Organiseren voor de toekomst: voorbij het kapitalisme

De economie globaliseert almaar verder en ook de politieke aanwezigheid van extreemrechts valt in steeds meer landen niet te ontkennen. Aan de linkerzijde van het politieke spectrum ontbreekt de organisatie om zich tegen beide tendensen te verzetten. Door vragen van diversiteit en democratie samen te brengen met een utopisch denken houdt Bram Ieven een vurig pleidooi voor een hernieuwde blik op een postkapitalistische toekomst. 


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2019#1

Nick Srnicek en Alex Williams, Inventing the Future: Postcapitalism and a World Without Work (Verso 2016), 272 blz.
Michael Hardt en Antonio Negri, Empire (Harvard University Press 2000), 496 blz.
Michael Hardt en Antonio Negri, Assembly (Oxford University Press 2017), 368 blz.

Op mijn veertiende werd ik politiek actief. Niet dat politiek me daarvoor niet boeide, maar pas toen,  als typische puber, begon ik kritische vragen te stellen, me te ergeren en uiteindelijk te revolteren. Veel van die revolte was niet meer dan puberale dwarsheid, ongerichte ergernis over de stand van zaken. Het was 1994 en de North American Free Trade Agreement (NAFTA), die op 1 januari van dat jaar in werking trad, zou de blauwdruk worden voor menig vrijhandelsakkoord. Exact een jaar later werd de World Trade Organization opgericht. De Verenigde Staten waren het zelfverklaarde zwaartepunt van een nieuwe wereldorde waarin vrijhandel centraal stond.

Ik voelde me geconfronteerd met een wereld die totaal onaantastbaar leek, die zich volkomen zelfgenoegzaam als het einde van de geschiedenis beschouwde. Niet dat er geen veranderingen meer zouden plaatsvinden, maar over de gewenste politieke en economische infrastructuur konden geen grote discussies meer gevoerd worden. De liberale democratie had de strijd gewonnen. Maar de ongelijkheid groeide gestaag, net als de aanhang van semifascistische partijen zoals de FPÖ in Oostenrijk en het Vlaams Blok in België. Het leidde tot de wanhoop en frustratie die de jaren negentig voor mij kenmerken. De nachtelijke escapades om de verkiezingsposters van het Vlaams Blok met zwarte spraypaint te bedekken, de jaarlijks terugkerende protestactie tegen de kernkoppen die op de Amerikaanse luchtmachtbasis in Kleine-Brogel gestald zouden zijn – het waren wanhopige speldenprikken in de tenen van een ontzaglijke reus.

Tegen de tijd dat de jaren negentig ten einde liepen en ik voor mijn studie naar de stad verhuisde, probeerden we op links analyses te maken van ons eigen falen. Er was gebrek aan leiderschap en organisatie, beweerden sommigen. Spijtig genoeg waren die sommigen ook precies degenen die zelf vooral graag leider wilden zijn. En toen was daar plots Seattle. The Battle of Seattle. Op 30 november 1999, tijdens de wereldtop van de World Trade Organization, waarin over verdere vrijhandel werd onderhandeld, legden ruim veertigduizend andersglobalisten de stad plat en maakten ze de conferentie nagenoeg onmogelijk. Omdat de protesten niet centraal gecoördineerd werden, maar door kleine onafhankelijke groepen op non-hiërarchische wijze georganiseerd waren, verrasten zij de ordediensten totaal. Ja, de Verenigde Staten vormden nog steeds het zwaargewicht in een nieuwe neoliberale wereldorde. Nee, de andersglobalistische beweging had die orde niet omvergeworpen. Maar veertigduizend actievoerders hadden zonder overkoepelend leiderschap een stad platgelegd, en daarmee ook voor even het neoliberale project. Gebrek aan leiderschap was niet langer het probleem: kleinschalig links, gericht op radicale gelijkheid, leek te werken.

Een jaar later verscheen het boek Empire (2000) van Michael Hardt en Antonio Negri. Het werd door velen begrepen als de theoretische uitwerking van het leiderloze verzet dat we in Seattle aan het werk hadden gezien. In Empire beweren Hardt en Negri dat de oude wereldorde vervangen is door een nieuw soort ‘empire’, hun naam voor de neoliberale hegemonie. In dat empire zijn er niet een of twee duidelijke machtsblokken meer, zoals tijdens de Koude Oorlog. In plaats daarvan is een gedecentraliseerd, fijnmazig netwerk van machtsverhoudingen tussen staten, multinationals en intergouvernementele organisaties ontstaan. Die machtsverhoudingen zijn volgens Hardt en Negri niet langer in de politieke termen van soevereiniteit en natiestaat te vatten. Samen met de dominante rol van de soevereine natiestaat raakt ook het klassieke begrip van een volk achterhaald. Een nieuw politiek subject verschijnt tegelijkertijd ten tonele: de ‘multitude’ (in het Nederlands vertaald als de menigte), dat een netwerk van arbeiders, migranten, sociale bewegingen en iedere andere vorm van verzet tegen de status quo omvat. Met dit nieuwe begrip proberen Hardt en Negri grip te krijgen op de politieke ontwikkelingen die we sinds de jaren negentig hebben zien ontstaan en die tijdens de protesten in Seattle zo mooi uitgespeeld werden.

De menigte organiseren
Wie vandaag Empire leest, wordt vooral getroffen door de zelfverzekerde toon waarop Hardt en Negri met grote stappen door de geschiedenis van het moderne politieke denken lopen. Hun ideeën zijn innemend, maar ook nogal ambitieus en speculatief. De grootste troef van Empire was dat het verscheen tussen de hoopgevende ‘Battle of Seattle’ en de desastreuze aanslagen op 11 september 2001. In die korte periode was het ambitieuze optimisme van Hardt en Negri overtuigend. Hun optimisme volgt uit het vertrouwen dat de nieuwe neoliberale wereldorde die ze empire noemen meteen ook haar eigen tegenbeweging op de been brengt: de menigte, een antihiërarchische en mondiale tegenbeweging van mensen die om allerlei redenen niet in het systeem van empire passen, maar wel door dat empire geproduceerd worden. Mensen in armoede en zonder werk en mensen die gediscrimineerd worden door raciale en genderongelijkheid structureel in stand wordt gehouden door empire vinden elkaar en vormen een menigte die draait om diversiteit en zich als een zwerm tegen de structuren van empire verzet. De opkomst van die menigte zou het mondiale kapitalisme ten val brengen, hoopten Hardt en Negri in 2000. Maar zo makkelijk gaat dat niet. Sinds 2000 is de ongelijkheid alleen maar toegenomen en juist het organisatorisch vermogen van de menigte schiet zichtbaar tekort.

In de jaren die volgden werd het optimisme van Hardt en Negri dan ook sterk op de proef gesteld. Na 11 september 2001 draaide empire overuren. Het ging zich te buiten aan neokoloniale oorlogen in het Midden-Oosten en Afghanistan. Neoliberaal rechts kwam in volle kracht op. Het vervolg op Empire, getiteld Multitude, verscheen in 2004 en was al minder optimistisch van toon. Tegelijkertijd was het uit politiek oogpunt sterker, omdat Hardt en Negri concreet (maar nog steeds filosofisch) op recente gebeurtenissen reageerden. Dat deden ze in 2009 opnieuw in Commonwealth, waarin de financiële crisis centraal staat. En nu is er Assembly (2017), waarin Negri en Hardt zich laten inspireren door bewegingen als Occupy Wall Street en Black Lives Matter.

In al deze boeken weten de auteurs vast te houden aan hun oorspronkelijke ideeën uit Empire. In de vervolgdelen wordt steeds één aspect uit dat boek verder uitgewerkt. In Multitude wordt het gelijknamige begrip van een non-hiërarchisch collectief beter uitgewerkt, terwijl Commonwealth een veel grondigere analyse van immateriële arbeid maakt (een begrip dat centraal staat in het denken van Hardt en Negri) dan in Empire te lezen valt. Maar één vraag bleef tot nu toe onbeantwoord: hoe ziet het zelforganiserend, non-hiërarchisch vermogen van de menigte er precies uit? Dankzij Occupy Wall Street en de Black Lives Matter-beweging staat de vraag van zelforganisatie weer volop in de aandacht. Met Assembly komen Hardt en Negri dan ook eindelijk op de kwestie van organisatie terug, die in mijn ogen al sinds het begin de drijfveer achter hun boekenreeks is.

In Assembly staat de zelforganiserende menigte nog steeds centraal, en net als in Empire en Multitude plaatsen Hardt en Negri dit begrip tegenover het moderne – en nationalistische – begrip van ‘een volk’. Het probleem met het begrip van een volk is volgens hen dat het uitgaat van een eenheid die nooit in werkelijkheid kan bestaan. Toch is de soevereiniteit en democratische legitimiteit van de moderne natiestaat verankerd in de eenheid van zijn volk. Dat is problematisch, omdat die eenheid eigenlijk een fictie is. Sinds Jean-Jacques Rousseau deze paradox in alle helderheid formuleerde in Du contrat social (1762) heeft menig politiek filosoof zonder succes geprobeerd om hem op te lossen. De meest overtuigende pogingen omarmen het probleem en begrijpen deze paradox als de essentie van de moderne politieke filosofie. Hardt en Negri kiezen een andere aanpak. Zij willen met hun begrip van de menigte juist een alternatief bieden. Want in tegenstelling tot een volk is de menigte juist een ‘radical diversity of subjectivities’, schrijven ze in Assembly. Die diversiteit vindt haar oorsprong in het sociale leven van alledag. Maar, zo stellen Hardt & Negri, het is ook vanuit dat sociale leven dat politieke organisatie ontstaat. In dat opzicht is hun begrip van menigte in Assembly aanzienlijk subtieler uitgewerkt dan in hun vorige boeken. Want de menigte, stellen ze nu, is een sociale, collectieve subjectiviteit die niet vanzelf tot stand komt ‘but instead require[s] a political project to organize’.

Toch grijpen Hardt en Negri steeds weer terug op de dieperliggende politieke metafysica die Empire kenmerkte en sommige politieke denkers zo frustreerde. Ook nu weer beweren ze: ‘The movements themselves are only symptoms of a deeper social reality, embodied in the daily practices and capacities of the multitude, and its circuits of social production and reproduction.’ Wie dus dacht dat de menigte gewoon hetzelfde is als de politieke bewegingen die we de afgelopen jaren zagen ontstaan, heeft het mis. De menigte situeert zich op een meer fundamenteel, maar ook meer alledaags niveau: wij, in onze dagelijkse activiteiten, doordrongen van sociale diversiteit en van kapitalistische uitbuiting, wij zijn de menigte.

Het is geen toeval dat Hardt en Negri zoveel nadruk leggen op de sociale aspecten van ons bestaan. Integendeel, dit is de rode draad door het hele boek en misschien wel de belangrijkste nuance ten opzichte van de vorige boeken (hoewel zeker Multitude hier ook al aandacht aan besteedde). Politieke theorie is er vaak van uitgegaan dat het politieke een autonome sfeer is, die los gezien moet worden van het sociale en het economische. Maar volgens Hardt en Negri moet politieke organisatie juist vanuit het sociale domein ontstaan: ‘We need to root the questions of organization and effectiveness, assembly and decision-making in the social terrain because only there will we find lasting solutions.’ De taak van politiek is volgens Hardt en Negri dan ook om te vertrekken vanuit het sociale, en die banden beter te organiseren.

De vlucht naar voren
Met Assembly hebben Hardt en Negri een boek geschreven dat worstelt met een van de grote vragen van linkse politiek vandaag: hoe ontwikkelen we het vermogen politiek te handelen terwijl de geglobaliseerde wereldorde zo onveranderlijk overkomt? Het geeft te denken dat dit eigenlijk dezelfde vraag is als die zij twintig jaar geleden al stelden, toen ik net politiek actief werd. Dit lijkt te duiden op een impasse, namelijk het onvermogen van links om zich op een effectieve manier te organiseren en tot een collectief politiek handelen te komen. Hardt en Negri erkennen die impasse ten dele, maar blijven ook bijzonder optimistisch. Te optimistisch misschien. Ze komen met terechte vingerwijzingen en prachtige ideeën voor een andere opvatting van de verhouding tussen politiek en de sociale en economische werkelijkheid, maar ze slagen er niet in om tot concrete strategische of tactische voorstellen te komen. In dat opzicht is er nog niets veranderd ten opzichte van Empire.

Juist dit strategische probleem staat centraal in Inventing the Future: Postcapitalism and a World Without Work (2016) van Nick Srnicek en Alex Williams. Net als Hardt en Negri stellen Srnicek en Williams de vraag naar het handelingsvermogen van linkse politieke emancipatiebewegingen. Maar vergeleken met Hardt en Negri is hun oordeel over de erfenis van links sinds de jaren zestig van de vorige eeuw veel strenger.
In Inventing the Future nemen ze op behoorlijk radicale wijze afstand van die erfenis en pleiten ze voor een totaal nieuwe benadering. Daarmee staan ze lijnrecht tegenover het denken van Hardt en Negri. Waar Hardt en Negri met hun aandacht voor de menigte de nadruk leggen op antihiërarchisch en lokaal activisme, is Inventing the Future juist een kritiek op dit soort verzet, dat zij folk politics noemen. Omdat deze vorm van politieke strijd steeds bij het lokale wil blijven en alleen gelijkwaardige structuren duldt, is ze niet opgewassen tegen het geglobaliseerde en ongelijke kapitalisme van vandaag: ‘Horizontalism, localism, nostalgia, resistance and withdrawal all embody, to greater or lesser degrees, folk-political intuitions about how to do politics. And they all remain inadequate for the task of transforming capitalism.’ Directe democratie en directe actie zijn niet in staat om een alternatief voor geglobaliseerd kapitalisme uit te werken. Niet alleen omdat zulk activisme geen langetermijnvisie heeft, maar ook omdat het niet in staat is om hetzelfde niveau van abstractie te bereiken waarop de neoliberale wereldorde draait.
Meer zelfs, stellen Srnicek en Williams: onder nostalgisch en kleinschalig links bestaat een weerzin tegen abstractie en grootschaligheid, die als herkomst van moderne maatschappelijke problemen worden begrepen. Srnicek en Williams keren de verhoudingen om: Inventing the Future is niet enkel een kritiek op kleinschalig links, maar bovenal een poging om een nieuwe vorm van radicaal links uit te werken waarin abstractie, grootschaligheid en de vlucht naar voren omarmd worden.

Links moet volgens Srnicek en Williams weer groot durven denken. Zij pleiten voor een koerswijziging van de kleinschaligheid en het gelijkheidscommunitarisme van de jaren zestig naar hernieuwd utopisch denken. Utopieën mogen dan fictief zijn, ze zorgen er wel voor dat we ons op de toekomst richten: ‘Utopian thought recognizes that the future is radically open.’ Daarmee bieden ze weerwerk tegen een van de grootste gevaren voor linkse politiek vandaag: capitalist realism. Die term komt van de in 2017 overleden Britse essayist Mark Fisher en wordt door Srnicek en Williams gretig ingezet om een wezenlijk probleem te identificeren: het onvermogen op links om een toekomst buiten het kapitalisme voor te stellen. Volgens Srnicek en Williams kan juist dat gedaan worden door ons weer actief toe te leggen op het uitwerken van utopische, postkapitalistische toekomstscenario’s.

Maar Srnicek en Williams snappen heel goed dat het voeden van onze politieke verbeeldingsvermogens niet voldoende is. Daarom moet links volgens hen opnieuw een ‘sociotechnische hegemonie’ verwerven. Daarmee bedoelen ze dat links niet enkel de theorie, maar vooral ook de materiële infrastructuur moet aanleveren die verzet tegen het kapitalisme mogelijk maakt. Links moet pal staan voor technologische vernieuwing en de volledige automatisering van het productieproces, om werknemers vrij te stellen voor politieke activiteit. En net zoals de neoliberale economen in de jaren vijftig van de vorige eeuw de economische theorie uitwerkten die vanaf de jaren zeventig door neoliberaal rechts geïmplementeerd zou worden, zo moet ook links zich volgens Srnicek en Williams gecoördineerd toeleggen op de ontwikkeling van een economische theorie en praktijk die de transitie naar een postkapitalistische economie mogelijk zal maken. Alleen een dergelijke duidelijk georganiseerde vlucht naar voren zal links het handelings- en organisatievermogen opleveren om echt iets te kunnen bereiken.

Utopische gelijkheid durven denken
Srnicek en Williams’ pleidooi voor utopisch denken is bijzonder verfrissend. Dankzij een bepaalde mate van utopisch denken wordt verandering voorstelbaar. Natuurlijk moet dergelijk utopisch denken goed ingekaderd worden. Er moeten bereikbare doelen worden gesteld. Srnicek en Williams pleiten naast volledige automatisering onder meer voor een universeel basisinkomen. Een onvoorwaardelijk basisinkomen zou handelingsvrijheid op moeten leveren, mensen in staat moeten stellen om zich met andere zaken dan alleen werk bezig te houden – zoals met politieke organisatie.

Toch is het nog maar de vraag of de harde kritiek van Srnicek en Williams op kleinschalig links niet meer kapotmaakt dan ze oplevert. Hardt en Negri blijven uiteindelijk heen draaien om het schijnbaar onoplosbare vraagstuk hoe de menigte zich kan organiseren vanuit haar diversiteit (van ras, van gender, van lichaam en van klasse). En ondertussen gaat het kapitalisme, hersteld van de economische crisis, zijn zoveelste roofzuchtige cyclus in, nu met racistisch populistisch rechts als nevenschade. De wanhoop van Srnicek en Williams is in dat opzicht begrijpelijk. Het blijkt vaak moeilijk voor die radicaal diverse beweging om focus te vinden en slagkracht te ontwikkelen. Maar Srnicek en Williams’ riskeren met hun alternatieve benadering de diversiteit en antihiërarchische uitgangspunten van links overboord te gooien.

Daarin staan ze overigens niet alleen. Op links klinken er geregeld stemmen die suggereren dat de strijd tegen racisme en genderongelijkheid niet aan de kern van het antikapitalisme raakt. Sterker nog, dergelijke kwesties zouden onze aandacht enkel afleiden van het werkelijke probleem – de economie, klassenongelijkheid – en de werkelijke strijd – tegen het kapitalisme. Dat is een misvatting, of misschien nog erger, een halve waarheid. Srnicek en Williams hebben gelijk om op te roepen tot het uitwerken van een alternatieve economie en het vol inzetten op technologische vernieuwing. Het zijn de basiselementen voor een postkapitalistische wereld. Maar dat is zinloos zonder een gelijkheidsdenken dat diversiteit als uitgangspunt heeft. Diversiteit is de uiteindelijke basis voor werkelijke democratische gelijkheid. En juist die gelijkheid wordt door de huidige neoliberale orde voortdurend hardhandig kapotgemaakt, onder meer door racisme en genderongelijkheid aan te wakkeren. Terwijl Srnicek en Williams zich de vraag stellen hoe we voorbij het kapitalisme kunnen gaan, stellen Hardt en Negri zich de vraag hoe we tot een werkelijke democratie kunnen komen. Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille.

Het is onzin om te beweren dat we het oplaaiende racisme en de terugkerende genderongelijkheid moeten negeren om ons toe te leggen op de strijd tegen het kapitalisme. Begrijpen hoe de neoliberale wereldorde voortdurend ongelijkheid produceert, is begrijpen dat het kapitalisme racisme en genderongelijkheid gebruikt om de aandacht af te leiden van de eigen roofzucht. Een werkelijke kritiek op die roofzucht, een werkelijk democratisch denken, neemt dat mee en zet juist daarom vol in op de strijd tegen racisme en genderongelijkheid. Dat klinkt misschien utopisch, en dat is prima. Want utopisch denken hebben we niet alleen nodig om een postkapitalistische toekomst uit te werken, zoals Srnicek en Williams stellen, maar ook om een werkelijke, democratische gelijkheid mogelijk te maken.