Advertentie
Banner

‘Something is rotten, in big history’

Nu de eerder doodverklaarde geschiedenis haar wederopstanding beleeft op het wereldtoneel, is het voorstelbaar maken van een toekomst die beter is dan het heden belangrijker dan ooit. In de NIAS-Wesselingreeks gaat Lukas Verburgt in gesprek met prominente historici om erachter te komen wat dit betekent voor de rol van de geschiedenis in het heden. Waarom en hoe bestuderen zij het verleden? Welke historische kennis streven zij na in hun werk? Wat maakt deze kennis relevant? Op welke manieren helpt hij ons het heden beter te begrijpen en alternatieve toekomsten voor te stellen?

Besproken boeken

David Wengrow (1972) is hoogleraar vergelijkende archeologie aan University College London (UCL). Met David Graeber schreef hij The Dawn of Everything: A New History of Humanity (2021), dat onlangs bij Maven Publishing in Nederlandse vertaling verscheen als Het begin van alles: een nieuwe geschiedenis van de mensheid.

Lukas Verburgt (1989) is filosoof en wetenschapshistoricus en is op dit moment als fellow verbonden aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS), aan wiens voormalige directeur – Henk Wesseling – deze reeks haar naam dankt.

Met The Dawn of Everything schreven David Wengrow en de in 2020 plotseling overleden David Graeber – hoogleraar antropologie, anarchist en een van de leidende figuren van de Occupy Wall Street-beweging – een wereldwijde besteller. Ergens is dat verrassend: het boek is zo’n zevenhonderd pagina’s lang en staat vol gedetailleerde historische analyses. Maar het succes is ook begrijpelijk, want Graeber en Wengrow laten op basis van recente archeologische inzichten zien dat er niks klopt van het verhaal over de geschiedenis van de mens dat big history-bestsellerauteurs als Yuval Noah Harari en Jared Diamond vertellen.

Het is onjuist dat de mens de eerste driehonderdduizend jaar van haar bestaan leefde in egalitair groepsverband, als jagers en verzamelaars. En het is onjuist dat hiërarchie – en daarmee ongelijkheid – de prijs is die zij moest betalen voor de vooruitgang die mogelijk werd gemaakt door de uitvinding van de landbouw zo’n negenduizend jaar voor het begin van onze jaartelling. Belangrijker dan de feitelijke onjuistheid van het verhaal is dat het doet alsof de huidige politiek-sociale status quo (de soevereine natiestaat) het onvermijdelijke eindpunt is van historische wetmatigheden. Vanaf het allervroegste begin experimenteerde de mens met verschillende samenlevingsvormen, en er hebben in het verre verleden complexe samenlevingen bestaan die floreerden zonder het bestaan van een heersende staat. Er is volgens Graeber en Wengrow geen enkele reden te bedenken dat het niet langer mogelijk zou zijn om onze gemeenschappelijkheid radicaal opnieuw uit te vinden.

Hoewel groots in opzet werd The Dawn of Everything geschreven zonder vooropgezet plan en vond het zijn oorsprong in een denkimprovisatie die begon in 2010-2011.

[David Wengrow] Rond die tijd was David [Graeber] op zoek naar een baan in Engeland nadat hij zijn positie aan Yale was kwijtgeraakt. Hij woonde nog in New York, waar ik toen gasthoogleraar was. Ik kwam er zo’n drie of vier keer per jaar. Dit was rond het hoogtepunt van de Occupybeweging, hoewel we daar nooit over spraken. We ontmoetten elkaar regelmatig en spraken over de boeken die we lazen, vooral over recent archeologisch werk geschreven voor en door specialisten. Davids Debt was toen net verschenen. (1) Ik herinner me dat hij me een exemplaar gaf in een Koreaans restaurant ergens in de buurt van Times Square. Voorin schreef hij dat ik hem enthousiaster had gemaakt over de geschiedenis dan wie of wat dan ook. Op mijn beurt gaf ik hem een veel minder bekend en succesvol boek, mijn eigen What Makes Civilization?, dat toen ook net was verschenen. (2)

We raakten er meer en meer van overtuigd dat er iets fundamenteel mis was met het huidige grote plaatje van de wereldgeschiedenis.

Na het te hebben gelezen, stuurde hij me een hele lange e-mail vol intrigerende vragen. Niet lang daarna kreeg hij een positie aan Goldsmith’s en vervolgens aan de London School of Economics. Dit betekende dat we elkaar opeens makkelijker en vaker konden opzoeken. Na een paar maanden werd duidelijk dat we via de mail eigenlijk al bijna een kort boek hadden geschreven, gewoon door losse gedachten uit te wisselen die bij ons opkwamen tijdens het lezen van dezelfde historische, archeologische en antropologische literatuur, over sociale evolutie en urbanisatieprocessen bijvoorbeeld. We raakten er meer en meer van overtuigd dat er iets fundamenteel mis was met het huidige grote plaatje van de wereldgeschiedenis. Dit gaat ervan uit dat vooruitgang onlosmakelijk is verbonden met het ontstaan van natiestaten en gecentraliseerde bureaucratieën. Maar dat is in veel gevallen helemaal niet zo.

Ons oorspronkelijke plan was om een kort, informeel boek te schrijven, een soort pamflet waarin we twee centrale punten zouden maken: alles wat we denken te weten over jagers-verzamelaars – het idee dat de mens voor de komst van de landbouw in egalitair groepsverband leefde – klopt van geen kant en we wilden laten zien dat er duizenden jaren geleden min of meer egalitaire steden hebben bestaan.

[Lukas Verburgt] En tien jaar later ligt er een dik boek van zevenhonderd pagina’s…

[DW] Ja, in die tussenliggende jaren realiseerden we ons dat er zelfs binnen onze eigen vakgebieden – de archeologie en antropologie – niemand was die de grotere implicaties van de meest recente inzichten expliciet maakte of doordacht. Dat zijn wij gaan doen, en al snel werd duidelijk dat het boek langer zou worden dan een pamflet. In de jaren die volgden schreven we een stuk voor een algemeen publiek, dat veel losmaakte, en we publiceerden in academische vakbladen om onze wetenschappelijke casus te maken. (3)

We hadden er zo ontzettend veel plezier in samen. Wat ons vooral verbond, was dat we er allebei van hielden om obscure, soms zeer obscure, teksten te lezen. Het was voor ons beiden zo feestelijk om iemand tegen te komen van wie je wist dat hij in dezelfde krochten van dezelfde bibliotheken was geweest. David was voor mij de persoon van wie je hoopt dat je hem ooit tegenkomt. Het was als het vinden van een verloren broer. Als ik er nu aan terugdenk, besef ik weer hoe waardevol vriendschap is, hoe goed dat is voor het doen van academisch onderzoek. Vrijwel alles binnen de geestes- en sociaalwetenschappen draait tegenwoordig om competitie: je concurreert om posities, om geld, om publicaties, om rankings. Dit maakt het ontzettend moeilijk om solidair met elkaar te zijn, om elkaar te steunen, om echt samen te denken.

[LV] Veel recensies van The Dawn of Everything benadrukken juist ook de verschillen tussen jullie: u de Oxfordprofessor en David Graeber de wilde anarchist. Hoe kijkt u daar zelf tegenaan?

[DW] Dat is natuurlijk een karikatuur. Ik ben ook nooit geïnteresseerd geweest in de publieke perceptie van David. Het is logisch dat veel mensen bepaalde ideeën over hem hadden of op hem projecteerden. Maar ik kende hem, en geen van die ideeën heeft ook maar iets te maken met hoe hij was als persoon. Iets soortgelijks geldt voor het boek. Veel mensen verwachtten een politiek manifest, en dat is ook wat sommige recensenten – vooral degenen die het niet hebben gelezen – ervan hebben gemaakt. Dat is het niet. Noch David, noch ik dacht over wat we lazen en waarover we praatten en schreven in termen van ‘dit is Marxistisch en dat niet’. We gebruikten dat soort termen nooit.

[LV] Er klopt dus ook niets van de lichte verbazing waarmee sommige recensenten en commentatoren constateren dat een Oxfordhoogleraar in de archeologie er opeens anarchistische ideeën over de mens en haar geschiedenis op na blijkt te houden?

[DW] Voordat ik David leerde kennen had ik heel weinig van hem gelezen. Dat kwam pas later. De eerste paar jaar praatten we gewoon veel met elkaar. We kwamen er al gauw achter dat er een sterke overlap bestond tussen onze theoretische inspiratiebronnen: Pierre Clastres bijvoorbeeld, de beroemde anarchistisch theoreticus die behoorde tot Claude Lévi-Strauss’ inner circle, en Marcel Mauss, die voor ons allebei zeer belangrijk was. Het boek dat ik voor The Dawn of Everything publiceerde, What Makes Civilization?, was een poging om Mauss’ ideeën over beschavingen toe te passen op de antieke geschiedenis en archeologie. Dat is nog iets anders wat David en ik gemeen hadden: we waren er allebei heel slecht in onszelf te beperken, vooral als het ging om de tijdschaal van onze analyses.

Het is juist veel eerlijker, wetenschappelijker zelfs, om uit te leggen waarom je een bepaalde omweg neemt en waarom je bent uitgekomen op een andere positie dan die waarmee je begon. En ook om niet te doen alsof je alle problemen hebt opgelost.

Dit alles maakte dat het schrijven van ons boek heel organisch verliep. Er was geen sprake van een arbeidsverdeling in de zin van: jij doet dit hoofdstuk en ik doe dat hoofdstuk. En het heeft gewerkt, denk ik, want ik hoor ook van mensen die ons goed kennen dat ze niet kunnen zien wat door David en wat door mij is geschreven. We probeerden oprecht om dezelfde bronnen te lezen en alles samen te schrijven. In de praktijk nam een van ons natuurlijk het initiatief door een schets te maken van een deel van een hoofdstuk. Daarna ging een tekst een paar keer heen en weer. Soms veranderde de inhoud of de structuur volledig. Vaak voegden we er meer en meer aan toe. Dit is ook waarom we ervoor kozen om in ieder hoofdstuk met een soort achttiende-eeuwse subkopjes te werken; zo ontstond er zowel voor ons als voor de lezer een houvast. Hoewel het uiteindelijke boek verrassend nauw aansluit op de beschrijving ervan in het voorstel dat we er ooit voor indienden, was het schrijfproces dus enigszins irrationeel. Er is altijd sprake van willekeur als het gaat om hoe specifieke punten onverwachts samenkomen in een overkoepelend argument. Vrijheid – dat is het goede woord. Voor David was het net zo. Het boek is ook vanuit dit gevoel geschreven. Het is bepalend geweest voor de toon ervan. Academische teksten staan over het algemeen vol verhullend jargon. Daar wilden we ver vanaf blijven. We hebben ons denkproces niet achteraf opgepoetst; we hebben het opgeschreven zoals het zich voltrok. De vraag waarmee we begonnen – wat is ongelijkheid? – bleek de verkeerde vraag en is dus ook niet de vraag waarmee we eindigen, namelijk: wat is vrijheid?

Deze manier van schrijven maakt een boek volgens mij veel plezieriger om te lezen. Maar het irriteert academische recensenten. Zij lezen het zoals ze een grant proposal lezen. Ze willen een duidelijke onderzoeksstrategie, met argumenten, voorbeelden en conclusies. Dat is niet onze stijl. Het is juist veel eerlijker, wetenschappelijker zelfs, om uit te leggen waarom je een bepaalde omweg neemt en waarom je bent uitgekomen op een andere positie dan die waarmee je begon. En ook om niet te doen alsof je alle problemen hebt opgelost. The Dawn of Everything is geen dogmatisch boek. Het bestaat voor een groot deel uit wat David noemde ‘het wegpoetsen van de filosofische bullshit die het ons onmogelijk maakt om werkelijk te begrijpen wat zich in het verleden heeft voltrokken’. Het is soms bijna grappig om kritische recensies te lezen en te zien hoever sommige mensen bereid zijn te gaan om bepaalde historische feiten niet te erkennen of af te doen als incidentele afwijkingen van een historische wetmatigheid.

[LV] Voor welk soort publiek schreven jullie het boek dan eigenlijk precies?

[DW] Voor iedereen. Het is een boek voor iedereen. We wilden ook expliciet niet dat het een boek voor linkse mensen zou worden. Het is voor iedereen die Diamond of Harari leest.

Er zijn genoeg van dit soort big history-boeken zonder mensen erin. Het gaat dan alleen over historische processen. Deze boeken geven lezers het gevoel dat ze nietig en machteloos zijn. Ons boek is anders. Het gaat altijd over mensen.


[LV] En als het gaat om collega-historici: had u niet verwacht dat het boek hen enigszins zou verontrusten? Met sommige posities die jullie innemen – dat historici een rol zouden moeten spelen in het heden en in het denken over de toekomst door bestaande grote verhalen te ontkrachten en er nieuwe voor in de plaats te stellen – zal de gemiddelde historicus toch enige moeite hebben?

[DW] Je moet je ons niet voorstellen als twee academici die zaten opgesloten in een kantoor. We hebben tijdens het schrijfproces veel gesprekken gevoerd met collega’s van over de hele wereld, zowel publiekelijk als privé. We hebben een hoop seminars en lezingen gegeven en eerste versies van hoofdstukken rondgestuurd. Natuurlijk waren we ons ervan bewust dat sommige posities die we innemen controversieel zijn, of in ieder geval nogal stellig overkomen. Maar dat heeft er vaak ook mee te maken dat we de algemene lezer niet van ons wilden vervreemden. Die is niet geïnteresseerd in welke expert wel of geen gelijk heeft over dit of dat specifieke onderwerp. Als we ieder punt dat we maken van alle mogelijke kanten hadden belicht, was het boek onleesbaar geworden – en tien keer zo lang. We hebben ons er steeds toe beperkt om aan te geven waarom we vinden dat een bepaald idee niet klopt en wat dat betekent voor ons begrip van een overkoepelend thema, zoals de gevolgen van urbanisatie en demografische toename van de populatie.

Een big history-boek kan twee kanten op gaan. Wanneer je op die schaal een argument probeert te maken, kan het verhaal heel abstract en onpersoonlijk worden. Er zijn genoeg van dit soort boeken zonder mensen erin. Het gaat dan alleen over historische processen. Deze boeken geven lezers het gevoel dat ze nietig en machteloos zijn. Ons boek is anders. Het gaat altijd over mensen. Dat is wat David en ik hebben proberen te doen: een menselijke geschiedenis van de mens schrijven. En ik denk dat dit een van de redenen is dat het boek aanslaat. Wat we beschrijven, is invoelbaar. Als zodanig is het een eerbetoon aan David. Het was een van zijn grootste gaven om concepten en historische bronnen die in potentie obscuur en complex zijn op zo’n manier te gebruiken dat iedere lezer er zelf iets mee kan.

Veel jonge mensen lezen het boek. Ik ontvang echt prachtige brieven van tieners. Tijdens de presentatie van de Nederlandse vertaling in Amsterdam kwam er na afloop een meisje naar me toe. Na enige aansporing van haar moeder vertelde ze me dat ze met het boek naar haar geschiedenisdocent was gegaan en had gezegd: ‘Waarom leer je ons allemaal dingen die helemaal niet kloppen? En waarom komen er eigenlijk helemaal geen vrouwen voor in uw lessen?’ Het was zo mooi om te horen. Ze had het boek gelezen en begreep het omdat het resoneerde met iets in haarzelf, omdat ze zich kon verplaatsen in de figuren die erin voorkomen.

[LV] Wat is nu de volgende stap? Bent u van plan het boek een vervolg te geven in uw toekomstige werk?

[DW] Ik loop op dit moment vooral ontzettend achter met andere projecten… Ik heb onlangs een hoofdstuk geschreven voor een nog te verschijnen bundel over de geschiedenis van Afrikaanse koninkrijken. Ik schrijf over politieke systemen in Egypte en Nubië, Noord-Soedan. Het leek me een interessante casus om enkele van de concepten die we in The Dawn of Everything introduceren, vooral de verschillende noties van vrijheid, erop uit te testen.

Ik zal voor altijd verbonden blijven aan ons boek. Ik kan niet teruggaan en onze ideeën tenietdoen. En dat is prima. The Dawn of Everything is namelijk geen af werk. Het manuscript is natuurlijk klaar. Het lag er, drie weken voor Davids overlijden. Maar we waren ons er zeer van bewust dat we nog niet klaar waren. We zaten echt in zak en as toen we het manuscript indienden. David wilde meteen beginnen aan een volgend boek. Er zit zo veel niet in het boek: bronmateriaal, data, ideeën. En er staat niet eens iets in over onze eigen onderzoeksgebieden, Madagaskar en Noordoost-Afrika.

Ons idee was om drie vervolgen te schrijven. We noemden het onze Lord of the Rings. The Dawn of Everything was The Hobbit en dan zouden er nog drie volgen. Helaas kan ik je niet zeggen wat erin zou komen te staan. Dat is niet hoe we werkten. We hadden zo veel plezier in het schrijven, misschien juist omdat we geen plan hadden. Over een jaar of twee krijg ik een sabbatical van mijn universiteit. Pas dan zal ik de tijd hebben om te verwerken wat er allemaal is gebeurd en na te denken over de vraag: wat nu?

Noten

  1. David Graeber, Debt: The First Fivehundred Years (Melville House 2011).
  2. David Wengrow, What Makes Civilization? The Ancient Near East and the Future of the West (Oxford University Press 2010).
  3. David Graeber en David Wengrow, ‘How to Change the Course of Human History (At Least the Part That’s Already Happened)’, Eurozine (2 maart 2018) en, bijvoorbeeld, David Wengrow en David Graeber, ‘Farewell to the “Childhood of Man”: Ritual, Seasonality, and the Origins of Inequality’, Journal of the Royal Anthropological Institute 21.3 (2015): 597-619.