Thierry Baudet, Forum voor Democratie en de erfenis van de jaren dertig
🖋 Rob Hartmans

  • 23
    Shares

Eind zomer 2016 transformeerde Thierry Baudet zijn eurosceptische denktank Forum voor Democratie in een politieke partij, klaar om vanaf maart 2017 een Nexit voor te bereiden. Zelf groeide Baudet in de afgelopen jaren van een conservatieve veelschrijver uit tot een markante woordvoerder voor een politieke stroming die zich in populariserende catchphrases afzet tegen ‘Europa’ en oproept het ‘eigene’ te omarmen. Simplistische vergelijkingen met het verleden zijn weliswaar gevaarlijk, maar volgens Rob Hartmans kan deze stroming wel degelijk historisch worden geduid. door Rob Hartmans


Essay uit dBNg 2017#1 (Dit essay verschijnt zij-aan-zij met dit interview met Thierry Baudet door Arthur Eaton. Beide bijdragen kwamen geheel onafhankelijk van elkaar tot stand.)

* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


omslag breek het partijkartel
Thierry Baudet, Breek het partijkartel! De noodzaak van referenda (Prometheus 2017), 176 blz.
omslag oikofobie
Thierry Baudet, Oikofobie. De angst voor het eigene (Prometheus 2013), 248 blz.

Eind 2013 publiceerde ik een bundel met essays over intellectuelen en hun bemoeienissen met de samenleving en politiek van hun dagen. Het boek opende met een stuk over Erasmus en eindigde met een beschouwing over een rijzende ster aan het vaderlandse intellectuele firmament: Thierry Baudet. [1] Omdat het stuk over Baudet nogal kritisch was uitgevallen  leek het me fair en boeiend om tijdens de presentatie van boek in debat te gaan met de jeugdige intellectueel. Na afloop van de pittige maar beschaafde discussie liep Baudet af op een kleine, oudere dame in het publiek en zei tegen haar dat het hem was opgevallen dat ze vaak nogal afkeurend naar hem had gekeken. ‘Ach, weet u, meneer,’ zei deze toen 98-jarige dame, die inmiddels de enige persoon ter wereld moet zijn die kan zeggen dat ze nog met Trotski heeft gecorrespondeerd, ‘ik ben figuren zoals u eerder tegengekomen, in de jaren dertig in Parijs, en wij noemden hen toen fascisten.’ (De noten bij dit essay zijn ook buiten Blendle om te lezen onder deze link.)

Er ging een zekere huivering door de omstanders, en ook ikzelf voelde me ongemakkelijk bij deze opmerking. Wie het populisme en andersoortige aanvallen op het liberaal-democratische bestel vergelijkt met wat er in het Interbellum gaande was, krijgt al snel te horen dat hij of zij de plank volledig misslaat en doelbewust bezig is met het ‘demoniseren’ van politieke tegenstanders. Op deze manier komt immers de slagschaduw van ‘Auschwitz’ over het debat te hangen, waarna de zaak zo verduisterd wordt dat van een zinvol gesprek geen sprake meer kan zijn. De ‘Wet van Godwin’ in optima forma.

Toch is er alle reden om serieus te kijken naar wat deze dame zei, en naar wat ze níet beweerde. Ze zei immers niet dat Baudet een fascist was, dat hij de politieke doelstellingen en middelen van het fascisme uit de jaren dertig propageerde. Ze had het niet over Duitsland en het nationaalsocialisme, maar over Frankrijk en de welig tierende vreemdelingenhaat en de antidemocratische bewegingen die daar actief waren. Bovendien waren deze fenomenen toen niet nieuw, zoals ze ook na 1945 niet voorgoed zijn uitgestorven, maar namen ze in die jaren wel een specifieke vorm aan: ‘Wij noemden hen toen fascisten.’

omslag conservatieve vooruitgang
Thierry Baudet & Michiel Visser (red.), Conservatieve vooruitgang (Prometheus/Bert Bakker 2010), 414 blz.
omslag de aanval op de natiestaat
Thierry Baudet, De aanval op de natiestaat (Prometheus 2012), 240 blz.

Waar het namelijk om gaat, is dat de aanval op het politieke bestel die Baudet en anderen uitvoeren, dat de rancune en demagogie, het gescheld op de elites en het aanwijzen van zondebokken, verdomd veel lijken op wat er in de jaren dertig in Europa gebeurde. Vandaar dat het

zinvol is om een blik te werpen op de politieke en intellectuele traditie waar Thierry Baudet, die zijn strijd tegen het liberaal-democratische bestel na maart 2017 vanuit het parlement hoopt te kunnen voeren, deel van uitmaakt. Niet omdat Baudet op zich nu zo interessant en belangwekkend is, maar vooral omdat hij in de ogen van sommigen een zeker intellectueel cachet verleent aan een veel bredere beweging die uit is op een totale kladderadatsch, een omwenteling die in één klap een einde moet maken aan alle tekortkomingen van het huidige bestel en ‘het volk’ zal teruggeven wat het door ‘de elites’ is ontnomen. Kortom, Baudet als gecoiffeerde, voor hoogopgeleiden verteerbare vertegenwoordiger van de revolutie die ook het oogmerk is van Geert Wilders, Donald Trump, Marine Le Pen, Frauke Petry en hoe ze verder mogen heten. Een ontwikkeling die in een aantal opzichten wel degelijk doet denken aan de jaren dertig.

Terribles simplificateurs

Achteraf lijken de voordelen van ingrijpende maatschappelijke veranderingen vaak gemakkelijk in te zien. Het ontstaan van de moderne, industriële samenleving leidde uiteindelijk tot een spectaculaire stijging van de welvaart en levensverwachting, zorgde voor een tot dan toe ongekende sociale mobiliteit en resulteerde in een sterke individualisering en vergaande democratisering. Die voordelen waren in de negentiende eeuw echter nog niet meteen voor iedereen zichtbaar, en bovendien leidden de tomeloze dynamiek en razendsnelle veranderingen bij velen tot gevoelens van onzekerheid en angst voor de toekomst. Deze onlustgevoelens werden gretig aangewakkerd en geëxploiteerd door figuren die de Zwitserse cultuurhistoricus Jacob Burckhardt in 1889 typeerde als ‘terribles simplificateurs’: demagogische en cultuurloze politici die door middel van simplistische slogans en gewetenloze machtspolitiek ‘ons oude Europa’ onder de voet zouden lopen. [2]

Tegen het internationaal georiënteerde kapitalisme en de niet minder internationaal georiënteerde arbeidersbeweging kwam een nieuwe, radicale vorm van nationalisme op, die zich enerzijds profileerde met allerlei traditionele, tegen de Verlichting en het rationalisme gerichte denkbeelden en symbolen, en die anderzijds volop gebruik maakte van de middelen en mogelijkheden die de moderne massamaatschappij bood. In Frankrijk was de in 1898 tijdens de Dreyfus-affaire opgerichte Action Française een voorbeeld van deze ultranationalistische, xenofobe en anti-intellectualistische ‘derde weg’ tussen liberalisme en socialisme.

Nadat de Eerste Wereldoorlog veel landen in een politieke, economische en geestelijke crisis had gestort, ontstonden overal in Europa bewegingen die de oorlog verklaarden aan zowel de liberale democratie als de socialistische arbeidersbeweging, en die tegenover de intellectualistische Verlichtingsidealen het instinct en de blinde levensdrang stelden. Macht in plaats van ratio, strijd in plaats van het streven naar vrede, mannelijke kracht in plaats van verwijfde deliberatie, xenofobie in plaats van humanisme. In Italië wist Benito Mussolini met zijn ‘fascisten’ de macht te veroveren, waardoor deze vrijwel in heel Europa opkomende beweging die naam kreeg.

Ook de Duitse nationaalsocialisten behoorden tot deze Europese ‘derde weg’, zij het dat de xenofobie bij hen de vorm aannam van biologisch gefundeerd racisme en wat Saul Friedländer in zijn standaardwerk Nazi Germany and the Jews ‘eliminatieantisemitisme’ noemde. Dit leidde ertoe dat na 1945 de hele vooroorlogse fascistische beweging taboe werd verklaard en vrijwel niemand er nog mee geassocieerd wilde worden. Dit betekende ook dat er geen valide ‘rechts’ alternatief meer was voor liberale democratie. De snelle wederopbouw van Europa werd al spoedig gevolgd door een enorme economische opleving, die niet alleen gepaard ging met een spectaculaire welvaartsstijging maar tevens met de culturele en maatschappelijke revolutie van de jaren zestig en zeventig.

Het was in deze jaren vooral links dat luidruchtig uiting gaf aan onvrede. De maatschappij was ziek, de liberale democratie was niet meer dan een formeel vijgenblad waarmee ‘het establishment’ zijn eigenbelang en machtswellust bedekte, elke vorm van autoriteit was onterecht en gevaarlijk, en ‘het systeem’ moest volledig omver gegooid worden. Deze vage maatschappijkritiek en het aanvankelijk optimisme liepen al spoedig stuk op een ruigere economische werkelijkheid, die een keiharde bezuinigingspolitiek onvermijdelijk leek te maken, terwijl het door links geminachte ‘klootjesvolk’ niet bereid bleek in opstand te komen.

Na 1989 leek er ook geen echt ‘links’ alternatief meer te zijn voor het kapitalistische liberalisme, zodat er in feite alleen een politiek ‘midden’ overbleef, waarin slechts plek was voor graduele verschillen en subtiele nuanceringen. Ondertussen ontstonden er onder een deel van het electoraat wel onlustgevoelens, die werden versterkt door de komst van arbeidsmigranten, flexibilisering van de arbeidsmarkt, en andere verschijnselen die werden gekoppeld aan een verschijnsel dat vanaf de jaren negentig werd aangeprezen of verketterd als ‘globalisering’.

Tijdens de booming nineties leek dit nog geen groot probleem, maar vanaf het begin van de deze eeuw bleken toch wel degelijk veel mensen onzeker en bang te zijn. Economisch gezien leek de toekomst ongewis, de komst van grote groepen buitenlanders veranderde het karakter van de samenleving, de globalisering en Europese eenwording leken onstuitbaar en gepaard te gaan met verminderde invloed van de burgers. Ook nu stonden er figuren gereed om de bevolking een groot wantrouwen jegens ‘de elite’ aan te praten, wat na de aanslagen van 11 september 2001 in toenemende mate lukte. Door de gevestigde partijen werden deze critici ‘populisten’ genoemd, een term waar je eindeloos over kunt discussiëren, maar die nog steeds niet is vervangen door een algemeen aanvaard alternatief.

Gehuld in vaagheid

Hoewel het niet zelden gebeurt, is het onjuist om de hedendaagse tegenstanders van het politieke en maatschappelijke bestel ‘fascisten’ te noemen, aangezien de omstandigheden en verhoudingen nu heel anders zijn. Om te beginnen zijn er nu geen twee duidelijke, elkaar bestrijdende ideologieën waartussen het populisme zich kan manifesteren als ‘derde weg’. Er zijn nu alleen een liberale ‘gevestigde orde’ en degenen die daar ontevreden mee zijn. Daarnaast uit het protest tegen ‘de elites’ zich heel anders, zowel inhoudelijk als uiterlijk.

Tijdens het Interbellum was het begrip ‘democratie’ nog allesbehalve onomstreden. Dit werd door velen geassocieerd met instabiele regeringen, eindeloos gepalaver en maatschappelijke chaos die het gevolg leek van de modernisering. Tegenover de wanorde van de democratie werd het positieve begrip ‘orde’ geplaatst. Dit gebeurde zowel door degenen die droomden van een sterke, autoritaire staat en een traditionele kerk, als door de socialisten, die tegenover de kapitalistische chaos de orde van de planeconomie stelden. Tegenover het individualisme van het liberalisme werden begrippen als ‘gemeenschap’ en ‘plicht’ gesteld. Pas na 1945 werden ‘democratie’ en ‘mensenrechten’ begrippen waar geen weldenkend mens zich tegen kon keren. Dit betekent dat wie nu een politieke revolutie nastreeft, zichzelf in ieder geval democraat moet noemen en geweld dient af te wijzen.

Ook qua uitingsvormen is het fascisme uit het Interbellum niet meer acceptabel. Toen manifesteerden vrijwel alle politieke stromingen zich met massabijeenkomsten, fakkeloptochten, uniformen, vaandels en trommels. Dit politiek ‘repertoire’ is door het fascisme en communisme besmet geraakt. De individualistische post-1968 mens wil af en toe nog best opgaan in de massa, maar dan alleen op festivals of tijdens sportwedstrijden – gemeenschapszin en plichtsbesef hebben het immers afgelegd tegen onversneden hedonisme. En om zich politiek te manifesteren hoeft de Wutbürger, die na ‘1968’ sowieso alle autoriteiten wantrouwt, ook helemaal niet meer naar partijbijeenkomsten: inmiddels heeft hij daar de sociale media voor.

Dat er tussen het vroegere fascisme en het hedendaagse populisme, dat we misschien beter kunnen aanduiden met de term neo-nationalisme, zowel inhoudelijk als uiterlijk grote verschillen bestaan, wil niet zeggen dat er helemaal geen sprake is van continuïteit. Opnieuw wakkeren populistische politici en intellectuelen de angsten aan van mensen die onzeker zijn door de razendsnelle maatschappelijke veranderingen. Ook zij proberen groepen met zeer uiteenlopende belangen en beginselen te mobiliseren, zodat hun programma doorgaans bestaat uit een allegaartje van ‘linkse’ en ‘rechtse’ standpunten. En net als de fascisten geven zij duidelijk blijk van anti-intellectualisme en cultuurvijandigheid, bepleiten ze een uitgesproken nationalisme, wijten ze uiteenlopende maatschappelijke problemen aan bepaalde minderheden én aan ‘de elites’. En tot slot verwachten zij dat verbetering van de samenleving niet te behalen is middels geleidelijke hervormingen en compromissen, maar dient er een heuse revolutie te komen. Om die reden roepen ze luidkeels dat ‘de politiek’ tot op het bot verrot is, dat de maatschappij ziek is en, als zij niet hard ingrijpen, de totale ondergang nabij is. Maar waar de fascisten vroeger beschikten over een eigen maatschappijvisie (ook al was die intellectueel allesbehalve consistent), hullen de hedendaagse populisten zich in vaagheid. De waarde van de instituties van de liberaal-democratische rechtsstaat lijken ze niet in te zien, zodat hun opstand sterk doet denken aan wat sommige tegenstanders van het fascisme in de jaren dertig betitelden als een ‘Revolution des Nihilismus’.

Auto-immuun ziekte van het westen

Dat Thierry Baudet inmiddels een van de meest opvallende woordvoerders is van de populistische revolutie in Nederland, mag opmerkelijk heten. Toen hij zich rond 2010 als publiek intellectueel begon te manifesteren, noemde hij zich immers met nadruk een conservatief, iemand die in zijn ogen niet tegen de vooruitgang was, maar die zich wel fel kantte tegen het idee van een revolutie. Conservatisme was in zijn optiek, zo schrijft hij in in de bundel Conservatieve vooruitgang, ‘zoiets als de met water en bloemen gevulde vaas voorzichtig willen verplaatsen’. Hoewel deze benadering nogal eenzijdig was, was dit toch heel wat anders dan zijn huidige streven om Nederland volledig op de schop te nemen. Voor iemand die de hele tijd de mond vol heeft van de Nederlandse identiteit, die in 2013 een boek publiceerde met de titel Oikofobie, waarin hij tekeer gaat tegen deze ‘ziekelijke afkeer van het eigene’ waar ‘de elites’ aan zouden lijden, is het toch wel vreemd dat hij als leider van de politieke partij Forum voor Democratie pleit voor een directe democratie naar Zwitsers model, asielbeleid naar Australische snit, greencards zoals die er in de VS zijn, Duits opsporingsbeleid en onderwijs in Finse stijl. Hier is geen behoedzame conservatief aan het woord, maar een revolutionair die de vaas met bloemen op de grond wil smijten, in de hoop dat scherven geluk brengen.

Evenals sommige intellectuelen die in de jaren dertig kozen voor het revolutionaire fascisme, is Baudet in korte tijd geradicaliseerd. Dit kwam niet onverwacht, aangezien hij behoort tot een bepaald type intellectueel dat lange tijd in zowel linkse als rechtse kring populair is geweest. Ik heb het over wat de Italiaanse communist Antonio Gramsci de ‘organische intellectueel’ noemde. Volgens Gramsci diende een intellectueel niet louter van buitenaf, volgens vaststaande wetenschappelijke regels, de werkelijkheid kritisch te analyseren, maar behoorde hij uitdrukking te geven aan de gevoelens en ervaringen die ‘de massa’ niet zelf kon articuleren en deel te nemen aan haar strijd.

Vandaar dat Baudet het door hem opgerichte Forum voor Democratie inmiddels heeft omgevormd tot een politieke partij, die Nederland wil ‘terugveroveren’ op de politieke elite. Net zoals er in de jaren dertig, door fascisten én communisten, veelvuldig werd gescholden op ‘de bonzen’, is het nu het ‘partijkartel’ dat verantwoordelijk is voor de crisis waarin we ons zouden bevinden. In zijn onlangs verschenen pamflet Breek het partijkartel! geeft hij weliswaar niet duidelijk aan waaruit die crisis bestaat, maar heeft hij wel één zaligmakende oplossing: het ‘facultatief initiërend referendum’. Vrijwel alle politieke denkers vanaf de Oudheid – uiteraard Plato, Machiavelli en Hobbes, maar zelfs Locke en Tocqueville – zijn antidemocratisch geweest, zodat het nu tijd wordt voor een radicale, directe democratie, waarin ‘het volk’ het werkelijk voor het zeggen heeft. Maar hoe er dan wordt omgegaan met de tegengestelde belangen en ideeën die typerend zijn voor elke samenleving blijft volstrekt vaag.

Dat Baudet een slordig denker is, bleek al overduidelijk uit zijn dissertatie. De aanval op de natiestaat is geen zorgvuldige en nuchtere analyse van een welomschreven probleem, maar een politiek pamflet waarin hij op schrille toon beweert dat de Europese Unie de ontmanteling van de soevereiniteit van de afzonderlijke lidstaten beoogt, dat de rechtsstaat ten onder zal gaan, en dat er in Europa een burgeroorlog dreigt. Dit complot is gesmeed door ‘de elites’, een sinistere categorie die blijkbaar niet nader gedefinieerd hoeft te worden. Met behulp van dubieuze cijfers, selectieve voorbeelden en de methode van guilt by association – na vier pagina’s met citaten van nazi’s die voor een ‘verenigd Europa’ pleitten lijkt dit begrip voorgoed verdacht [3] – ramt hij er zijn anti-EU-boodschap in.

Het blijft een raadsel waarom zijn promotors Paul Cliteur en Roger Scruton hebben besloten dit strijdschrift te accepteren als Baudets academische meesterproef. In Leiden, waar Baudet promoveerde, wijst de promotor tijdens zijn laudatio de promovendus er altijd op dat de doctorstitel ook een verantwoordelijkheid jegens de wetenschap en de samenleving met zich meebrengt. Dit houdt in dat men zijn academische status niet behoort te misbruiken voor abjecte doeleinden. Dit weerhield Baudet er echter niet van om op 17 december 2015 in Studio Powned te beweren dat relschoppers in Geldermalsen, die met geweld een bijeenkomst over de komst van een asielzoekerscentrum onmogelijk maakten, volledig in hun recht stonden. Volgens dr. Baudet probeerden de ‘Haagse politiek’ en de PvdA-burgemeester de samenleving te ‘vermoorden’, aangezien ze ervoor verantwoordelijk waren dat, door de komst van de vluchtelingen, de criminaliteit en terreurdreiging sterk zouden stijgen – een bewering die blijkbaar geen onderbouwing behoefde. Elke eventuele gewelddadige actie van ‘de bevolking’ tegen asielzoekers of verantwoordelijke bestuurders beschouwd kan zodoende worden als ‘noodweer’. In feite wordt hier dus een juridisch begrip gebruikt om aan te zetten tot geweld.

Baudet mag weliswaar graag optreden bij laagdrempelige media als Powned of uitbundig twitteren, hij mag dan een grote bewondering hebben voor uitgesproken anti-intellectualistische ‘sterke mannen’ als Vladimir Poetin en Donald Trump, en zich ooit hebben opgeworpen als pleitbezorger van iemand die beweerde dat vrouwen als ze ‘nee’ zeggen stiekem toch ‘ja’ bedoelen, tegelijkertijd blijft hij zijn imago van intellectueel koesteren. Hij speelt niet onverdienstelijk piano, heeft een keurige opvoeding genoten, is wijnkenner en gaat er prat op dat hij acht boeken heeft geschreven. Ongeveer tegelijkertijd met zijn optreden bij Powned verscheen er van hem een stukje in het clubblad van Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, naar aanleiding van de roman Gilles (1939) van Pierre Drieu la Rochelle. Net als Robert Brasillach, Lucien Rebatet, Maurice Bardèche en andere hoogst verfijnde Franse auteurs koos Drieu la Rochelle in de jaren dertig voor het fascisme. Hij was een tijdje de belangrijkste woordvoerder van Jacques Doriot, de voormalige communist die in 1936 de Parti Populaire Français oprichtte en wiens zweetplekken en bretels volgens Drieu la Rochella het bewijs vormden dat dit de echte leider van het Franse volk was.

In zijn stukje over Drieu la Rochelle herhaalt Baudet de oude leugen dat de Europese samenleving in de jaren dertig moest kiezen tussen twee kwaden: het fascisme en het communisme ( ‘Mussert of Moskou’). Hoewel hij niet exact aangeeft tussen welke kwaden we vandaag de dag moeten kiezen, suggereert hij dat de situatie even apocalyptisch is als toen. Volgens hem is er nu sprake van ‘een fundamentele bevolkingstransformatie’, die het gevolg is van ‘massale immigratie, gezinshereniging en demografische dynamiek’. Dit heeft catastrofale gevolgen: ‘Intuïtieve loyaliteiten verschuiven, waardepatronen veranderen. Steeds dichterbij komt het point of no return, waarop we alleen met radicale maatregelen nog kunnen voorkomen dat ons continent, zoals Houellebecq beschrijft in Soumission, wordt overgenomen.’ [4] Hij geeft aan dat ‘niemand weet hoe dichtbij dat al is’, maar suggereert dat het niet echt lang meer zal duren. Juist die vaagheid, die suggestie van onstuitbaar onheil, maakt dit soort speculaties zo kwalijk. De recente vluchtelingencrisis leidde weliswaar tijdelijk tot een forse toename van het aantal asielzoekers, maar van ‘massale immigratie’ was de afgelopen jaren helemaal geen sprake, terwijl de ‘demografische dynamiek’ onder moslimmigranten juist in omgekeerde richting bewoog: ze kregen steeds minder kinderen. Veel beweringen van Baudet zijn ook zo vaag, dat ze van alles kunnen betekenen. ‘Intuïtieve loyaliteiten verschuiven, waardepatronen veranderen.’ Wat bedoelt hij hier precies mee? Zijn ‘autochtonen’ niet langer loyaal jegens elkaar, nemen ze steeds meer ‘vreemde’ waardepatronen over?

Soms nemen zijn nevelige formuleringen echter huiveringwekkende vormen aan, zoals tijdens zijn redevoering op het eerste congres van het Forum voor Democratie: ‘Het Westen lijdt aan een auto-immuunziekte. Een deel van ons organisme – een belangrijk deel: ons afweersysteem, datgene wat ons zou moeten beschermen – heeft zich tegen ons gekeerd. Op elk vlak worden we verzwakt, ondermijnd, overgeleverd. Kwaadwillende, agressieve elementen worden ons maatschappelijk lichaam in ongehoorde aantallen binnengeloodst, en de werkelijke toedracht en gevolgen worden verdoezeld.’ [5] Hetzelfde geldt voor het strooien met de term ‘cultuurmarxisme’, een intellectuele aandoening waar het huidige bestel volgens diverse extreemrechtse groeperingen aan zou lijden. Anders Breivik verwees ernaar in zijn omvangrijke manifest en de term gaat op zijn beurt terug naar het nationaalsocialisme uit de jaren dertig. Aanhangers van Baudet zullen het ongetwijfeld een ‘Godwin’ vinden, maar dat beeld van de samenleving als ‘lichaam’, dat bedreigd wordt door mensen die in feite parasieten en kwaadaardige ziektekiemen zijn, die insinuatie dat er lieden zijn die doelbewust bezig zijn het gezonde nationale organisme te verzwakken – wanneer hebben we dat eerder gehoord?

Behoefte aan heibel

Evenals Wilders, Jan Roos, Jan Dijkgraaf en andere zelfbenoemde woordvoerders van de ‘boze burger’, en evenals de fascisten van de jaren dertig, lijkt Baudet helemaal niet geïnteresseerd in het verhelpen van concrete problemen, in het lenigen van echte noden. Het gaat deze populisten om wat Ter Braak de ‘idealisering van het ressentiment’ noemde, [6] het opzwepen van rancune, afgunst en haat onder delen van de bevolking, met als doel het volledig ontwrichten en omverwerpen van het politieke bestel. Om die reden wordt het voorgesteld alsof de Westerse wereld op de rand van de afgrond staat, alsof Nederland een autocratisch geregeerd ontwikkelingsland is waar vrijwel niets naar behoren functioneert, en alsof de burger werkelijk staat te trappelen om een heel groot deel van zijn tijd en energie te steken in het bestuur van zijn woonplaats en land.

Aangezien ze niet met een alternatieve maatschappijbeschouwing komen – inclusief een concrete politieke en sociaaleconomische ordening – zou je bijna gaan denken dat veel van deze populisten het niet echt serieus menen. Die Franse fascisten uit de jaren dertig was het wel degelijk menens, en die gingen echt all the way – Doriot sneuvelde, Drieu pleegde zelfmoord, en Brasillach werd gefusilleerd – maar hoe zit dat met Baudet en consorten? Is hun quasi-revolutionair gekrakeel eigenlijk toch niet meer dan een uiting van pure verveling, van behoefte aan heibel, keet en reuring? Willen ze eigenlijk niet gewoon wat meer leven in de brouwerij, of in Baudets geval: in de wijnkelder? Is hun maatschappijkritiek even hol en gratuit als die van veel linkse radikalinski’s uit de jaren zestig en zeventig? Dit zou een geruststellende gedachte zijn, maar nu de VS een narcistische, populistische president hebben, de komende verkiezingen in Nederland, Frankrijk en Duitsland zouden kunnen leiden tot een definitief uiteenvallen van de EU, terwijl Poetin klaarstaat om in Oost-Europa zijn slag te slaan, is het wellicht niet verantwoord om hier zonder meer vanuit te gaan.

Noten

[1] Rob Hartmans, ‘Thierry Baudet, of de wederopstanding van de organische intellectueel’, id., Grondsop en verwarring. Essays over intellectuelen en hun illusies 2 (Soesterberg, 2013), 331-348. In zijn recente pamflet Breek het partijkartel! smeedt Baudet een aantal in mijn tekst ver uiteen liggende opmerkingen aaneen tot een ‘citaat’ waaruit zou moeten blijken dat ik heel enthousiast ben over een van zijn boeken.

[2] Brief aan Friedrich von Preen, 24 juli 1889, in: Jacob Burckhardt, Briefe IX (Basel, 1980), 203.

[3] Thierry Baudet, De aanval op de natiestaat (Amsterdam, 2012), 274-278. Hierna beweert de auteur ook nog dat het fascisme en nationaalsocialisme niet nationalistisch waren. Voor meer voorbeelden van zijn demagogische schrijf- en redeneertrant, zie mijn in noot 1 genoemde essay.

[4] Thierry Baudet, ‘Meer navolgers Gilles?’, Nieuw Letterkundig Magazijn XXXIII: 2 (december 2015). Dat hij niet terugdeinst voor een flirt met duistere tradities uit de jaren dertig, blijkt ook uit de redevoering die hij in 2014 hield tijdens de zogenaamde IJzerwake, de bijeenkomst van rechtsradicale Vlaamse nationalisten die nog altijd geen afstand nemen van de Vlaamse collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog: https://www.youtube.com/watch?v=p7oQuTixaCE&t=148s

[5] Https://forumvoordemocratie.nl/actueel/toespraak-thierry-baudet-alv-fvd-2017.

[6] Menno ter Braak, Het nationaal-socialisme als rancuneleer, id., Verzameld werk, deel 3 (Amsterdam, 1980) 587.

 


  • 23
    Shares