Een glanzende mislukking. Mailer, de sixties en de strijd om de ziel van Amerika

Norman Mailer was zonder twijfel een van de meest productieve en invloedrijke Amerikaanse schrijvers van de jaren ’50, ’60 en ’70. Van die reputatie lijkt weinig meer over. Hoewel, in de gerenommeerde Library of America-serie verschenen dit jaar bij het vijftigjarig jubileum van 1968 juist van Mailer twee kloeke bundelingen: zijn essays en romans van de jaren zestig. De Groene-redacteur Joost de Vries duikt erin en speurt naar de reden van zijn impact én de kiem van zijn ondergang. Wat blijkt? Ze komen uit dezelfde bron: zijn reactionistisme.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#4

In het tweede seizoen van Mad Men pitcht een van de copywriters een idee dat hij zelf alvast geweldig vindt. Het is juni 1962, Kennedy is president, Marilyn Monroe leeft nog, de Cuba Crisis is maanden ver weg, Jackie Kennedy heeft zojuist een miljoenenpubliek op tv een rondleiding door het Witte Huis gegeven en het team van Don Draper, het ongrijpbare creatieve genie van het reclamebureau SterlingCooper, moet een commercial bedenken voor een nieuwe beha.

De copywriter doet Dons kantoordeur open en wijst naar de vrouwen op de werkvloer. Elke vrouw heeft een fantasie, zegt hij, en die fantasie speelt zich hier af, in het Amerika van vandaag. ‘Jackie Kennedy of Marilyn Monroe; elke vrouw is een van de twee.’

Vanuit de deuropening kunnen ze de vrouwen zo aanwijzen. Je ziet het in een oogopslag: blond of donker, slank of voluptueus. Jackie, Marilyn, Jackie, Marilyn.

De set-up van de scène is vernuftig, de punchline hangt in de lucht. Want onder de copywriters zit Peggy Olson, de zondagsschoolachtige, verbeten ambitieuze, nuffige copywriter die in de mannenwereld probeert mee te komen. Misschien is Peggy nog wel meer dan Don de echte held van de serie, of in ieder geval het moderne morele geweten tegenover zoveel achteloos atavistisch seksisme. ‘Ik weet niet of elke vrouw een Jackie of een Marilyn is,’ zegt ze puntig. ‘Misschien dat mannen ze zo zien.’

‘Maar beha’s zijn voor mannen,’ stelt de pitchende copywriter. ‘Vrouwen willen zich zien zoals mannen ze zien.’

Je bent een Jackie of een Marilyn, wordt hij door een collega bijgevallen. ‘You’re either a line or a curve.’

‘O ja?’ zegt Peggy, die duidelijk geen van beide is: ‘Wie ben ik dan?’

‘Gertrude Stein.

Voorzet, en inkoppen.

Jackie & Marilyn

Natuurlijk schreef Norman Mailer over Jackie Kennedy en Marilyn Monroe, want in de jaren zestig schreef Mailer over zo’n beetje alles wat de verbeelding van het Amerikaanse publiek wist te grijpen: Vietnam, de Burgerrechtenbeweging, massacultuur, tegencultuur, de zelfmoord van Hemingway, de aanslagen op de Kennedy’s, de wanhoop van Johnson, het cynisme van Nixon. Zijn essays zijn onlangs bij elkaar gevoegd in een chique uitgave van de Library of America, als Collected Essays of the 1960s.

Als je alleen al achteloos door het boek heen bladert, springt het stuk over Monroe er meteen uit, al was het maar door de bladspiegel. Mailers essays waren vaak betogen geschreven alsof hij met 180 km per uur over de Deutsche Bahn reed in een rammelende wagen; litanieën van argumenten, grote woorden, metafoor op metafoor, alsof hij de lezer met zijn stijl wilde meetrekken in zijn wilde manier van denken. Maar ‘The Big Bite’ (voorjaar 1963) is los, eclectisch en kalm. Het stuk bestaat uit losse alinea’s gevolgd door een witregel; de alinea die erop volgt sluit niet noodzakelijkerwijs aan bij de vorige. Hij heeft het over Kennedy, Eisenhower, de Koude Oorlog, de media, maar vooral over de recente twee doden die hem het meest aan het hart gaan: Ernest Hemingway en Marilyn Monroe.

Hemingway maakt hij in zijn dood nog groter. Ik vraag me af, schrijft Mailer, of we Hemingways dood niet als een niet-zelfmoord moeten zien. Hij heeft zichzelf weliswaar het leven benomen, maar moeten we dat niet eerder zien als een verkenning waar hij niet van terugkwam?

Tien jaar later zou Mailer een mythologiserende biografie over Marilyn schrijven (‘She was our angel, the sweet angel of sex, and the sugar of sex came up from her like a resonance of sound in the clearest grain of a violin.’), maar hier, zo kort na haar dood door een overdosis slaapmiddelen, is Mailers eerste instinct haar kleiner te maken. Hoewel hij nooit veel ophad met haar tweede echtgenoot Joe DiMaggio, schrijft hij, is hij blij dat DiMaggio haar een kleine, bescheiden uitvaart heeft gegeven. Het stelde hem in staat zich haar voor te stellen zonder alle beroemdheid:

If she had never been a movie star, if she had been one of those small attractive blondes who floats like spray over the Hollywood rocks, a little drink here, bit of a call girl there, bing, bam, bad marriage, nice pot, easy head, girl friend, headshrinker, fuzz, dope, miscarriage and lowering night, if she had been no more than that, just a misty little blonde who hurt no one too much and went down inch by inch, inevitably, like a cocker spaniel in a quickbog, well then she would have ended in some small Hollywood parlor with fifteen friends invited.

In het essay dat Mailer over Jackie schreef, ‘An Evening with Jackie Kennedy’ (juli 1962), maakt hij haar juist groter, of in ieder geval mysterieuzer. Over haar televisietour door het Witte Huis zegt hij dat ze de aanwezigheid van de camera leek te ervaren als een aantasting van haar vlees; een vrouw die van het flitsen van fototoestellen een tic in haar oog zou oplopen waar ze nooit meer van afkwam. Maar dat was de tweede indruk, de eerste indruk was persoonlijker, toen hij haar op het Kennedy-landgoed op Hyannis Port ontmoette om haar man tijdens diens presidentscampagne te interviewen voor Esquire. Ze bood hem een ijsthee aan, maar de uitdrukking op zijn gezicht moest iets hebben verraden: ‘We hebben natuurlijk ook wel iets sterkers,’ glimlachte ze.

Mailer was altijd in voor iets sterkers, dus zat hij daar, ‘zwetend als een geit’, in een warm wollen pak, terwijl ze beleefd smalltalk uitwisselden. Maar hij zag een abstractie in haar, een ingehouden gevoel voor humor die om een soort afstandelijkheid draaide: het gevoel van humor van een ‘soldaat die al twee weken aan het front is’, en moet lachen als hij hoort dat een andere soldaat overhoop is geschoten omdat hij even uit de dekking opstond om ‘zijn sokken te veranderen van kaki naar groen’.

Na afloop van zijn bezoek vroeg een oude vriendin aan Mailer hoe hij mevrouw Kennedy had gevonden. Was ze gelukkig?, vroeg ze.

Ik denk dat ze liever haar leven zou doorbrengen aan de Rivièra, zei Mailer.

‘Wat zou ze daar doen?’

‘Ze zou eindigen als de mysterieuze vrouw in een fijne moordzaak.’

‘Wow’, said the lady, giving me my reward. / It had been my way of saying I liked Jackie Kennedy, that she was not at all stuffy, that she had perhaps a touch of that artful madness which suggests future drama.’

Roerganger Kennedy

1960. Een presidentiële verkiezing die met een of twee stemmen per kiesdistrict werd gewonnen – of verloren – biedt ruimte voor vele mogelijke theorieën over wat de doorslaggevende factor zou kunnen zijn geweest. Nixon zou zijn kansen hebben verpest door geen make-up te dragen bij het eerste televisiedebat ooit, John F. Kennedy’s steenrijke vader zou de ver]iezingen hebben gekocht, Lyndon B. Johnsons steun in Texas zou doorslaggevend zijn geweest, J. Edgar Hoovers nalatigheid te onderzoeken wat Kennedy’s connectie met de maffia was gaf de doorslag, de uitgesproken steun voor Nixon van het toch burgerlijke Time Magazine zorgde ervoor dat alle jonge mensen op Kennedy stemden, niet-stemmende anti-burgerrechtendemonstranten in het Zuiden benadeelden de Republikeinen, het weer op de verkiezingsdag zou de opkomst hebben beïnvloed, net als het stroeve openbaar vervoer in grote steden. Elk kwartje dat op de andere kant zou zijn gevallen zou de uitslag in het voordeel van Nixon hebben veranderd.

Norman Mailer had zijn eigen theorie, namelijk dat zijn essay over Kennedy’s campagne, ‘Superman Comes to the Supermarket’, bepalend was geweest. Het had vlak voor de verkiezingen in Esquire gestaan en was door minstens een miljoen mensen gelezen. Nu waren niet al die mensen direct voor Kennedy gaan stemmen, schreef Mailer in zijn stuk over Jackie, maar die mensen praatten met mensen, het zorgde voor een bepaalde buzz, een bepaalde sfeer. Hij had mensen het gevoel gegeven dat zich in het hart van de verkiezingen een mythologie afspeelde, dat er een dramatische spanningsboog in de ziel van Amerika zat en dat Kennedy de arthuriaanse held moest zijn, hij zou het zwaard uit de steen trekken – en zo had hij mensen geïnspireerd, democraten die het niet meer zagen zitten zouden zich toch voor Kennedy zijn gaan inspannen et cetera, de rest was geschiedenis.
Aldus Mailer zelf.

Het cliché is dat arrogantie hand in hand de kamer binnenkomt met onzekerheid, en in die zin is Mailer geen uitzondering. Zijn in 1948 verschenen debuut, The Naked and the Dead, had het als eerste grote roman over de Tweede Wereldoorlog tweeënzestig weken volgehouden op de bestsellerslijst van The New York Times. Maar zijn volgende roman, Barbary Shore (1951) over Amerikaans anticommunisme, was een flop, afgefakkeld door critici. Het boek daarna, The Deer Park (1955) over de mondaine wereld van Hollywood, werd wegens obsceniteiten door zijn aanvankelijke uitgever geweigerd, vervolgens door een andere gepubliceerd en door critici geprezen én afgekraakt. Zijn eerste huwelijk was mislukt, zijn tweede was turbulent, hij dronk te veel, hij was obsessief competitief met andere schrijvers van zijn generatie, kortom: toen Mailer in de zomer van 1960 aan ‘Superman Comes to the Supermarket’ werkte en de kans kreeg presidentskandidaat Kennedy te interviewen, stapte hij daar niet als een brok onversaagd zelfvertrouwen op af.

En Kennedy wist dat. Mailers biograaf J. Michael Lennon schrijft dat hij door zijn persmensen gebrieft was over de jonge schrijver – zevenendertig jaar oud – die hem kwam interviewen. Allereerst omdat ze enige twijfels hadden en hem niet beschouwden als ‘Mr. Stability’, daarnaast omdat ze een kans roken hem te beïnvloeden. Als je wilt dat hij uit je hand eet, had perschef Pierre Salinger gezegd, noem dan The Deer Park. ‘But string it out a little. The timing has to be just right.’

En dus nam Kennedy – knap, slank, aristocratisch – plaats tegenover Mailer – hoekig, Joods, middenklasse – en een van de eerste dingen die hij tegen hem zei was: ‘Ik heb je boek gelezen…’ In de talloze gevallen dat iemand die zin tegen hem uitsprak, schrijft Lennon, was het boek dat vervolgens genoemd werd The Naked and the Dead, maar Kennedy ging verder: ‘The Deer Park… en de andere.’

Mailer zou later schrijven dat Kennedy misschien door zijn perschef was geïnstrueerd, maar hij dacht het niet. Pierre Salinger was bij het interview afwezig en zei na afloop: ‘Norman smolt waar je bijzat.’

Op Amerika’s gewelddadige onderstroom

Collected Essays of the 1960s begint met ‘Superman Comes to the Supermarket’ (dat essay, moet erbij gezegd worden, is nooit uit druk geweest; onlangs verscheen het nog als fraai fotoboek bij Taschen, vol nostalgische Kennedyfoto’s). Het klopt dat Mailer de verkiezingsstrijd opblies tot mythologische proporties. Het stuk is zo’n 14.000 woorden; eerst beschrijft Mailer hoe de Democratische Partij een kolossaal hotel in Los Angeles overneemt voor zijn congres. Elk bekend gezicht krijgt zijn eigen oneliner. De voorzitter van de partij (‘Jim Farley. Huge. Cold as a bishop. The hell he would consign you to was cold as ice.’), de voormalig first lady Eleanor Roosevelt (‘fine, precise, hand-worked like ivory’), voormalig presidentskandidaat Adlai Stevenson (‘he had the sweet happiness of an adolescent who has just been given his first major kiss’), en de broer van de huidige presidentskandidaat, Bobby Kennedy. Bobby was het type, schrijft Mailer, dat geen handschoenen aantrekt als je een vriendschappelijk potje met hem bokst, ‘because after two minutes it would be a war, and ego-bastards last long in a war’.

En dan komt Kennedy zelf, ‘the edge of the mystery’. Om hem te beschrijven moet hij een stap terug doen, schrijft Mailer, en komt dan met een mystieke lezing van de aard van de VS, waar een alinea uitspringt:

Since the First World War Americans have been leading a double life, and our history has moved on two rivers, one visible, the other underground; there has been the history of politics which is concrete, factual, practical and unbelievably dull if not for the consequences of the actions of some of these men; and there is a subterranean river of untapped, ferocious, lonely and romantic desires, that concentration of ecstasy and violence which is the dream life of the nation.

Die twee rivieren waren te ver uit elkaar gedreven en er was niets wat ze bij elkaar kon brengen, geen gedeeld gevaar, geen zaak om voor te vechten, geen verlangen, en het belangrijkst: geen held. Maar Kennedy kon die held zijn, volgens Mailer. Hij heeft de afstandelijkheid van een gladde politieke operator, hij kan moeiteloos duizenden handjes per dag schudden, is immuun voor applaus, heeft het talent op vragen te reageren met antwoorden die niets echt beantwoorden, maar toch geen ruimte geven voor een vervolgvraag. Maar tegelijk ziet hij eruit als een filmster, is hij getrouwd met een beeldschone vrouw, is een oorlogsheld, zijn definiërende eigenschap is ‘the remote and private air of a man who has traversed some lonely terrain of experience, of loss and gain, of nearness to death, which leaves him isolated from the mass of others’. In Kennedy komen de twee rivieren samen, stelt Mailer.

In veel van de andere essays in de bundel lijkt Mailer bezig mensen van de ene rivier naar de andere te hevelen. Jackie Kennedy was ‘nice and clean and very merry’, maar in Mailers fantasie hoorde ze thuis in een moordmysterie. Wanneer hij over Marilyn Monroe schrijft kan hij haar beroemdheid wegdenken, maar niet haar seks en dood. Zelfs in zijn fantasie is Marilyn een callgirl, een dronken meisje op een feestje dat er niet te moeilijk over doet – ‘easy head’ – en niet tegen het leven is opgewassen.

De rivierenmetafoor komt niet letterlijk terug in het essay dat Mailer vier jaar later schreef over het Republikeins presidentscongres van 1964, ‘In the Red Light’, maar de gedachte schuilt onder alle observaties. Kennedy had tijdens de Cuba Crisis ‘het grootste potje poker ooit’ gespeeld en had gewonnen, maar nu was ‘our national love […] a corpse in Arlington’. Alle belangrijke kunst draaide om seks, gekte en vernietiging, iedereen was angstig en paranoïde en tegelijk regeerde Lyndon B. Johnson met kalme maar gedecideerde hand. Johnson was de ‘newest helmsman of restraint’, en omdat hij voor rust stond na Kennedy’s dood volgden alle radicale en gematigde republikeinen, zwarten en zuidelijke liberalen, universiteitsprofessoren en de Cosa Nostra, de café-intellectuelen en de Beatniks-for-Johnson hem zonder enig protest over een ‘liberal superhighway’ op weg naar nietsigheid.

En daar kwam Mailers interesse voor de Republikeinse kandidaat vandaan, de aartsconservatieve aartschristelijke libertarische, anti-burgerrechten, anti-minderheden, anti-vrouwenrechten senator Barry Goldwater. Want Johnson zou alle maatschappelijke spanningen met de mantel der liefde bedekken en zo de Amerikaanse ziel ‘van binnenuit corrumperen’ met compromissen en niet-waar-te-maken beloftes. Onder Goldwater zou de boel daarentegen ontploffen, zou de politiek alle controle over het volk verliezen, zou er een nucleaire oorlog uitbreken, zou de zwarte man een gewelddadige revolutie ontketenen. Die tweede rivier zou buiten zijn oevers treden en zichtbaar maken wat zoveel Amerikanen niet wilden zien: dat de ziel van de VS een diepdonkere kant had.

Inmiddels zijn dat conclusies waaraan we gewend zijn geraakt – nu, als lezer, weet je dat Vietnam eraan zit te komen, de moorden op de Kennedy’s, op Malcolm X en Martin Luther King, op de inwoners van My Lai en de studenten van Kent State. Het voelt als een cliché die namen alleen al achter elkaar te zetten in een zin, maar Mailer keek vooruit, niet achteruit. En belangrijker: hij zag al die gebeurtenissen niet als de motor achter de turbulentie van de tijd, hij zag ze als slechts de aanjager. De kapitalistische, consumentistische burgermaatschappij zoals die zich na de oorlog had ontwikkeld onderdrukte de hang naar seks en geweld en mystiek in de mens; de rellen in de jaren zestig waren niet politiek, maar existentieel.

Met terugwerkende kracht geeft dat een extra lezing aan de school van de ‘New Journalism’ waartoe Mailer behoorde. De Amerikaanse kwaliteitsjournalistiek van nu buigt zich over feiten, over zorgvuldig uitgeplozen reportages, hoor-wederhoor: de fact-check-department van The New Yorker geldt als de heilige graal van de journalistiek. Daar valt veel voor te zeggen; in tijden van ‘fake news’ moeten redacties meer dan ooit onberispelijk zijn. Maar wat er in de VS in het publieke debat op het spel staat is niet iets wat draait om feiten, of verschillende lezingen van feiten; het draait niet eens om iets wat je politiek kunt noemen, dat wil zeggen over botsende ideeën waarop de maatschappij moet worden gebouwd. Het lijkt veel eerder een existentiële crisis, of een existentiële egotrip, waarbij de mens weigert te buigen voor een veranderende demografie, een veranderend klimaat, een veranderende wereldorde. Het publieke debat in Amerika – hier vandaan gezien – doet vaak genoeg denken aan een man die een brandende lucifer onder zijn hand houdt en probeert te kijken hoelang het duurt voordat hij het uitschreeuwt. Om de maatschappelijke psychose in kaart te brengen heb je misschien geen onderzoeksjournalisten nodig, maar schrijvers die zelf weten wat het is om door te draaien, om dat verhaal met de middelen en de vrijheid van een romanschrijver op te schrijven. Kortom, je hebt meer Mailers nodig.

Te ver stroomafwaarts

Toch keek Mailer niet alleen vooruit, moet je zeggen, als je naast de Library of America-uitgave Mailers biografie leest. Hij keek vooral naar binnen: de essays zijn ook het werk van een man die zelf in existentiële crisis verkeert. Tijdens de jaren zestig versleet Mailer meerdere huwelijken, hij werd herhaaldelijk gearresteerd (een keer omdat hij ‘taxi, taxi!’ riep naar een voorbijrijdende politiewagen), sloeg zijn vrouwen, sloeg zijn zus, dronk te veel, gebruikte onbepaalde hoeveelheden drugs, stuurde de keurige mevrouw Kennedy een licht obscene brief, zocht met iedereen ruzie en leek er eer in te scheppen die ruzies te verliezen.

In tijden van #MeToo gaan er in de VS nu stemmen op om in boekcontracten ‘moraliteitsclausules’ op te nemen, die stellen dat als de auteur zich onjuist gedraagt naar vrouwen of minderheden toe, of anderszins onbetamelijke dingen doet of heeft verzwegen, de uitgeverij het contract ongeldig mag verklaren. In november 1960 stak Mailer zijn tweede vrouw Adele neer in een dronken ruzie na afloop van een boekpresentatie, in het bijzijn van tientallen anderen. Adele overleefde ternauwernood, diende geen aanklacht in, Mailer ging twee weken naar een psychiatrische inrichting en toen hij weer vrij was, schreef de literaire gemeente een open brief om te zeggen dat ze hem steunden. Voor de roman die duidelijk geïnspireerd was op de aanslag op zijn vrouw, An American Dream,kreeg hij een exorbitant voorschot.

(Een van zijn dochters zou later verklaren dat telkens als ze vertelde dat Mailer haar vader was, mensen onherroepelijk vroegen ‘Van die vrouw die werd neergestoken…?’)

Kortom, die tweede rivier trad vooral bij hemzelf buiten de oevers, waardoor de vraag legitiem wordt of Mailer nu iets ontdekte in de jaren zestig, of simpelweg zichzelf aan de tijd spiegelde. Als je Mailers werk met die vraag in het achterhoofd leest, worden de jaren zestig ineens één groot zelfportret.

Veel critici wezen al eens op zijn reportage Homage to El Loco uit 1967, over een Mexicaanse stierenvechter die ofwel de beste ofwel de slechtste van zijn generatie was, afhankelijk van op welke dag je hem meemaakte: op slechte dagen was El Loco de onhandigste, belachelijkste stierenvechter die je ooit had gezien, schrijft Mailer, maar op goede dagen ‘tartte hij het begrip van de meest ervaren critici van het stierengevecht’. Die twee extremen maakten El Loco oprecht: hij had niet het vermogen waarover de meeste stierenvechters, evenals de meeste kunstenaars, beschikken, om hun kunst te vervalsen, ‘to be tasty yet phony’.

Dat is een fraaie beschrijving van een poëtica – al kun je je bij Mailer afvragen of hij niet de denkfout maakte dat zolang je maar niet tasty was, je automatisch ook niet phony zou zijn. Dat zou de groteske onderwerpen verklaren, de recalcitrantie tegen heersende meningen, zijn anti-feminisme, zijn gaybashing, zijn absurde principes, de tientallen pagina’s gewijd aan anale seksscènes, zijn mystieke weerzin tegen condooms tijdens de aidsepidemie (‘What condoms are saying is, “Never die for love or anything remotely resembling it”’).

Een schijn van verzet?

Meer zelfportretten kom je tegen in het tweede deel dat tegelijk bij de Library of America is verschenen, Four Books of the 1960s – behalve An American Dream ook de novelle Why Are We in Vietnam? en de reportages The Armies of the Night en Miami and the Siege of Chicago.

De held van An American Dream is een psychopaat die in talloze opzichten op Mailer lijkt, als Mailer praat, als Mailer denkt, met een vrouw getrouwd is die op die van Mailer leek (zijn derde vrouw, van de uiteindelijke zes). In het eerste hoofdstuk wurgt hij haar, als ze hem tart met haar overspel. Hij gooit haar lichaam uit hun flat, vergrijpt zich aan hun Duitse huishoudster, trekt zich niets van haar ‘Nee’ aan wanneer hij haar op haar buik duwt (‘Not there! Verboten!’), liegt tegen de politie, geeft zich over aan drie dagen drank en drugs, krijgt het aan de stok met de maffia en wordt uiteindelijk niet vervolgd voor de moord. Zijn vrouw bleek een spionne, zijn huishoudster een geheim agente. Als hij zijn schoonvader bezoekt in diens penthouse, besluit hij over de reling van het balkon te lopen. Het is een nodeloos gevaarlijke daad, maar een buitengewoon mailereske; Mailer verkondigde al – zoals de held doet – dat als je je angsten niet opzoekt, je kanker krijgt.

Het meest expliciete zelfportret is dat in The Armies of the Night, een Pulitzerprijs-winnende New Journalism-reportage – geschreven in de derde persoon enkelvoud – over de mars van 70.000 anti-oorlogsdemonstranten naar het Pentagon in Washington D.C. in 1967. Het is ook het meest kritisch reflectieve zelfportret. Bij het ministerie van Defensie wordt Mailer, zoals zoveel demonstranten, opgepakt en door de M.E. geboeid en in een busje gestopt. Tegenover hem zit een neonazi, ook geboeid, die kwam protesteren tegen het protest. De twee spotten elkaar direct, voelen hun vijandschap instinctief: ‘Dirty Jew.’

‘Kraut pig.’

Ze dagen elkaar uit wetende dat ze elkaar toch niet te lijf kunnen gaan in het arrestatiebusje. Ik maak je af, roept de nazi: kom dan!, roept Mailer:

They were both absolutely right. They had a perfect sense of the other. Mailer was certainly not brave enough to advance on the Nazi – it would be like springing an avalanche on himself. But he also knew that if the Nazi jumped him, one blond youth was very likely to get massacred. In retrospect, it would appear not uncomic – two philosophical monomaniacs with the same flaw – they could not help it, they were counterpunchers. / ‘Jew coward! Red bastard!’ / ‘Go fuck yourself, Nazi baby.’

Misschien gaat het te ver hier meteen een psychologische beginselverklaring in te lezen, maar het lijkt veel te zeggen over hoe Mailer in de wereld stond: als reactionair. Hoewel hij cultuurfilosofisch, marxistisch en jungiaans aardig van wal kon steken, was zijn houding als schrijver naar de wereld toe er een die werd bepaald door de wereld, niet door hemzelf. Zijn stellingname was er altijd een die anti iets anders was,gedreven door de behoefte ergens buiten te staan, en niet ‘tasty’ te zijn. Hij was geen non-conformist, maar een anti-conformist, dat wil zeggen: hij lette heel goed op wat de norm was, om vervolgens een andere norm te verkondigen. Dat is iets anders dan autonoom.

De ironie is dat als je de bundel van de Library of America leest, je Mailer ziet opschuiven, steeds iets minder opgezweept door het vertoon van anderen. Al in de bundel staan goedbetaalde opdrachten die hij voor prestigieuze tijdschriften schreef: hij begon de jaren zestig als onzekere, megalomane, ambitieuze dertiger, hij sloot ze af als gevestigde veertiger in het literaire bestel. Dat betekent niet dat hij in de jaren zeventig en tot aan zijn dood in 2007 kalm en coulant naar de wereld keek: hij bleef spraakmakend, maar vanuit een ander soort energie. In The Armies of the Night loopt Mailer met prominente intellectuelen voorop in de demonstratie richting het Pentagon en voelt hij de energie van de protesterende jongeren achter zijn rug. Maar hij twijfelt aan zijn eigen energie, hij voelt iets wat lijkt op sleetsheid: daar gaan we weer, weer tegen de powers that be demonstreren, weer tegen de klippen op.

Het gaat te ver om te zeggen dat Mailer – toen vierenveertig jaar – inmiddels older and wiser was, maar als hij bij het Pentagon aankomt, ziet hij dat de agenten niet weten wat ze met hem aan moeten: hij droeg een krijtstreeppak, een vest, een scheiding in zijn witte haar, ‘he must have looked like a banker himself – a banker gone ape!

Zo is dat precies hoe het gaat als je je carrière bouwt en bouwt op basis van verzet: uiteindelijk ben jij de gevestigde kracht waartegen jongere nieuwkomers zich zullen verzetten.