisms in the Arab World, met veelzeggend meervoud. Het oorspronkelijke boek uit 2011 is onlangs gebruikersvriendelijk en licht geüpdatet heruitgegeven in paperback, en bevat een scherpe analyse van de verschillende posities in het actuele Egypte, daarbij teruggrijpend op het overheersende discours uit eerder tijd.2 In de negentiende eeuw was er onder de intellectuele Egyptische elite een toch voornamelijk positieve beeldvorming ten aanzien van het westen, die nooit geheel is verdwenen, maar wel aangevuld met dominantere stromingen die het westen als materialistisch en spiritueel arm kenschetsen. Of tot ondergang gedoemd, vroeger of later.

Dat het Westen enerzijds in negentiende-eeuwse koloniale tijden niet als imperialistisch en immoreel werd weggezet, en anderzijds de imperiale mogendheid als onderdrukkend werd ervaren, had alles te maken met het afschudden van de Ottomaanse overheersing, die werd gevolgd door de dominantie van de Westerse landen. Zowel opleiding, hoogcultuur als bestuur werden al eeuwen door vreemde mogendheden bepaald. Vanaf 1882 waren de Britten de feitelijke heersers van Egypte, dat sterk aan strategisch en economisch belang had gewonnen door de opening van het Suezkanaal in 1869.

Ook de belangstelling voor de Oudheid bleef door Europese geesten beheerst, wat onder meer blijkt uit Giuseppe Verdi’s meesterwerk Aida, dat in 1871 ter gelegenheid van de opening van de opera in Caïro zijn première beleerde. Tussen 1858 en 1892 werden door Europeanen in Egypte liefst drie grote oudheidmusea gesticht, elk met hun eigen signatuur: het Museum of Egyptian Antiquities (geopend in 1863), het Museum of Arab Art in Cairo (1884), en het Graeco-Roman Museum in Alexandrië (1892), dat vooral door Italianen werd beheerd. Ook de andere musea droegen Europese nationale identiteiten.3 In eerstgenoemd museum, de publieke pendant van de Egyptian Antiquities Service (of, desgewenst, de Service des Antiquités de l’Égypte), zetten twee Franse directeuren de toon met een Frans imperialistisch stempel: Auguste Mariette en Gaston Maspero. Duitse archeologen en historici waren verzameld in de Khedival bibliotheek, terwijl Hongaren bepalend waren voor het Museum of Arab Art. En waar blijven de Britten in dit verhaal? Zij bestierden het hele land, wat onder meer duidelijk werd in de reisorganisatie Thomas Cook, die grote delen van de Egyptische elite over de Nijl liet varen, daarbij bijgestaan door een Egyptische Baedeker reisgids uit 1878. De Prince of Wales was hen in 1869 voorgegaan, uitgebreid gefotografeerd door de meereizende hoffotografen.

Fotografie

Het was in de geschetste omstandigheden dat de fotografie een plaats kreeg in de wereld van kunst en wetenschap, om niet te spreken van toerisme en handel. Egypte sprak, na de kortstondige verovering van het land door Napoleon in 1898, tot de letterlijke verbeelding van velen. Champollion ontcijferde in 1822 het hiëroglyfisch Egyptisch, wat een schat aan gegevens omtrent een voorheen mystieke – en daardoor heilige taal – blootlegde.4 Deze konden nu snel en relatief eenvoudig op lichtbeelden worden vastgelegd. De Académie des Inscriptions et Belles Lettres verstrekte een opdracht aan Maxime du Camp, die in gezelschap van zijn vriend, de jonge romancier Gustave Flaubert, op reis toog. Op een foto van Du Camp staat de schrijver nadenkend, met baard aan zijn kin en moskee in de verte, in een tuin tegen een achtergrond van halfvergane huizen. Van Flaubert is bekend dat hij de fotografie als inferieur aan tekst verwierp. Zijn commentaar op de bewuste foto uit 1850 was mild, in de zin dat hij op afstand en in Nubisch gewaad nauwelijks te identificeren was. De reis met Du Camp werd voltooid volgens het geijkte schema: Palestina, Syrië, en weer naar Europa. Flaubert – juist getrokken door de spirituele dimensie van het oude land – genoot van Egypte, maar zou er nooit meer terugkomen. In 1858 verbleef hij enige tijd in Tunesië, voor zijn roman Salammbô, en daar bleef het bij wat betreft het Oosten. Du Camp doet na terugkeer zijn boek Le Nil, Egypte et Nubie verschijnen, evenals zijn fotoboek Égypte, Nubie, Palestine et Syrie.

Uiteraard werd fotografie niet op vergelijkbaar snelle wijze bedreven als in later tijd: de belichtingstijd kon meer dan tien minuten bedragen, de fotografische procedés waren instabiel en de contouren konden bij verkeerde toepassing na verloop van tijd vervagen. Enkele foto’s in de tentoonstelling laten de tent zien die als mobiele donkere kamer dienst deed. Bijvoorbeeld die van de productieve Britse fotograaf Francis Frith, een vrome quaker die vond dat zijn foto’s van beroemde plekken in Egypte en in het Heilige Land ook een heilzame invloed op de kijkers hadden. Door het gebrek aan licht in de opgravingen beperkten de meeste fotografen in de negentiende eeuw zich tot buitenfotografie. Foto’s werden van statief gemaakt, wat er toe leidde dat vooral de vroege foto’s eerder monumenten waren van het eeuwig-schone in romantisch-documentaire traditie dan van productieve omgang met een dynamisch verleden. Vroege foto’s lijken vaak wel schilderijen. De negatieven werden op glasplaten gemaakt volgens het zeer bewerkelijke natte-collodiumprocedé dat snelle handelingen vereiste. De belichte plaat moest telkens direct na de opname in de donkere tent ter plaatse worden ontwikkeld en gefixeerd.

Techniek en ervaring vorderden snel: tegen het laatste kwart van de negentiende eeuw hadden verschillende commerciële fotografen, vooral uit Istanbul, zich in Cairo gevestigd, met een kwantitatief enorme productie en een navenant levendige handel.  Een hele zaal in de tentoonstelling is gewijd aan de fotograferende amateur-Egyptoloog Jan Herman Insinger (1854-1918). Hij leverde een onschatbare collectie bodemvondsten en foto’s aan het in 1818 opgerichte Rijksmuseum van Oudheden (RMO) in Leiden, die hij mede met behulp van Gaston Maspero, de reeds genoemde directeur van de Egyptische Oudheidkundige Dienst, had opgebouwd. In 1886 was Insinger met zijn camera aanwezig toen de beroemde koningsmummies genadeloos werden opengesneden en hij fotografeerde de tronies van hun overleden eigenaars; hierdoor bezit het RMO zeldzame maar hoogst persoonlijke portretten van farao Ramses II. De eerder genoemde met foto’s geïllustreerde publicatie van Maxime du Camp is vermoedelijk in het bezit gekomen van het RMO door een bezoek dat de fotograaf bracht aan Nederland in 1857. Hetzelfde museum kreeg in 1979 als dank voor een bijdrage aan restauratiewerkzaamheden in het kader van UNESCO een Taffeh-tempel uit de tijd van keizer Augustus cadeau (een andere dan de door Du Camp gefotografeerde tempel).

Collectievorming

Naast de foto’s uit het RMO zijn de schatten uit het Allard Pierson Museum te noemen, het museum dat in 2013 de catalogus Eeuwig Egypte uitbracht, en onlangs een vernieuwde opstelling opende van de Hellenistische afdeling. De catalogus op basis van de rijke collectie is blijvend relevant, en bevat in de laatste hoofdstukken een overzicht van de moderne Egyptische periode, met daarin aandacht voor de opgeleefde belangstelling voor Egypte in de negentiende eeuw.5 Daarnaast zijn twee fotoverzamelingen van Rotterdamse particulieren van grote waarde. Een is bijeengebracht door de Rotterdamse havenbaron Hendrik Veder (1840-1894) tijdens zijn reizen naar de Oriënt: hij was geen fotograaf, maar kocht de foto’s van de commerciële fotostudio’s ter plaatse. Zijn tijdgenoot Richard Polak (1870-1956) deed hetzelfde tijdens zijn reizen naar het Midden-Oosten. Die van Veder worden nu in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam bewaard, die van Polak in het Rijksmuseum in Amsterdam. Alle grote monumenten uit Egypte, maar ook de aanleg van het Suezkanaal en de gevolgen van de gewelddadige Britse invasie in 1882, zijn op foto’s vastgelegd. Foto’s bestonden naast etsen, prenten en schilderijen, die evenzeer gemaakt bleven worden. Egypte is een rijke bron voor observanten van alle tijden, van antieke toeristen tot fotografen van vroeger en vandaag. De blik op oude zaken veranderde met de geschiedenis van de moderne tijd. Dat deze in de negentiende eeuw geheel anders was dan vandaag, toont een buitengewoon bijzondere tentoonstelling in Huis Marseille.


1. L. Heldring, Reisindrukken in het Oosten, J.M. Bredée 1901, 175 blz.; J. Krayenbelt, Het Heilige Land. Reis door Egypte, Palestina en Syrië, Wenk & Birkhoff 1892, 338 blz. ; F.L. Cachet, Het land mijner vaderen. Indrukken op eene reis door Egypte en Palestina, Höveker & Wormser 1902, 288 blz. 

2. R. Woltering, Occidentalisms in the Arab World. Ideology and Images of the West in the Egyptian Media, I.B. Tauris 2017, 224 blz. 

3. D.M.Reid, Contesting Antiquity in Egypt: Archaeologies. Museums & the Struggle for Identities from World War I to Nasser, The American University in Cairo Press 2015, 516 blz. 

4. Een recente meerdelig werk van John Romer omkadert de oude geschiedenis van Egypte effectief met de moderne ontdekkingsgeschiedenis: A History of Ancient Egypt, vol.2: From the Great Pyramid to the Fall of the Middle Kingdom, Penguin 2016, 672 blz. 

5. Ben van den Bercken & Willem van Haarlem (ed.), Eeuwig Egypte. Allard Pierson Museum Serie deel 3, W-Books 2013, 184 blz. Het museum bezit ook een zeer kostbare Koptische collectie, met in de catalogus geïllustreerde artefacten en materialen uit de christelijke gemeenschap in Egypte.