Leven met Hitler

Ian Kershaw geldt voor velen als de hoogste autoriteit op het gebied van het nationaalsocialisme, het Derde Rijk en het leven van Adolf Hitler. Kershaws tweedelige Hitlerbiografie werd niet alleen door vakgenoten geprezen voor haar eruditie en gedegen onderzoek, maar wist ook een veel groter publiek te bereiken. Al decennia is Kershaw een historicus die binnen én buiten de kaders van het wetenschappelijk debat veel lof oogst. Rob Hartmans gaat in op Kershaws loopbaan en zijn positie binnen de historiografie van het Derde Rijk. Door Rob Hartmans.

Nadat in 1998 het eerste deel van zijn volumineuze Hitlerbiografie was verschenen, kreeg Ian Kershaw van journalisten die zijn boek niet of nauwelijks gelezen hadden, dikwijls de vraag of het niet heel deprimerend was om zich jarenlang met zo’n abject figuur bezig te houden. Met typisch Britse beleefdheid ontkende hij dit en benadrukte hij dat je zelfs Hitler en diens regime op een zo nuchter mogelijke wijze kon en moest bestuderen. Tegenwoordig voegt hij hier nog wel eens aan toe dat het enige wat hem soms nachtmerries bezorgt, een nederlaag van Manchester United is.

Uiteraard betekent dit niet dat Kershaw een gevoelloos type is, want toen ik hem in het najaar van 1998 in Manchester opzocht om hem voor De Groene Amsterdammer te interviewen, vertelde hij dat hij kort daarvoor een schokkende ervaring had gehad. Op de Frankfurter Buchmesse was heel veel aandacht geweest voor zijn boek, en zijn uitgever had in de enorme hal metershoge banieren laten ophangen met dezelfde vormgeving als het boek. Dat betekende dat links in forse blokletters de naam ‘Hitler’ stond, en dat rechts een portret was afgebeeld. Omdat het publiekelijk afbeelden van Hitlers portret strafbaar is, aangezien het volgens paragraaf 86a van het Strafgesetzbuch geldt als een ‘Kennzeichen verfassungswidriger Organisationen’, was de overbekende tronie met spuuglok en Charlie Chaplinsnor vervangen door de vriendelijke gelaatstrekken van Kershaw. Voor de bescheiden historicus was het sowieso een enorme schok om zijn eigen gezicht zo uitvergroot te zien, en dan ook nog in combinatie met die omineuze naam. Hoewel niemand hem met Hitler zou verwarren, voelde die welhaast fysieke nabijheid buitengewoon onaangenaam.


Essay uit dBNg 2017#3

  

  

 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Kershaws naam is sinds het verschijnen van deze biografie onlosmakelijk verbonden met die van Hitler. Met zijn bijna 2.000 bladzijden tellende levensbeschrijving – deel 2 verscheen in 2000 – heeft Kershaw zijn naam gevestigd als een van de belangrijkste kenners van het Derde Rijk. Hij werd voor deze verdienste in 2002 zelfs geridderd. De reputatie van de man is op dit vlak zo groot dat die het zicht op het werk dat deze formidabele historicus vóór en na zijn ‘Hitler’ heeft geschreven, enigszins belemmert.

Van de middeleeuwen naar Hitler

Kershaw is in april 1943 geboren in Oldham, nabij Manchester. Zijn katholieke ouders hadden weinig opleiding genoten, maar waren vastbesloten dat Ian en zijn zussen meer kansen zouden krijgen dan zij zelf hadden gehad. Omdat zij niet over de juiste connecties beschikten werd Kershaw, ondanks zijn uitstekende schoolresultaten, aanvankelijk niet toegelaten tot St. Bede’s College in Manchester. Pas nadat zijn vader de bisschop had geschreven dat Ian anders als heiden zou opgroeien, werd hij toegelaten tot deze uitstekende grammar school, die hij zelf heeft gekenschetst als ‘the last bastion of pre-Renaissance scholasticism’. Hij was vooral geïnteresseerd in moderne talen, maar omdat op deze school alleen Frans werd onderwezen, koos hij, naast Latijn, uit armoede maar voor geschiedenis.

Zijn geschiedenisleraar wist hem echter zodanig te inspireren, dat hij vervolgens in Liverpool geschiedenis is gaan studeren, om zich daar te specialiseren in de Middeleeuwen. Tijdens zijn promotieonderzoek aan Oxford ontdekte hij een duizend pagina’s tellend manuscript met de rekeningen van een klooster in Yorkshire, wat resulteerde in een dissertatie die in 1973 bij Oxford University Press verscheen onder de titel Bolton Priory: The Economy of a Northern Monastery, 1268-1325.

Ondertussen was zijn belangstelling voor andere talen niet verminderd en had hij bij het Goethe Institut in Manchester cursussen Duits gevolgd. In de zomer van 1972 ging hij voor een intensieve taalcursus een paar weken naar Duitsland, waar hij op een zondagmiddag even buiten München aan de praat raakte met een wat oudere man. Kershaw merkte op dat het wel moeilijk geweest moest zijn, om hier in de jaren ’30 te hebben geleefd. Tot zijn verbijstering verklaarde de man dat het de mooiste tijd van zijn leven was geweest, en dat wanneer Engeland zich bij Duitsland had aangesloten deze landen samen het communisme hadden kunnen verslaan. Toen Kershaw vertrok, zei de man nog snel: ‘de Jood is een luis.’

In dezelfde periode – waarin er in progressieve kring op gehamerd werd dat wetenschappelijk onderzoek ‘maatschappelijk relevant’ diende te zijn – begon zijn belangstelling te verschuiven van de Middeleeuwen naar de recente, Duitse geschiedenis. En door deze ontmoeting met een oude nazi begon hij zich af te vragen hoe ‘gewone’ Duitsers het Derde Rijk hadden beleefd. In 1975 kon hij aan de universiteit van Manchester, waar hij inmiddels Middeleeuwse geschiedenis doceerde, overstappen naar de vakgroep Moderne Geschiedenis, en rond deze tijd raakte hij ook betrokken bij het onderzoeksprogramma ‘Beieren in de jaren 1933-1945’ van het Institut für Zeitgeschichte in München.

Dit groots opgezette onderzoek, onder leiding van Martin Broszat, was een vorm van Alltagsgeschichte, waarbij aanvankelijk vooral werd gekeken naar de verschillende wijzen waarop de bevolking haar afkeer van de nazi’s had laten blijken. Gaandeweg evolueerde dit in een diepgravende studie naar een functioneren van het nationaalsocialistische regime op lokaal en regionaal niveau, en naar de wijze waarop de bevolking hierin participeerde.

Hitlers leidersschapsstijl

Door zijn samenwerking met Broszat, en zijn vriendschap met de sociaal-historicus Hans Mommsen, raakte Kershaw betrokken bij een fundamenteel debat onder Duitse historici die zich bezighielden met het nationaalsocialisme. Toonaangevende historici als Karl Dietrich Bracher, Eberhard Jäckel en Klaus Hildebrand zagen de geschiedenis van het Derde Rijk – dus inclusief de buitenlandse politiek, de oorlogvoering en de Shoah – vrijwel volledig als het gevolg van de wil en intenties van Hitler: Hitlers ‘Weltanschauung’ en diens politieke doelstellingen waren al volledig ontwikkeld in Mein Kampf, en nadat hij in 1933 aan de macht was gekomen heeft hij die met ijzeren wil en dictatoriale middelen geprobeerd te verwezenlijken. Volgens Hildebrand kon men in plaats van over nationaalsocialisme beter over ‘hitlerisme’ spreken, en in de gepopulariseerde versies van deze benadering werd Hitler een diabolische guur, de verpersoonlijking van de ‘Wille zur Macht’, die het willoze Duitse volk eerst had verleid en vervolgens verkracht. Wat er tussen 1933 en 1945 was gebeurd, kon voor het overgrote deel worden verklaard aan hand van de psyche en ideologie van Hitler.

Historici als Broszat en Mommsen hadden kritiek op deze benadering, die bekend zou komen te staan als het ‘intentionalisme’. Uiteraard ontkenden zij niet dat Hitler de hoofdrol had gespeeld in de totstandkoming van het Derde Rijk, of dat hij de Joden wilde uitroeien, maar ze benadrukten dat er geen sprake was van een uitgewerkt plan voor de Shoah, en dat Hitlers rol na 1933 eigenlijk vrij beperkt was geweest. In tegenstelling tot wat er in oudere literatuur werd gesuggereerd, was het Derde Rijk geen perfect georganiseerde staat geweest, maar een bureaucratische jungle waarin allerlei organisaties en instellingen elkaar beconcurreerden. Volgens Mommsen was Hitler zelfs een ‘zwakke dictator’ geweest, die zich nauwelijks met het concrete beleid had bemoeid. Zelfs de genocide op de Joden was 
niet het gevolg van een concreet besluit, maar van een zogenoemde ‘cumulatieve radicalisering’, waarbij ambitieuze functionarissen binnen allerlei instanties probeerden hun macht uit te breiden door roomser te zijn dan de paus, en zo Hitlers Jodenhaat vertaalden in daden. Hitler zou al vrij snel niet meer geweest zijn dan een mythe, die gebruikt werd om de massa’s te enthousiasmeren voor een politiek die in feite werd ontwikkeld door verschillende machtselites.

Doordat deze historici zich concentreerden op de werking en structuur van het Derde Rijk, werden ze al spoedig ‘functionalisten’ of ‘structuralisten’ genoemd.1 Kershaw behoorde duidelijk tot het kamp van de structuralisten, en hield zich aanvankelijk vooral bezig met onderzoek naar de publieke opinie, waarbij hij keek hoe de ‘gewone Duitsers’ dachten over de antisemitische politiek van het naziregime. Dit resulteerde in 1983 in het boek Popular Opinion and Political Dissent in the Third Reich: Bavaria, 1933-45. Al spoedig kreeg hij het gevoel dat het debat hierover op een dood punt was beland. Vanaf dat moment ging zijn belangstelling steeds meer uit naar de wijze waarop het regime functioneerde. In 1985 publiceerde hij The Nazi Dictatorship: Problems and Perspectives of Interpretation, een kritisch overzicht van de historiogra e van het Derde Rijk. Twee jaar later ging hij in The ‘Hitler Myth’: Image and Reality in the Third Reich in op de aard en betekenis van het beeld dat de nationaalsocialistische propaganda van Hitler creëerde.

De Führer tegemoet werken

Mede onder invloed van de Britse historicus Tim Mason – die in een beroemd artikel uit 1981 niet alleen de termen ‘intentionalisten’ en ‘functionalisten’ had gemunt, maar tevens op de tekortkomingen van beide benaderingen had gewezen2 – ging Kershaw meer aandacht besteden aan de wijze waarop Hitler leiding gaf. In een reeks artikelen, gebundeld in Hitler, The Germans and the Final Solution, bestudeerde hij de wisselwerking tussen enerzijds Hitlers charismatische rol en ideologie en anderzijds de chaotische structuur van het Derde Rijk en het grotendeels geïmproviseerde karakter van de Endlösung. Het was duidelijk dat Hitler geen dictator was geweest die de hele tijd aan de knoppen zat. In tegenstelling tot Stalin was hij geen apparatsjik die zich voortdurend met allerlei details bemoeide,3 maar dat wilde nog niet zeggen dat hij een ‘zwakke dictator’ was, dat hij in feite slechts een uithangbord was geweest voor politiek die door anderen werd gemaakt.

Hitler wierp zich nadrukkelijk op als een visionair. Hij ontwikkelde een utopisch visioen van nationale verlossing, waarvoor Duitsland gezuiverd moest worden van vreemde ‘rasseninvloeden’ en tegelijkertijd nieuw grondgebied veroverd moest worden. De enorme dynamiek van het Derde Rijk was het gevolg van een combinatie van dit radicale visioen, plus een ander kenmerk van het regime. In een toespraak van een nazi-functionaris uit 1934 stuitte Kershaw op de uitspraak dat ‘het de plicht van ieder individu [is] om te trachten in de geest van de Führer hem tegemoet te werken’. Hitler zette de grote lijnen uit, en omdat iedereen wist welke kant hij op wilde, hoefde hij zelf niet de hele tijd achter het stuur te zitten, maar kon hij dat met een gerust hart aan zijn ondergeschikten overlaten. Om carrière te maken ontwikkelden zij tal van initiatieven, zodat het toerental van de vernietigingsmachine steeds verder opgevoerd werd. Hitler vond dit prachtig en trapte daarom nooit op de rem, gaf dikwijls zelfs nog wat meer gas.

In het begrip ‘dem Führer entgegen zu arbeiten’ werd de dialectiek zichtbaar tussen Hitlers verreikende visioenen en de talloze initiatieven van onderop. Een dialectiek die ertoe leidde dat er, zeker nadat de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken, een genocidale mentaliteit ontstond waarbij voor het zogenoemde ‘Joodse vraagstuk’ alleen de aller-radicaalste ‘oplossing’ bruikbaar leek. Zodoende is het onmogelijk om een exact tijdstip vast te stellen waarop besloten werd tot uitroeiing van de Joden, en ontbreekt dus ook een bijbehorend Führerbefehl.

Een luie dictator

In 1998 publiceerde Kershaw bij Penguin het vuistdikke Hitler 1889-1936: Hubris, twee jaar later gevolgd door het nog lijviger Hitler 1936-1945: Nemesis. Het tweedelige werk werd bijna overal uitbundig geprezen als een ‘structuralistische biografie’, waarin een synthese werd bereikt van de standpunten die in de jaren ’70 nog zo sterk tegenover elkaar stonden. Kershaw schilderde heel nauwgezet de machtsstructuren en de dynamiek van het Derde Rijk en gaf duidelijk aan welke rol Hitler hierin speelde. Uit deze biografie blijkt zonneklaar dat de door de structuralisten blootgelegde ‘cumulatieve radicalisering’ een grote rol had gespeeld, en dat Hitler vaak twijfelde en zich weinig bemoeide met het dagelijks bestuur van het Derde Rijk, maar dat hij tegelijkertijd onvervangbaar was. Hitler mocht dan een luie dictator zijn, een zwakke dictator was hij allerminst. Uiteindelijk was hij verantwoordelijk voor de wijze waarop het regime was georganiseerd, en was hij degene die de radicale en meedogenloze maatregelen van de overijverige en ambitieuze nazi-functionarissen legitimeerde en stimuleerde.

In tegenstelling tot een partijfunctionaris en bureaucraat als Stalin zag Hitler zichzelf als een soort kunstenaar, die al lummelend op ‘inspiratie’ wachtte en dan met ‘meesterhand’ een paar penseelstreken zette. Hij was niet het type politicus dat zich laat adviseren, dat eindeloos voor- en nadelen tegen elkaar afweegt en vervolgens een conclusie trekt. Hij nam razendsnel besluiten of verloor zich in urenlange monologen, of hysterische woedeaanvallen, waarin hij zichzelf ‘overtuigde’ van de juistheid van een bepaald idee. Het enige beleidsterrein waar hij zich, tot wanhoop van zijn bevelhebbers, wel intensief mee bemoeide, was de oorlogvoering.

Volgens sommige critici is Kershaws schildering van de machtsmechanismen binnen het Derde Rijk onovertroffen, maar blijft Hitler in zijn biografie toch enigszins een raadselachtige persoonlijkheid en eendimensionale guur. In werkelijkheid geeft Kershaw heel veel informatie over de persoon Hitler, zodat hij het de lezer mogelijk maakt zelf met een interpretatie te komen. Bovendien zou men ook kunnen stellen dat het de essentie is van Hitler dát we hem niet echt kunnen begrijpen. Want kunnen we bijvoorbeeld een seriemoordenaar of een kinderverkrachter werkelijk ‘begrijpen’? De eindeloos dralende, twijfelende en vervolgens ineens radicaal besluiten nemende Hitler die Kershaw heel overtuigend schildert, heeft beslist menselijke trekjes en is een voor de lezer herkenbare guur. Maar bij zijn morbide hang naar oorlog – hij was ervan overtuigd dat het Duitse volk elke vijftien jaar een oorlog moest meemaken – en zijn infernale vernietigingsfantasieën, schiet het inlevingsvermogen van verreweg de meeste mensen gelukkig tekort.

Vaak wordt verondersteld dat Hitlers ultieme doel de wereldheerschappij was, maar wie Kershaws biografie gelezen heeft, kan hem niet voorstellen als iemand die op zijn lauweren zou kunnen rusten, zou kunnen genieten van een eindoverwinning. Het is waar dat Hitler de schande van de nederlaag van 1918 wilde uitwissen, maar hij wilde dat niet zozeer bereiken door een totale overwinning, maar door strijdend ten onder te gaan. Hitler was een gecompliceerde en gestoorde guur, maar tegelijkertijd beschikte hij over een aantal specifieke talenten en eigenschappen, in eerste instantie natuurlijk zijn oratorisch charisma, die hij in andere maatschappelijke en politieke omstandigheden nooit zo had kunnen botvieren. De grote kracht van Kershaws biografie is dat hij heel duidelijk laat zien hoe de hoofdpersoon en de omstandigheden waarin die opereerde elkaar wederzijds beïnvloedden, en welke catastrofale gevolgen dat had.

Na Hitler

Onmiskenbaar is Hitler Kershaws magnum opus, maar toen deel 2 verscheen was hij pas 57, en op de top van zijn intellectuele kunnen. Sindsdien heeft hij nog vier kloeke boeken geschreven en een bundel samengesteld met zijn artikelen over de Shoah. In 2004 verscheen Making Friends with Hitler, een biografie van Charles Stewart Henry Vane-Tempest-Stewart (1878-1949), de zevende markies van Londonderry. Deze neef van Churchill was een groot bewonderaar van Hitler en bepleitte, om een nieuwe oorlog te voorkomen, een goede relatie tussen Groot-Brittannië en het Derde Rijk. Hoewel het boek een fascinerend inkijkje in de Britse elite biedt, is het na Hitler toch een beetje een teleurstelling – niet in de laatste plaats doordat Lord Londonderry een onuitstaanbaar vervelende druiloor was.

Drie jaar later kwam Kershaw met het briljante Fateful Choices: Ten Decisions that Changed the World, 1940-1941. Hierin bestudeert hij tien besluitvormingsprocessen tussen mei 1940 en de herfst van 1940, zoals onder meer de Britse beslissing door te vechten, De keuze van Japan om Zuidoost-Azië te veroveren, Mussolini’s besluit Griekenland aan te vallen en Hitlers beslissing om de Joden uit te roeien. Kershaw beschrijft niet alleen de opties die de verschillende oorlogsleiders hadden, maar analyseert tevens de factoren die ertoe leidden dat uiteindelijk steeds juist dat ene besluit werd genomen. Evenals in zijn Hitler-biografie schetst hij in heldere lijnen de interactie tussen de omstandigheden en de personen die de beslissingen namen. Hierdoor vervalt hij niet in bloedeloze what if-history, maar laat hij zien waarom het dubbeltje uiteindelijk die bepaalde kant opviel.

In 2008 ging Kershaw met emeritaat als hoogleraar moderne geschiedenis aan de universiteit van Sheffield, wat hij sinds 1989 was geweest. Dat betekende niet dat hij stopte met werken. Niet alleen verscheen dat jaar zijn bundel met essays over de Shoah, maar drie jaar later volgde de lijvige studie The End: Hitler’s Germany, 1944-1945. De vraag die hierin centraal staat, is waarom de Duitsers tot het bittere einde bleven doorvechten, en het naziregime tot het allerlaatste moment de passieve en actieve steun van de bevolking genoot. Uiteraard speelden staatsterreur, vereenzelviging met het nationaalsocialisme en angst voor de ‘rode horden’ een rol, maar aan deze gebruikelijke verklaringen voegt Kershaw nog twee elementen toe: de mentaliteit van het Duitse officierscorps, en de civiele en militaire bestuursstructuren van het Derde Rijk, die hij aanduidt met de term ‘charismatisch bewind’. Alle leidinggevende nazi’s en militairen stonden in een rechtstreekse relatie tot Hitler. Ze hadden hem trouw gezworen, niet de partij, en iedereen had zijn positie aan hem te danken, zodat andere functionarissen geen collega’s maar vooral concurrenten waren. Dit leidde tot een organisatorische jungle, waarin iedereen zijn best deed de anderen te overtroeven in fanatisme en de onderlinge strijd ervoor zorgde dat het heel moeilijk was zich collectief tegen Hitler te keren. Hierdoor bleef het charismatisch bewind intact, ook toen door de nederlagen het charisma van Hitler grotendeels verdwenen was.

After Hitler?

Toen ik Kershaw eind 2015 opnieuw interviewde, vertelde hij me dat de titel van zijn boek over het laatste oorlogsjaar een dubbele betekenis had: wat hem betreft was dit ook het einde van zijn bemoeienis met het Derde Rijk. Hij is van mening dat hij over dit onderwerp alles heeft gezegd wat hij te zeggen heeft, en dat ons beeld van het Derde Rijk wel min of meer ‘afgerond’ is. Uiteraard zullen er altijd weer nieuwe details boven water komen, maar een fundamentele wijziging van het beeld verwacht hij niet meer.

Toch kon hij dit ‘hoofdstuk’ nog niet helemaal afsluiten, aangezien zijn uitgever hem al in de jaren ’90 had gevraagd om voor de achtdelige Penguin History of Europe de twintigste eeuw voor zijn rekening te nemen. Bij een grondig historicus als Kershaw was niet te verwachten dat dit bij één band zou blijven, zodat in 2015 slechts het eerste van twee delen verscheen: To Hell and Back: Europe, 1914-1949 – vanzelfsprekend met Duitsland en het nationaalsocialisme in de hoofdrol. Op basis van een overdonderende hoeveelheid literatuur, schildert Kershaw hoe vier verschillende, onafhankelijke ontwikkelingen samen naar het cataclysme leidden.

In de eerste plaats nam het reeds oudere nationalisme steeds onverzoenlijkere, vaak racistische trekken aan. Ten tweede gaven de grenzen die na 1918 waren getrokken voortdurend aanleiding tot territoriale conflicten. Ten derde was er in veel landen sprake van heftige strijd tussen de maatschappelijke klassen. En tot slot leek het kapitalisme definitief in een crisis te zijn beland. Kershaw beschrijft hoe de ontwikkelingen overal in Europa zichtbaar waren, maar komt tot de conclusie dat ze zich in hun meest extreme vorm voordeden in Duitsland, dat ondanks de nederlaag in 1918 nog altijd groot en machtig genoeg was om de vrede in gevaar te brengen. Deze factoren, met als katalysator de wil van één man, leidden ertoe dat Europa zichzelf bijna vernietigde.

Het tweede deel, dat in 2018 moet verschijnen, ziet Kershaw als zijn grootste uitdaging, aangezien hij zich in zijn lange loopbaan nog nauwelijks met de naoorlogse geschiedenis heeft beziggehouden. Of het hem zal lukken een overtuigend beeld van het naoorlogse Europa te schilderen, weten we natuurlijk niet. Maar gezien zijn vermogen om inzicht te verschaffen in de relatie tussen enerzijds structuren, machtsverhoudingen en collectieve processen, en anderzijds de ambities en ideeën van personen, is dit wat mij betreft een sluitstuk dat we met vertrouwen tegemoet kunnen zien.

1. Nicolaas Berg beweerde in Der Holocaust und die westdeutschen Historiker (Göttingen 2003) dat onder anderen Broszat en Mommsen, die hun jeugd in het Derde Rijk hadden doorgebracht, erop uit waren om de historische schuld van veel Duitsers te verdoezelen. Voor een overtuigende verdediging van deze structuralisten, zie Kershaws recensie van dit boek: www. hsozkult.de/debate/id/diskussionen-418.

2. Tim Mason, ‘Intention and Explanation: A Current Controversy about the Interpretation of National-Socialism’, in G. Hirschfeld & L. Kettenacker (red.), Der ‘Führerstaat’: Mythos und Realität. Studien zur Struktur und Politik des Dritten Reiches (Stuttgart 1981) 23-43.

3. In 1997 redigeerde Kershaw samen met Moshe Lewin de bundel Stalinism and Nazism: Dictatorships in Comparison (Cambridge University Press 1997).