Geerten Waling aan Rob Hartmans, 8 augustus 2018 (brief #10)

Rob Hartmans en Geerten Waling schrijven elkaar naar aanleiding van Geert Buelens’ De jaren zestig. Een cultuurgeschiedenis. Wat is die zo vaak genoemde ‘erfenis van de jaren zestig’, en waarom wordt iedereen verwacht er stelling over in te nemen? Over puberaal geweld, schriele revoluties, oogkleppen, en de oorsprong van de huidige wereldorde. Door Rob Hartmans


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Brief uit dBNg 2018#4

Beste Geerten,

Een jaar of wat geleden verscheen er een sociologisch proefschrift waarin ik – tot mijn niet geringe verbazing – deel uitmaakte van het onderzoeksobject. Het ging namelijk over ‘beeldvorming’ met betrekking tot ‘de jaren zestig’, wat betekende dat de onderzoekster had gekeken naar wat tal van ‘opiniemakers’ in de periode 1994-2009 over dit onderwerp te berde hadden gebracht. [1] Het was verrassende lectuur, want zo behoorde ik de ene keer tot degenen die zich heel positief hadden uitgelaten over Nieuw Links, terwijl ik een paar pagina’s verder tot de ‘critici van de jaren zestig’ werd gerekend. Nu zal ik niet beweren dat ik mezelf nooit tegenspreek, maar in dit geval had deze ogenschijnlijke tournure veel te maken met de wetenschappelijke methodiek van de sociologe. Dat ik bijvoorbeeld had geschreven dat Nieuw Links binnen de PvdA een ‘fris’ geluid had laten horen, had ze namelijk ontleend aan een kritische recensie van een flutboekje van wijlen André van der Louw, waarin ik hem en zijn bentgenoten op overduidelijk ironische wijze neerzet als een stelletje ‘frisse jongens’ dat zich volstrekt kritiekloos over de DDR uitliet.

Met veel meer recht verwees ze naar artikelen uit De Groene Amsterdammer waarin ik inging op de schaduwzijden van de culturele revolutie van de jaren zestig en zeventig. Maar maakt het plaatsen van kritische kanttekeningen bij bepaalde ontwikkelingen mij nu tot een ‘criticus van de jaren zestig’? Maar dan ben ik ook een criticus van ‘de jaren dertig’ en van ‘de jaren negentig’, om nog maar te zwijgen van ‘de vroege jaren veertig’. Ook in die decennia van de twintigste eeuw gebeurden er immers tal van dingen waarvoor ik moeilijk de handen op elkaar krijg.

De jaren zestig – het lijkt wel of je daar tegenwoordig vóór of tegen moet zijn, wat uiteraard heel vreemd is, want hoe kun je in hemelsnaam voor- of tegenstander van een bepaald tijdvakje zijn? Nu weet ik ook wel dat met het begrip ‘de jaren zestig’ een specifiek complex van verschijnselen en ontwikkelingen wordt bedoeld, maar juist die beeldvorming is heel problematisch. Of je ‘de jaren zestig’ nu ziet als een hoopvol decennium vol nobele idealen, waarin een begin werd gemaakt met de bevrijding van het individu en de gelijkberechtiging van vrouwen en mensen met een andere kleur of seksuele voorkeur, of dat je van mening bent dat die zogenaamde ‘dekolonisatie van de burger’ slechts heeft geresulteerd in bandeloosheid, egoïsme, nihilisme, culturele vervlakking en existentiële leegte – in beide gevallen is je perceptie het resultaat van enorme oogkleppen en een troebele blik.

Dit althans is de conclusie die zich opdringt na lezing van het vuistdikke boek dat Geert Buelens over dit decennium heeft geschreven. De grote kracht van De jaren zestig is dat Buelens dit decennium niet reduceert tot popmuziek, massaal geloofsafval, democratisering en socialistische idealen. Het beeld dat hij schildert is veel rijker, gevarieerder en complexer, wat komt doordat hij niet alleen beschrijft wat er in West-Europa en de VS gebeurde, maar ook uitgebreid aandacht besteedt aan ontwikkelingen in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Oost-Europa.

Ik moet zeggen dat ik in tijden niet zo’n imponerende Nederlandstalige historische studie heb gelezen als dit boek. Zowel de thematische hoofdstukken als de hoofdstukken die steeds één jaar beschrijven, getuigen van een grondig onderzoek, een enorme eruditie en een vaak zeer verrassende benadering. Doordat Buelens zich niet blindstaart op de westerse landen, kantelt het perspectief op deze jaren vaak. Velen zien de ‘sixties’ als de grote doorbraak van de secularisatie, toen het aantal ongelovigen wereldwijd bijna verdrievoudigde van 6,7 naar 19,2 procent. Buelens wijst er echter op dat die trend zich vervolgens niet doorzette, en het percentage in 2010 zelfs was gedaald tot 11,8 procent. Dat deze ontwikkeling haaks staat op de perceptie van veel hoogopgeleide westerlingen, komt volgens Buelens doordat juist onder de westerse intelligentsia – die politiek, onderwijs en media domineert – het geloofsafval wél heel groot was.

Toch verandert Buelens brede aanpak niets aan het feit dat hier vrijwel iedereen bij ‘de jaren zestig’ denkt aan de ingrijpende culturele en maatschappelijke veranderingen die zich in de westerse samenleving hebben voltrokken tussen pakweg 1965 en het begin van de jaren tachtig, en dat je daar als weldenkende burger iets van moet ‘vinden’. Niettemin lijkt een simpel ‘voor’ of ‘tegen’ mij nogal idioot, vooral als je ziet dat zelfs de felste critici van ‘de jaren zestig’ diepgaand beïnvloed zijn door de ontwikkelingen die toen begonnen. Zo herinner ik me het eerste boekje van Joshua Livestro, waarin deze conservatief woest tekeerging tegen die linkse babyboomers die ons prachtige vaderland naar de rand van de afgrond hadden gedreven. Op de kaft van dit pamflet kijkt hij ons streng aan, maar heeft hij wel de Nederlandse driekleur om zijn ouwelijke krijtstreeppak gewikkeld. [2] Een conservatief van vóór 1965 zou zoiets belachelijks nooit doen, maar sinds Provo vinden blijkbaar ook contrarevolutionairen dat ze ‘ludiek’ moeten doen. Zo had Pim Fortuyn, en heeft ook diens zelfbenoemde erfgenaam Thierry Baudet, veel meer gemeen met Roel van Duyn en Robert Jasper Grootveld, dan met wijlen J.L. Heldring.

Veel van wat er in de jaren zestig en zeventig is veranderd, is de moeite van het verdedigen nog altijd waard. Het idee dat gezag niet vanzelfsprekend is, maar zich moet legitimeren; de gelijkberechtiging van vrouwen en homoseksuelen; de emancipatie van tal van minderheden; de aandacht voor de belevingswereld en specifieke ontwikkeling van kinderen – alleen heel dubieuze types willen dit alles afschaffen. Tegelijkertijd heb ik ook veel begrip voor allerlei oudere intellectuelen die in die jaren grote moeite hadden met de wijze waarop de protestgeneratie alles overhoop schopte. Jacques de Kadt had het over ‘de rebellie der pubers’, [3] en inderdaad kun je zeggen dat de westerse cultuur sindsdien behoorlijk puberaal te noemen is en soms zelfs uitgesproken infantiele trekjes heeft. Er is een obsessie met jeugdigheid, zodat volwassen vrouwen zich soms uitdossen als tienermeisjes, mannen met alle geweld ‘jongensachtig’ willen blijven, en rouwbeklag tot uitdrukking wordt gebracht met knuffelbeesten. Wat oud is staat onder verdenking; je moet vóór alles genieten, plicht en verantwoordelijkheid zijn begrippen die niet aanspreken, we hebben recht op alles, en wel nu meteen. Of zoals Jim Morrison zong: ‘We want the world, and we want it now!’ [4]

Interessanter dan het simpelweg benoemen van de positieve en negatieve aspecten van de veranderingen die zich vanaf de jaren zestig voltrokken, is het volgens mij om te kijken naar de oorzaken van de omwenteling van toen. Een aardige aanzet daartoe las ik een tijdje terug in het eerste deel van de memoires van Johan Goudsblom. Hij beschrijft daarin hoe hij in 1950-1951 een jaar in Amerika studeerde en onder invloed van het werk van Carl Schorske een scriptie schreef over de relatie tussen dystopische romans als die van Huxley en Orwell en de toenmalige tijdgeest. Het probleem zoals dat toen door velen werd gezien, was een ‘samenleving waarin steeds groter en sterker wordende organisaties, gebruikmakend van voortschrijdende wetenschap en techniek, het individuele leven steeds meer insponnen in collectieve verbanden’. [5] Gezien in dit licht was de individualistische revolte van de jaren zestig dus heel begrijpelijk. Het probleem waar we nu echter mee kampen, is dat de sterk geïndividualiseerde burger wel verwacht dat er collectief allerlei dingen geregeld worden, maar dat collectieven tegelijkertijd ten diepste gewantrouwd worden en men steeds minder beseft dat men daar zelf een bijdrage aan moet leveren. Ook de eis dat gezag zichzelf legitimeert is doorgeschoten en ontaard in een fundamentele afkeer van elke autoriteit.

Bij deze weinig opwekkende conclusie wilde ik het voor nu maar laten, vandaar dat ik je van harte groet,

Rob

Lees hier het antwoord van Geerten Waling.


Noten

 1. Noortje Thijssen, De jaren zestig herinnerd. Over gedeelde idealen uit een linkse periode (Amsterdam 2012).
 2. Joshua Livestro, Rechtsspraak (Soesterberg 2004).
 3. J. de Kadt, De politiek der gematigden. Een open wereld voor de jaren zeventig (Amsterdam 1973), 408-470.
 4. The Doors, ‘When the Music’s Over’, van het album Strange Days (1967).
 5. Johan Goudsblom, Geleerd. Memoires 1932-1968 (Amsterdam 2016), 175.