Europa’s gemankeerd laboratorium


In de slipstream van alle hedendaagse euroscepsis is het bon ton om neer te kijken op het zuidelijk deel van de Lage Landen. Maar als proeftuin zou België gezien haar strategische positie op ons werelddeel juist met welwillende belangstelling gevolgd moeten worden. Om te beginnen door de banden met de directe buren aan te halen om zo een Europa van onderop eindelijk een serieuze kans te geven. Kan de nood tot samenwerking van en in België ons iets leren over de toekomst van Europa? Steven van Schuppen denkt van wel: een advies aan Brussel. Door Steven van Schuppen.

België als pars pro toto van Europa. Hier ontmoeten Noord en Zuid, Germaans en Romaans, nuchter-zakelijk en Bourgondisch elkaar. Als ergens de proef op de som van Europese samenwerking genomen zou kunnen worden, dan wel daar. Zeker nu de grootschalige aanpak van de Europese Unie toenemende kritiek ontmoet, is nader onderzoek naar de casus België de moeite waard. In historische analyses van naar het Belgische reilen en zeilen overheerst veelal de politieke kant van de geschiedenis, waarbij onvermijdelijk de aandacht gericht is op de taalstrijd tussen het Nederlands en het Frans. Des te opmerkelijker dat er in de herfst van vorig jaar twee studies over de economische geschiedenis van het land verschenen. In Het gestolde land van Kristof Smeyers en Erik Buyst ligt de nadruk op de periode vanaf de Eerste Wereldoorlog. In De onzichtbare hand boven België van René De Preter wordt ingezoomd op de laatste veertig jaar, het tijdperk waarin het neoliberalisme doorbrak.


Essay uit dBNg 2017#2

    


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *

Het België dat zich in 1830 van het nieuwbakken Verenigd Koninkrijk der Nederlanden losmaakte had tot aan de Eerste Wereldoorlog fors de wind in de zeilen – als uiterst succesvolle industriestaat met een uitgesproken vooruitstrevende constitutie diende België als voorbeeld voor menig naar democratie en rechtsstaat strevend land. Maar de Grote Oorlog van 1914 tot 1918 is België nooit meer echt te boven gekomen. Dat lijkt de teneur van de studie van Kristof Smeyers en Erik Buyst, alle economische oplevingen nadien ten spijt. De groeiende welvaart in de jaren ’20 werd door de crisis in het decennium daarop weer snel tenietgedaan. De ware boom die de Belgische economie in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog doormaakte, met de haven van Antwerpen als Europa’s poort tot de Nieuwe Wereld, vormde de voorbode van golden sixties. Het goud van die voorspoedige jaren betrof vooral het tot dan toe industrieel relatief achtergebleven Vlaanderen, terwijl de zware industrie van Wallonië in die tijd door zijn benen begon te zakken. Daar leidde dat aan het begin van het decennium tot zeer felle vakbondsacties, terwijl de economische voorspoed in Vlaanderen uitmondde in een groeiend cultureel zelfbewustzijn en een daarmee gepaard gaande verheviging van de communautaire spanningen tussen Vlaanderen en Wallonië.

Deze recente economische en culturele ontwikkelingen werkten zowel aan Vlaamse als Waalse zijde door in een streven naar federalisering van het dan toe uitgesproken centralistische Belgische staatsapparaat. Die gewilde decentralisering leidde tot even ingenieuze als verlammende bestuursconstructies: Belgisch beleid moet gemaakt worden door elkaar overlappende economisch-territoriale gewesten (Vlaanderen, Wallonië en Brussel) en cultureel-persoonsgebonden gemeenschappen (de Vlaamstalige, Franstalige en Duitstalige gemeenschap). Daarbij leunt het Waalse gewest nog steeds sterk op federale steun, waarbij dankbaar gebruik wordt gemaakt van voor Wallonië gunstig uitpakkende verdeelsleutels. Het ‘Belgische wafelijzer’ betekent in de woorden van Smeyers en Buyst: wat de een krijgt, daar heeft de ander ook recht op. Deze politiek leidt tot financiële vereffeningen tot in de kern van de verzorgingsstaat, met sociale zekerheid en medische zorg als speerpunten.

Om dit soms perverterend werkende automatisme van federale solidariteit te brandmerken als de kern van een soort Belgische ziekte, zoals in Vlaams-nationalistische kringen vaak gebeurt, leidt de aandacht af van onderliggende economische oorzaken. Die liggen in het feit dat het vaak zo geprezen Vlaamse Wirtschaftswunder ook allang niet meer op stevige benen loopt. Geen regio in Europa is zozeer speelbal van multinationals als Vlaanderen – nergens werden en worden zij zo kritiekloos binnengehaald. Hoe wankel zo’n economische oriëntatie is, werd pijnlijk duidelijk na de kredietcrisis van 2008, bijvoorbeeld met de neergang in de automobielassemblage-industrie: denk aan de roemloze ondergang van Ford-vestiging in het Vlaams-Limburgse Genk. Er doemt zo een beeld op van een België dat – sinds de neoliberale revolutie die zich vanaf de jaren ‘70 aftekende – als geen ander onderworpen is aan het driekoppige monster van ‘liberalisering, globalisering en europeanisering’. Vanaf het Verdrag van Maastricht in 1992 heeft de EU-politiek de globalisering in een stroomversnelling gebracht, waardoor de breed uitgebouwde verzorgingsstaat die zich in België tot voor kort redelijk wist te handhaven onder steeds grotere druk is komen te staan. De wortel van het kwaad is zowel volgens De Preter als bij Smeyers en Buyst gelegen in de open economie van België, waartoe het door haar centrale ligging in het noordwesten van Europa veroordeeld lijkt.

Derde industriële revolutie 

Maar het is natuurlijk niet alleen maar ‘de schuld van het kapitaal’. Dat kapitaal, al dan niet in de vorm van het hierboven geschilderde driekoppige monster, verdient het om met even adequate als ‘bijdetijdse’ middelen bijgestuurd en waar nodig bedwongen te worden. ‘Bijdetijds’ betekent dan rekening houdend met het ontwikkelingsstadium van de huidige economie: de derde industriële revolutie van de digitale informatica en de duurzame energie, waar we nu middenin zitten. Hoe kan het kleine België zich in dat krachtenveld met succes staande houden en bij welke partners zou daarbij steun gevonden kunnen worden? Het zijn vragen die niet misstaan zouden hebben in een slothoofdstuk van een studie over de economische geschiedenis van België zoals die van Smeyers en Buyst of van De Preter. Laten we hier een eerste bescheiden poging doen om die vragen te beantwoorden.

Voor het Wallonië van de negentiende-eeuwse industriële revolutie van kolen, ijzer en staal ging in de loop van de twintigste eeuw steeds meer de wet van de remmende voorsprong gelden. Diezelfde wet doemt nu weer onvermijdelijk op in Vlaanderen, dat na de Tweede Wereldoorlog werd opgestoten in de vaart van de tweede industriële revolutie (van de olie). In die jaren wist Vlaanderen met succes nijverheid af snoepen van Wallonië, bijvoorbeeld door de stichting van het Sidmar-staalbedrijf bij het Oost-Vlaamse Zelzate. Momenteel komt de toekomst van het petro-industriële havencomplex aan de monding van de Schelde meer en meer op de tocht te staan. Dat complex maakt op zijn beurt deel uit van de grensoverschrijdende ring van zeehavensteden in de delta van Rijn, Maas en Schelde. Als Lage Landen zitten Vlaanderen en Holland hier in hetzelfde schuitje. Vormen de Energiewende naar duurzaamheid en de digitalisering van de energiedistributie al een heel fikse klus, in deze contreien komt daar nog de lastige waterstaatkundige opgave bovenop om in de toekomst beduidend meer ruimte geven aan de groeiende waterdynamiek. Die problematiek zou het even ingrijpende als complexe vraagstuk voor de rest van de eeuw moeten worden. De opgave tot de omvorming van een op olie gerichte nijverheid naar duurzame energie zal hier vooral de vorm aan moeten nemen van een offshore-industrie voor duurzame energie- en voedselvoorziening op en rond de Noordzee, van wind tot en met algen.

Tegelijkertijd staat de afbouw van de traditionele fossiele industrie op het programma. Dat zal hoogstwaarschijnlijk tot een vermindering van de omvang van de verstedelijking en industrialisering moeten leiden in plaats van een tot nu toe nog steeds verdergaande uitbreiding. In het postfossiele tijdperk zal werkgelegenheid immers veel minder aan zeehavens gebonden zijn dan nu nog het geval is. Door de decentrale opzet van duurzame energienetwerken ontstaat volop de mogelijkheid arbeid landinwaarts te laten uitwaaieren. En dan zal de volkshuisvesting waarschijnlijk wel de werkgelegenheid volgen. Historisch zou zo’n ruimtelijke beweging heel goed passen in de lange conjunctuurgolven van de drie industriële revoluties: de opkomst van de aan vindplaatsen van fossiele grondstoffen gebonden nijverheid (als in Wallonië in de negentiende eeuw), een verschuiving naar op olie gerichte zeehavengebonden nijverheid (in Vlaanderen in de twintigste eeuw) en nu, in de eenentwintigste eeuw, weer een nieuwe beweging.

Ook door de digitale revolutie zal nieuwe werkgelegenheid minder voorkeurslocaties kennen dan vroeger. Dat maakt landinwaartse verschuivingen in het verstedelijkingspatroon steeds opportuner. De Preter wijst er al op dat geavanceerde bedrijvenclusters in de Waals-Brabantse regio ten zuiden van Brussel het nu al goed doen, net als rond de stad Bergen in Henegouwen en langs de as Brussel-Namen-Aarlen-Luxemburg. Een ander goed voorbeeld van een dergelijke succesvolle clustervorming vinden we net over de landsgrens in Noord-Brabant met Brainpark Eindhoven als kloppend hart.

In Nederland is Noord-Brabant mede daardoor economisch geheel op gelijke hoogte gekomen met de Randstad. Het economische belang van dergelijke clusters van met elkaar samenwerkende en op elkaar aangewezen bedrijven in kleinere en middelgrote steden is beduidend groter dan men in het sterk op de ontwikkeling van grote steden gerichte planologische vertoog toe wil geven. België kampt met het grootstedelijke gezwel Brussel, waar de sociale en verkeerslogistieke problemen de pan uitrijzen, zoals ook De Preter uit de doeken doet. Een ruimtelijk ordeningsbeleid naar de politiek van de zogeheten ‘gebundelde deconcentratie’ zoals in de jaren ‘60 en ‘70 in Nederland plaatsvond zou hier beslist geen overbodige luxe zijn. Verplaatsing van federale overheidsdiensten en -instellingen naar kleinere steden lijkt in het op Brussel gerichte vestigingsbeleid van de overheden welhaast ondenkbaar. Tegelijkertijd komt de Vlaamse deelregering op het vlak van de ruimtelijke ordening vooralsnog niet veel verder dan de tamelijk primitieve ingreep van een zogeheten ‘betonstop’ vanaf 2040, waarna geen open ruimte meer bebouwd mag worden.

Grensoverschrijdende netwerken 

Al met al lijkt het huidige België in haar eentje nauwelijks opgewassen tegen het koortsachtige ritme van de globalisering en de onrustbarende gevolgen van de klimaatverandering die het land bedreigen. Om meer greep op haar eigen sociale en economische ontwikkelingen te krijgen, zou het aanbeveling verdienen om de al lange tijd zo heftige Belgische communautaire conflicten, die onder de huidige regering voorlopig tot rust gekomen zijn nog wat langer te laten rusten. In plaats daarvan zou het beter zijn beleid te richten op het uitbuiten van de uitgesproken strategische geografische en institutionele positie van België. Samenwerken met de directe buren lijkt daarbij de meest voor de hand liggende optie. Op het gebied van verduurzaming van de economie en watermanagement zou een verdere intensivering van de reeds aarzelend op gang gekomen samenwerking tussen Benelux en de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen grote mogelijkheden kunnen bieden. Bij een verdere uitbouw van dat grensoverschrijdende verband zou België de ‘Rijnlandse kaart’ sterk kunnen uitspelen. Op economisch vlak zou dit de taaie en steeds contraproductiever wordende concurrentie tussen de havensteden Antwerpen en Rotterdam kunnen overwinnen. Denk in dit verband aan de eindeloze Hollandse chicanes rond het dossier van de IJzeren Rijn – de goederenspoorverbinding tussen Antwerpen en Mönchengladbach die Nederland doorkruist. 

Op sociaal gebied zou Nordrhein-Westfalen het nodige tegenwicht kunnen bieden aan een Nederland waar de arbeidsverhoudingen voor Europees-continentale begrippen uitzonderlijk ver geflexibiliseerd en geprecariseerd zijn. De sociale verhoudingen in Rhein-Ruhr sluiten beter aan op de sterke Belgische vakbondstraditie dan op de pijnlijk zwakke en weinig strijdbare vakbeweging in Nederland. In Noordzee-verband liggen ook de nodige interessante perspectieven, zoals het aanhaken van Vlaanderens NV-A-premier Geert Bourgeois bij de door de Duitse deelstaat Bremen geïnitieerde Noordzee-Unie. Dankzij zijn sterke positie in het Europees institutioneel krachtenveld zou België een onmisbare schakel kunnen gaan vormen. Want binnen het institutionele netwerk van EU-steden met Luxemburg, Frankfurt en Straatsburg blijft ‘Brussel’ ongetwijfeld een voorname rol spelen.

België, Europa van onderop 

Om draagvlak te krijgen voor grensoverschrijdende vergezichten zou het geen kwaad kunnen om samenwerkingen eerst op een lager schaalniveau concreet gestalte te geven. Hierbij moet verder worden gegaan dan de gebruikelijke vorm van op eigen regio gerichte grensoverschrijdende ‘euregio’s’, zodat de samenwerking een kwalitatieve omslag teweegbrengt die verder reikt dan de eigen streek, sector en leefwereld. Vanuit een dergelijke inzet zou eindelijk een begin gemaakt kunnen worden met het doorbreken van een aantal hardnekkige knelpunten in de grensoverschrijdende economische en ecologische samenwerking – zodat niet langer om pijnlijke grenslocaties en -kwesties heen gepraat hoeft te worden, maar samen met locals, belanghebbers en bezoekers echte knopen doorgehakt kunnen worden, van de immer wispelturige mondingen van de Schelde tot en met een steeds roestiger wordende IJzeren Rijn.