La condition belge
🖋 Esther Wils


In het hart van Brussel, om de hoek bij het Horta-museum, ligt veilinghuis The Romantic Agony, geleid door Trees Stubbe en opgericht op initiatief van haar echtgenoot, de vooraanstaande journalist Rik Van Cauwelaert, die onder meer lange tijd verbonden was aan het weekblad Knack. Na een kort bezoek op kantoor, waar schitterende oude uitgaven opgesteld zijn en men druk bezig is met het voorbereiden van de aanstaande veiling, staat het echtpaar me te woord over hun bijzondere boekenbedrijf, waar ‘modern’ begint bij de Franse Revolutie.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Esther Wils: Wie heeft jullie mooie naam bedacht?
Rik Van Cauwelaert: Die komt van mij, het is de vertaling van een boektitel van de Italiaanse literatuurcriticus Mario Praz, La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica uit 1930. Ik ben een heel grote bewonderaar; we zijn naar zijn huis in Rome geweest, een fraai palazzo. Praz was ook een geweldige bibliograaf, hij heeft geschreven over emblemata en de rol van de jezuïeten daarbij. Een typisch Italiaanse omgevallen boekenkast, net als Eco, of Magris, of Roberto Calazzo – ken je hem? Die heeft over mythen geschreven, was ook een klant van ons, een schitterende man.

Dat boek is beroemd geworden onder zijn Engelse titel, van Angus Davidson. Velen dachten dat het iets scabreus was, toen hebben we maar een exemplaar van het boek neergezet bij de veiling.

Uw eigen belangstelling voor antiquarische boeken kwam dus via de inhoud?
Rik: Je valt op een naam, je gaat die ontdekken. Mijn favoriet is de Prince de Ligne – die zit overigens niet in Privé-domein, een schande dat De Arbeiderspers hem niet heeft uitgegeven! En dan leer je de figuren daaromheen kennen: Casanova, Rousseau, de gebroeders Goncourt… Je leert van andere collectioneurs welke uitgaven je moet hebben, wat de beste edities zijn.

Mijn grootoom Gust Van Cauwelaert was redacteur bij Dietsche Warande & Belfort en een groot literatuurliefhebber; die liefde is ook bij mij aangeslagen. En mijn vader was journalist, die had een vrij grote werkbibliotheek – hij was geen bibliofiel. Zo kom je daarmee in contact. Je sukkelt erin, er was geen vooropgezet plan.

Hoe verhoudt zich het journalistieke werk, waarbij men zich snel moet oriënteren, tot de boekenliefde en het diepgravende onderzoek?
Rik: Mijn werk speelt zich niet af in het boekenvak, ik ben politiek commentator.

Maar oriënteert u zich niet via boeken?
Rik: Toch wel, toch wel, ik lees graag jullie Marc Chavannes, en Van Westerloo, die pas overleden is, maar je leert snel de werkjes uit de snelkeuken onderscheiden van de echte studies. De diepte van de geschiedenis is een kwestie van geduld, je moet die dingen opsporen, de kanalen leren kennen, de boekhandelaren die gespecialiseerd zijn. De dure jongens bieden die garantie: dit is wat je allang zocht.

Hoe is het begonnen met The Romantic Agony?
Trees Stubbe: Het begon in 1994; we hadden nog geen veilinghuis, maar wel een en-chambre antiquariaat waarvoor we kleine cataloogjes maakten, en toen was er een bibliotheek die geveild moest worden. We werden gevraagd door een oud-handelaar.

Hoe leer je het vak van antiquaar? Er bestaat toch geen school voor uw werk?
Trees: Nee, je leert het door te verzamelen. Je moet de feeling en het virus hebben. Ik had die niet, Rik had die. Ik doe het dagelijkse bestuur, mijn vennoot Johan Devroe levert de inhoudelijke expertise.

Handelaars luisteren naar hun klanten; je leert van de oude verzamelaars die alles al doorlopen hebben. Die kunnen je vertellen wat de belangrijkste versie van een boek is, en waar je op moet letten.
Rik: Herkomst speelt ook mee, pedigree noemen ze dat. Een getijdenboek bijvoorbeeld kan door twee of drie grote collecties gepasseerd zijn. Dat zie je aan ex libris of de opdracht die erin staat, en je kunt de catalogi erop nalopen.

Ook de schoonheid waarmee een boek gemaakt is telt natuurlijk. Je hebt liefhebbers van de typografie Van Krimpen, Stols en Charles Nippels. Trees: Onze catalogi zijn zeer goed, wetenschappelijk, maar toch commercieel interessant voor de verzamelaars, en zeer gedetailleerd. Mensen baseren zich daarop, er zijn steeds minder bezoekers. Ze bellen gewoon, of vragen om digitale foto’s. Elk kavel is geïllustreerd, en soms willen ze dan ook nog een specifiek detail zien. Wij vermelden het als er ergens een scheurtje in zit, daar vraagt men weleens een foto van.
Rik: In de eerste editie van The Picture of Dorian Gray staat een drukfout, dat is bekend. Dan willen ze daar een foto van zien.

Maar één drukfout?!
Rik: Op pagina 208: daar ontbreekt de ‘a’ in ‘and’. Daaraan herkennen de verzamelaars het origineel.

Er worden nu veel meer fouten gemaakt!
Rik: Tja, er is weinig eindredactie meer, daar wordt op bespaard. Ik ken auteurs die hun eigen tekstredacteur inhuren, of ze corrigeren het manuscript zelf, met gevolgen.

Soms krijg je bij het veilinghuis drukproeven in handen, dan zie je pas hoe secuur er in de negentiende eeuw nagelezen werd.

Hoe zijn bij The Romantic Agony de rollen verdeeld?
Trees: We hebben verschillende catalogisten. Iedereen is heel flexibel, maar men heeft wel zijn specialismen: de een doet Franstalig van de achttiende en negentiende eeuw, de ander doet topografie en atlassen. We hebben een externe medewerker voor oude manuscripten – Johan heeft ook veel kennis van die oude uitgaven, maar vraagt soms voor de zekerheid wetenschappers om mee te kijken. Die hebben onderzoeksmiddelen waarover wij niet beschikken.

Rik: We hadden bijvoorbeeld een oud manuscript op folioformaat dat beschadigd was, het perkament was losgeraakt. Er bleek ter versteviging van de kaft een vel uit De roman van de roos in te zitten, in Brabants dialect. Die wetenschapper kon de tekst elektronisch door de zoekmachine halen, en zo werd duidelijk: het was een totaal onbekende versie.

Wie zijn de verzamelaars die u over de vloer krijgt?
Trees: Er zijn weinig vrouwen bij de topverzamelaars, het zijn meestal oudere heren. Verzamelen is duur; jongeren hebben andere prioriteiten en je moet ook tijd hebben om kennis op te bouwen. Twintigers onder de bezoekers zijn uitzonderlijk, tenzij ze meekomen met hun ouders, dat zie je wel gebeuren.

Toch is iedereen die we tegenkomen op zijn zestiende begonnen met iets verzamelen, postzegels, sigarenbandjes of strips, en dan stillekes aan geëvolueerd tot een serieuze verzamelaar. Ze beginnen met tweedehands uitgaven, en als ze dan een bepaalde limiet hebben overschreden, zijn ze vertrokken voor de echte bibliofilie.

Er zijn ook mensen die kopen, kopen, kopen, veel meer dan ze kunnen lezen, en overal boeken opstapelen. Er zijn er zelfs die een tweede en derde huis huren om hun boeken op te slaan, dat is echte bibliomanie, hè?
Rik: En gelukkig bestaan die! Ik heb er een gekend, meneer Barjon, leraar, reed in een Citroën DS die hij vollaadde; zo reed hij naar huis, met de achterkant van zijn wagen diep doorgezakt. Aan het eind van de veiling kocht hij de dozen met gemengde inhoud – vroedoor Esther Wils Het boekenbedrijf La condition belge Rue de l’Aqueduc 38-40B 1060 Brussel romanticagony.com In het hart van Brussel, om de hoek bij het Horta-museum, ligt veilinghuis The Romantic Agony, geleid door Trees Stubbe en opgericht op initiatief van haar echtgenoot, de vooraanstaande journalist Rik Van Cauwelaert, die onder meer lange tijd verbonden was aan het weekblad Knack . Na een kort bezoek op kantoor, waar schitterende oude uitgaven opgesteld zijn en men druk bezig is met het voorbereiden van de aanstaande veiling, staat het echtpaar me te woord over hun bijzondere boekenbedrijf, waar ‘modern’ begint bij de Franse Revolutie. 27 ger deden meestal de kleine boekhandelaars dat, ter opvulling van kun kasten, maar die zijn weg. Hij had drie huizen gevuld in Schaarbeek, waarin je de meubelen alleen kon vermoeden onder al die boeken. Hij sterft en blijkt twee testamenten te hebben: de huizen heeft hij nagelaten aan de gemeente en de boeken aan de universiteit van Brussel.

Wilde die ze hebben?
Rik: Die wisten: dat is een verzamelaar met verstand van zaken. Hij heeft een heleboel boeken gered die anders vernietigd waren, en ze zijn in waarde gestegen. Maar hij kocht om te bewaren, niet om te beleggen; hij zou zijn boeken nooit hebben doorverkocht. Als er iemand langs geweest was en Barjon kon een boek niet terugvinden – wat geen wonder was – werd die persoon onmiddellijk van diefstal beschuldigd.

Het verbaast me dat de bibliotheek die hele collectie heeft aangenomen. Toen ik bij De Gids vertrok, heb ik geprobeerd het archief onder te brengen, maar het werd alleen geaccepteerd mits ik alle dubbele eruit zou halen,alles in gethematiseerde A4-mapjes zou onderbrengen, paperclips zou verwijderen en meer van dergelijke voorwaarden. Voor dat bibliothecariswerk had ik geen tijd.
Rik: Dat komt hier ook voor. Maar de bibliotheek heeft dan ook nog enorme voorraden onbeschreven boeken. En soms hebben ze ook niet genoeg geld. Onlangs is het archief geveild van uitgever Lodewijk Janssens, de man die onder meer Music-Hall, het eerste boek van Van Ostayen, heeft uitgegeven – à compte d’auteur, dat wel – en de flamingantische krant Volk en Staat. In het archief is een onbekende brief van Van Ostayen aangetroffen, niet in zijn progressieve spelling geschreven maar normaal. Bovenaan had Janssens geschreven: ‘niet op antwoorden’. De bibliotheek heeft het niet gehaald in het spel van opbod, het archief is in de particuliere verkoop gegaan. Er bestaat wel de Koning Boudewijn Stichting die kan meefinancieren, daar wordt regelmatig een beroep op gedaan.

Speelt u daar zelf ook een rol in? Ik kan me voorstellen dat je sommige zeldzame boeken graag goed zou onderbrengen, ter beschikking van de gemeenschap.
Trees: Johan adviseert wel mensen bij die aanvragen, en wijst ze op bijzondere uitgaven die we binnenkrijgen. Hij weet alles van het humanisme, heeft heel wat uitgaven van Erasmus in handen gehad.
Rik: Alles gaat nu overigens om Luther en Calvijn, dat zijn modes. Al brengt een goede Erasmus ook nog altijd een flink bedrag op.

In de komende veiling zit een collectie fantastische historische foto’s, die zou eigenlijk integraal naar een museum moeten.
Trees: Ik denk niet dat er één museale koper zal zijn. Daarom hebben we ze op onderwerp verdeeld: Aziatisch, Afrikaans, luchtvaartgeschiedenis, om de foto’s toch op de juiste bestemming te krijgen. Een museum kan alsnog een bod doen op het geheel.

Zijn er speciale vondsten waaraan u goede herinneringen hebt?
Trees: Ja, Rik, dat verhaal van Rimbaud, dat moet jij maar vertellen.
Rik: De dichter Rimbaud had zijn bundel Une saison en enfer laten drukken bij Poot in Brussel. Men ging ervan uit dat alles was opgestookt, want hij was er ontevreden over. Er waren slechts zes exemplaren bekend – het beroemdste was opgedragen aan Verlaine, die in de gevangenis die inscriptie had proberen weg te krabbelen. In 1902 is er een advocaat, Losseau uit Mons, die bij de Alliance Bibliographique een bestelling ophaalt en een doos ziet staan met het opschrift: Saison en enfer. Navraag leert: van een cliënt die nooit betaald heeft – wisten zij wie Rimbaud was… Losseau geeft, heel charmant, een exemplaar aan alle bibliotheken. Toen de waarde aan het dalen was, benaderde hij antiquaar Van de Perre, die de lading tijdens de oorlog – de trein werd gebombardeerd – ongedeerd naar Brussel weet te halen. Hij verkoopt alle exemplaren met roestplekken aan Franse handelaren, de gave houdt hij zelf. In België spreken de Fransen van la condition belge: dat wil zeggen, onberispelijk. Dat moet voor onze bibliofielen.

Uit angst voor een wereldoorlog vanwege het communisme en de strijd in Korea, stuurt hij eind jaren veertig een pakket naar het geboortedorp van zijn vrouw in Cape Cod. In de jaren negentig zijn we ze gaan ophalen, op verzoek van de weduwe Van de Perre; we hadden de documenten bij ons. Ze lagen in zo’n klein, kartonnen western-bankgebouw, in het stadje Orleans. De directeur en zijn personeel wilden graag zien wat erin zat. Ze waren wat teleurgesteld toen de doos openging, tot ze hoorden dat je van zo’n boekje wel een auto kon kopen. De weduwe heeft ze en bloc verkocht, aan een Franse marchand, die ze bewaart voor de volgende generatie.

Ik heb een tas vol futuristische pamfletten, van Marinetti en anderen, op een boekenmarkt buitgemaakt voor 1500 franc – nu zo’n 35 euro. Dat van Apollinaire bezat ik al, nu had ik ze compleet. De originele ‘Ode aan de Singer-naaimachine’ van Van Ostayen heb ik gevonden in een catalogus, onder in een doos. Die zat in een heel mooie collectie van een bekende van ons. Zijn vrouw en kinderen wisten niet wat hij had verzameld, De Slegte wilde niet komen.

Waarom wilde De Slegte die collectie niet aannemen?
Rik: Ze kenden hem niet en maakten zich zorgen over de transportkosten. Bij ons gingen alle bellen af.

Wordt de beroepsgroep van antiquaren kleiner?
Trees: Het bedrijf verandert. Het aantal winkels krimpt en vestigingen in de stad worden veel te duur om aan te houden. In Londen bijvoorbeeld, kenden wij een collega die naar het platteland is vertrokken. Die had een groot huis in de stad, van drie, vier verdiepingen: vorige generaties kochten boeken in voor de volgende generaties.

Net als met wijn?
Rik: Met wijn is het makkelijker; met boeken kan je in het vagevuur belanden. De inkopers vergisten zich soms. Zo had Van der Perre stapels van Henri de Regnier, maar er is geen hond meer die Henri de Regnier leest, en voor Duhamel geldt hetzelfde: op het moment dat hij stierf was het al gedaan met de prijs. Claus idem dito, het is pijnlijk om te zeggen, behalve wat hij in de jaren vijftig heeft geschreven, daar is nog wel interesse voor. Louis Paul Boon werd bij zijn leven al verzameld, nu is er bijna geen belangstelling meer. Er zijn wel evergreens zoals Van de Woestijne en Jan van Nijlen, die gaan zeer duur.

Groeit uw eigen collectie ook nog steeds aan?
Rik: Ik heb mij leren beheersen. Je moet altijd opletten dat de goede boeken op uw schap niet beginnen vechten met de slechte, je wilt ’s avonds rust in de kast.