Advertentie
ad

De fatale groei van ongelijkheid: conjunctuur of constante?

‘De sterkste schouders betalen relatief minder belasting dan mensen met lage inkomens,’ meldt het CPB in maart 2022.

Besproken boeken

Sinds de financiële crisis van 2007 en de publicatie van Piketty’s Kapitaal in de 21e eeuw staat economische ongelijkheid weer stevig op de politieke agenda. Nico Wilterdink bespreekt twee titels die Piketty’s project nog verder doortrekken en de conjunctuur en toename van ongelijkheid over een veel grotere historische tijdsspanne inzichtelijk maken. Hoe somber is de conclusie die we daaruit moeten trekken? 

Visies op het verleden veranderen onder invloed van actuele ervaringen. Dat moge bijvoorbeeld blijken uit de veranderende kijk op de ontwikkeling van sociaaleconomische ongelijkheid. Nog niet zo lang geleden domineerde onder economen, sociologen en historici de gedachte dat er in westerse samenlevingen sprake was van een historisch diep geworteld langetermijnproces van verkleining van klassenverschillen en nivellering van levenscondities, dat zich in de toekomst verder zou voortzetten. Tegen het einde van de vorige eeuw kwamen er echter steeds meer aanwijzingen dat de economische ongelijkheid juist aan het toenemen was. Steeds duidelijker werd ook dat dit geen tijdelijke fluctuatie was, maar een ‘structurele’ beweging van denivellering die zich in bijna alle landen ter wereld voordeed, en zich bij alle wisselingen van politieke en economische conjunctuur doorzette. Met deze constateringen veranderde ook het beeld van het verleden. Het optimistische idee dat modernisering een steeds gelijkmatiger verdeling van een groeiende welvaart met zich meebrengt werd langzaamaan losgelaten. In zijn bestseller Kapitaal in de 21ste eeuw betoogde de econoom Thomas Piketty enkele jaren geleden dat veranderingen in de richting van meer gelijkheid zich slechts tot enkele uitzonderlijke perioden in de geschiedenis beperken. Normaal gesproken is er eerder sprake van een wetmatige toename van ongelijkheid.

The Great Leveler van de Oostenrijks-Amerikaanse historicus Walter Scheidel en De onzichtbare hand van zijn Nederlandse collega Bas van Bavel liggen in diezelfde lijn, en zijn minstens zo ambitieus en breed van opzet als het werk van Piketty, dat zich voornamelijk richtte op veranderingen sinds de negentiende eeuw. Scheidel en Van Bavel gaan veel verder terug in de tijd en putten uit een veel rijker arsenaal aan historische bronnen. Beide auteurs ontwikkelen heel verschillende theorieën, die echter uitmonden in eenzelfde fatalistische conclusie: verdere toename van ongelijkheid is vrijwel onvermijdelijk.

De ‘Great Leveler’

Vooral het boek van Scheidel onderscheidt zich door zijn enorme reikwijdte. Het bestrijkt de geschiedenis van de hele mensheid, van het stenen tijdperk tot de eenentwintigste eeuw, en presenteert gegevens over materiële ongelijkheid in de meest uiteenlopende samenlevingen, zoals die in het Akkadische koninkrijk van meer dan vierduizend jaar geleden, Athene in de vierde eeuw v.Chr., China tijdens de Han-dynastie, West-Europa in de late Middeleeuwen en Japan in de periode 1910-2010. Ondanks de grote verschillen tussen al die samenlevingen voldoen ze volgens Scheidel aan één wetmatigheid: in tijden van relatieve rust en orde neemt de materiële ongelijkheid toe tot dichtbij de grens van het maximaal mogelijke. De ‘Great Disequalization’ begint bij de overgang naar landbouw en veeteelt, zo’n elfduizend jaar geleden, wanneer kleine, homogene en betrekkelijk egalitaire groepen jagers-verzamelaars langzamerhand veranderen in veel grotere en (ook naar bezit en inkomen) meer gedifferentieerde agrarische samenlevingen. Een volgende grote stap in deze ontwikkeling begint omstreeks zesduizend jaar later, wanneer zich de eerste staten vormen: regimes gebaseerd op geweld, waarin heersers de werkende bevolking exploiteren. Deze tendens van groeiende ongelijkheid voert Scheidel voornamelijk terug op twee fundamentele processen: enerzijds de groei van productiecapaciteit, waardoor in toenemende mate een surplus boven het bestaansminimum wordt voortgebracht dat vervolgens kan worden afgeroomd, en anderzijds de selectieve accumulatie van voordelen langs familielijnen, onder andere via de erving van bezit.

In zijn beschrijving van deze zich over vele millennia uitstrekkende ontwikkeling volgt Scheidel overigens in grote lijnen een gangbare interpretatie van de geschiedenis, zoals die bijvoorbeeld is te vinden bij de socioloog Gerhard Lenski in zijn boek Power and Privilege: A Theory of Social Stratification uit 1966: verbreiding van de landbouw en de daaropvolgende staatsvorming brachten toenemende stratificatie met zich mee. Hoe groter en complexer de samenleving, des te scherper de ongelijkheid. Maar volgens Lenski, en met hem vele anderen, veranderde dat met de modernisering vanaf ongeveer 1800: industrialisering, welvaartsgroei, politieke democratisering, bureaucratisering, uitbreiding van het onderwijs en toenemende mobiliteit leidden, aanvankelijk in West-Europa en later in andere gebieden, na verloop van tijd tot vermindering van sociaaleconomische ongelijkheid. Op dit punt wijkt Scheidel dus af van dergelijke tot voor kort gebruikelijke interpretaties. Moderniseringsprocessen verhinderden volgens hem niet dat in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de materiële ongelijkheid verder toenam. Volgens een overzichtelijke grafiek van ‘ongelijkheidstrends in Europa op de lange termijn’ (p. 87) lag de ongelijkheid rond 1900 zelfs hoger dan aan het begin van de christelijke jaartelling, toen het Romeinse Rijk zijn grootste macht bereikte.

Diezelfde grafiek geeft ook aan dat de toename van ongelijkheid geen rechtlijnige ontwikkeling is. De langetermijntrend van toenemende ongelijkheid, in Europa en elders in de wereld, werd van tijd tot tijd onderbroken en tijdelijk teruggedraaid door vier soorten schokkende gebeurtenissen: massale, ‘totale’ oorlogen (zoals de beide wereldoorlogen), radicale, gewelddadige revoluties (zoals de communistische omwentelingen in Rusland en China), de ineenstorting van staatsgezag (zoals de val van het Romeinse Rijk), en pandemieën (zoals de Zwarte Dood in Europa in de veertiende eeuw). Deze vier Ruiters van de Apocalyps, zoals Scheidel ze noemt, bewerkstelligden tijdelijk een aanzienlijke nivellering van levensomstandigheden altijd ten koste van enorme aantallen slachtoffers. De Great Leveler is een dood en verderf zaaiende kracht. Scheidel beschrijft dat indringend in vier hoofdstukken, die de kern van zijn boek vormen.

Het eerste en langste van deze hoofdstukken is gewijd aan oorlog, en daarbinnen gaat de meeste aandacht uit naar de twee wereldoorlogen van de twintigste eeuw. Anders dan de meeste eerdere oorlogen waren dit ‘totale’ oorlogen waar de hele bevolking van de deelnemende natiestaten bij betrokken was. Hoge, progressieve belastingen moesten de kosten van militaire mobilisatie en bewapening opbrengen, voedselschaarste werd bestreden door de invoering van een distributiesysteem, en de grote vraag naar arbeidskrachten voor de oorlogsindustrie dreef de lonen op. Daartegenover werd fysiek kapitaal vernietigd en daalden de rendementen voor kapitaalbezitters. De oorlogen versterkten bovendien gevoelens van nationale solidariteit, waarmee ze de geesten rijp maakten voor de verzorgingsstaat zoals die na de Tweede Wereldoorlog gestalte kreeg. Het resultaat van dit alles was de Great Compression van de twintigste eeuw, een sterke daling van de inkomens- en vermogensongelijkheid binnen Westerse natiestaten, die in 1914 begon en rond 1975 eindigde, toen het effect van de oorlog was uitgewerkt en de langetermijntrend van toename van ongelijkheid zich hernam.

Spreken de cijfers wel voor zich?

Scheidel beschrijft dit allemaal aan de hand van een indrukwekkende hoeveelheid kwantitatieve gegevens, getallen die de mate van bezits- en inkomensongelijkheid en veranderingen daarin nauwkeurig weergeven. Dat geeft zijn betoog een dwingende overtuigingskracht, maar tegelijk liggen hier problemen. Hij wijst er zelf op dat voor de meeste samenlevingen in het verleden de beschikbare gegevens tekort schieten, zodat gewerkt moet worden met guesstimates, schattingen die deels op giswerk berusten. Maar de meer principiële vraag, die hij niet duidelijk aan de orde stelt, is wat zulke kwantitatieve schattingen eigenlijk zeggen over de mate van economische ongelijkheid. Wat betekent bijvoorbeeld de ‘mate van inkomensongelijkheid’ in een samenleving als het Romeinse Rijk, waar een groot deel van de werkende bevolking, de slaven, helemaal geen eigen inkomen had? En laat die gemeten ongelijkheid zich dan zinvol vergelijken met de mate van inkomensongelijkheid in een moderne kapitalistische samenleving als bijvoorbeeld de Britse rond 1900?

Ook de cijfers over moderne samenlevingen, waarvoor veel meer en veel preciezere gegevens beschikbaar zijn, roepen vragen op. Verschillende schattingen spreken elkaar soms tegen. Scheidel laat dat bijvoorbeeld zien voor Groot-Brittannië in de periode 1850-1914: sommige cijfers wijzen op een zekere vermindering van de inkomensongelijkheid, andere op stabiliteit. De laatste acht hij adequater, wat steun geeft aan zijn stelling dat ook in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de ongelijkheid in Europa verder toenam of tenminste stabiel bleef. Maar afgezien van een mogelijke bias in de bespreking van de cijfers, moet worden opgemerkt dat Scheidel geen rekening houdt met veranderingen in de materiële levenscondities die niet in inkomens- en vermogenscijfers zijn uitgedrukt. Na 1850 stegen in Engeland en op het West-Europese continent niet alleen de reële lonen van arbeiders, maar verbeterden hun omstandigheden ook in andere opzichten: in arbeidstijden en arbeidscondities, sanitaire voorzieningen en medische zorg, huisvesting en materiële zekerheid. Het is lastig dit allemaal te verdisconteren in kwantitatieve schattingen, maar als dat zou worden gedaan, zou de uitkomst waarschijnlijk zijn dat in het geheel genomen de economische ongelijkheid in West-Europa ook in periode 1850-1914 al neigde naar afname. Dat correspondeert met politieke en culturele veranderingen die erop wijzen dat de machtsverschillen tussen sociale klassen kleiner werden: de versterking van parlementaire macht en uitbreiding van het kiesrecht, de oprichting en groei van politieke massapartijen, de vorming en toenemende macht van vakbonden, de erkenning vanuit diverse ideologische invalshoeken van ‘de sociale kwestie’ als centraal maatschappelijk vraagstuk. Deze democratiseringstendens had niet alleen te maken met grootschalige industrialisatie en verstedelijking, maar ook met de verheviging van de concurrentiestrijd tussen nationale staten – economisch, militair, cultureel , die uitmondde in de Eerste Wereldoorlog. Zo bezien versterkte en versnelde die oorlog processen die al langer gaande waren.

Scheidels stelling dat de Great Compression van de twintigste eeuw uitsluitend als het effect van de wereldoorlogen moet worden begrepen, lijkt mij dan ook moeilijk houdbaar. Opmerkelijk genoeg leek de auteur dit zelf te onderschrijven in een interview met NRC Handelsblad. Op de vraag ‘Overschat u niet het effect van de Eerste Wereldoorlog?’ antwoordde hij: ‘Mijn punt is niet dat door de oorlog dingen gebeurden die anders niet gebeurd zouden zijn. Het gaat me erom dat de oorlog dingen versnelde die al aan het veranderen waren. Er waren aan het eind van de 19de eeuw al vakbonden, er waren inderdaad pensioenregelingen en zo meer (…). De oorlog concentreert, versnelt de dingen.’ (NRC Handelsblad, 29 april 2018). Heel juist, maar zo staat het niet in zijn boek.

De exclusieve koppeling van de twintigste-eeuwse nivellering aan de wereldoorlogen is ook problematisch in het licht van wat er daarna gebeurde. De verdere vermindering van inkomens- en vermogensverschillen in de eerste dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog zou nog verklaard kunnen worden als een na-ijleffect van de oorlog, maar moeilijk te begrijpen is waarom dat dan zo lang doorwerkte en de omslag naar denivellering juist eind jaren zeventig begon. Scheidel voert, enigszins ad hoc, als factor de oorlogsdreiging op die na de Tweede Wereldoorlog uitging van de Sovjet-Unie, maar ook die verklaart onvoldoende: de omslag naar groeiende ongelijkheid vond plaats vóór de ontbinding van het Sovjet-blok en begon in een tijd dat die dreiging juist weer sterker werd of althans als sterker werd gevoeld, met de Russische inval in Afghanistan in 1979 en de installatie van op Europa gerichte kernraketten drie jaar eerder. Ook blijft onverklaard waarom zowel de mate van nivellering als de mate van daaropvolgende denivellering zo sterk per land verschilde. Vanwaar bijvoorbeeld de relatief sterke egalisering in Zweden, een land dat buiten de Tweede Wereldoorlog was gebleven? Er moeten meer, en andere krachten in het spel zijn bij de omslag naar toenemende ongelijkheid in het laatste kwart van de vorige eeuw.

Cyclische veranderingen

Een andere, wellicht betere verklaring daarvoor biedt Bas van Bavel in De onzichtbare hand (2018), de Nederlandse vertaling en enigszins gepopulariseerde bewerking van The Invisible Hand?. De oorspronkelijke editie verscheen twee jaar eerder bij Oxford University Press, met talrijke voetnoten die in de Nederlandse versie helaas zijn geschrapt. Net als Scheidel zoekt Van Bavel verklaringen in een algemene historische wetmatigheid die teruggaat tot een ver verleden. Maar anders dan Scheidel vindt hij die in een cyclische beweging, die al wordt aangeduid in de ondertitel van het boek: Hoe markteconomieën opkomen en neergaan. De auteur spreekt dus niet van ‘de markteconomie’, die naar een gangbare opvatting na de Middeleeuwen in Europa zou zijn ontstaan en zich vervolgens onstuitbaar over de wereld zou hebben verbreid, maar van ‘markteconomieën’ in het meervoud: een type economische orde dat in verschillende tijden en op verschillende plaatsen, zoals mogelijk al rond 2000 v.Chr. in Babylonië, opkwam en weer ten onder ging.

Een markteconomie is in Van Bavels definitie een economisch stelsel waarin niet alleen geproduceerde goederen en diensten maar ook de productiefactoren grond, kapitaal en arbeid voornamelijk via de markt worden uitgewisseld en toegewezen. Grond is verhandelbaar, kapitaal wisselt regelmatig van eigenaar, arbeid neemt vooral de vorm aan van een vrij overeengekomen dienstbetrekking tegen loon. Zo’n markteconomie ontstaat onder betrekkelijk egalitaire condities, die vaak het resultaat zijn van geslaagde opstanden tegen gevestigde machten. In een opkomende markteconomie bevrijden mensen zich van traditionele dwangstructuren (zoals horigheid), groeien handel en productie, en krijgt de grote meerderheid van de bevolking het beter. Maar met de toenemende grootschaligheid van handel en ondernemerschap vallen de voordelen van de economische groei steeds exclusiever toe aan een kleine, rijker wordende bovenlaag. In deze toenemende ongelijkheid liggen de kiemen besloten van de neergang die onherroepelijk volgt. Om de verworven rijkdom veilig te stellen gaat de nieuwe marktelite steeds minder in de ‘reële’ economie investeren, zich steeds meer toeleggen op financiële activiteiten, zoals belegging en handel in rentegevende waardepapieren, en zich meester maken van de staatsmacht om die ten eigen bate aan te wenden. Zo ondermijnt de economische elite dezelfde markteconomie die haar tot rijkdom heeft gebracht. Daardoor dalen uiteindelijk de productie en het gemiddelde inkomen, stijgt de inkomens- en bezitsongelijkheid tot grote hoogten, en vindt massale verarming plaats.

Van Bavel beschrijft en specificeert deze fatale cyclus aan de hand van ontwikkelingen in drie pre-industriële samenlevingen: Irak tussen 500 en 1100, de stadstaten van Midden- en Noord-Italië tussen 1000 en 1600, en de Nederlanden in de periode 1100-1800. Op basis van een veelheid van historische bronnen laat hij uitvoerig en overtuigend zien hoe in elk van deze drie gevallen na een periode van economische opgang en bloei een proces van neergang inzette. Hoe bijvoorbeeld in Irak het verval al spoedig begon na het bewind van de kalief Haroen al-Rashid (ca. 786-809), hoe in een stad als Florence tijdens de Renaissance (vijftiende en zestiende eeuw) de bloei van de kunsten samenging met een enorme concentratie van rijkdom en politieke macht die verarming van grote delen van de bevolking betekende, en hoe ook tijdens de economische en culturele bloei in de Nederlandse Gouden Eeuw de inkomens- en bezitsverschillen al dramatisch toenamen. Kern van de dynamiek is steeds dat de markteconomie toenemende materiële en, in het verlengde daarvan, politieke ongelijkheid genereert die negatieve gevolgen heeft voor de meerderheid van de bevolking (verarming, proletarisering, verlies van vrijheid) en uiteindelijk voor de economie als geheel (zoals bijvoorbeeld afgemeten aan het bbp per hoofd). De kapitalisten zelf zijn de doodgravers van het kapitalisme, zou Van Bavel Marx na kunnen zeggen.

Hoe goed Van Bavel deze dynamiek in zijn beschrijving van de drie casussen ook zichtbaar weet te maken, de vraag is toch of ze in één model te vatten zijn. Vooral de fase van ‘neergang’ roept vragen op. Van Bavel definieert nergens wat hij daar precies onder verstaat, maar impliciet verwijst hij naar drie samenhangende ontwikkelingen: (1) aantasting van de principes van de markteconomie doordat de elite steeds meer monopolistische macht naar zich toetrekt; (2) algehele daling van de productie; en (3) verdere verscherping van de ongelijkheid, waardoor in combinatie met de tweede ontwikkeling het levenspeil van de meerderheid van de bevolking daalt. Afgemeten aan deze drie criteria, varieert de aard en mate van neergang in de drie onderzochte gevallen sterk. Die is het meest dramatisch in het geval van Irak vanaf de tiende eeuw, waar slavernij weer op grote schaal werd ingevoerd en ontvolking en verwoestende invasies plaatsvonden. De neergang is minder hevig in Italië in de zestiende en zeventiende eeuw, en het minst evident voor Nederland in de periode 1650-1800. In de Nederlandse geschiedenis staat de achttiende eeuw bekend als een periode van verval, maar economisch-historisch onderzoek bevestigt dat beeld niet in alle opzichten. Zo stellen de historici Jan Luiten van Zanden en Bas van Leeuwen vast dat er in de provincie Holland sprake was van een ‘voortgezette toename van het bbp per hoofd in de achttiende eeuw, in het bijzonder in de tweede helft daarvan’. (*) Daarnaast doet zich de vraag voor hoe de politieke woelingen van die tijd speciaal de rebellie van de patriotten, die leidde tot de Bataafse Revolutie van 1795 in dit kader te begrijpen zijn. Vormde deze politieke omwenteling misschien de aanzet tot het begin van een nieuwe cyclus? Van Bavel zegt hier niets over. Meer in het algemeen blijft in het boek onduidelijk wanneer en hoe een cyclus ten einde loopt, en wat daar op volgt of zou kunnen volgen.  

Profeet van de ondergang

Maar de belangrijkste vraag is of dit model algemeen geldig is, en of het dan ook de groei van ongelijkheid in de laatste decennia kan verklaren. Van Bavel stelt uitdrukkelijk dat dit het geval is. Het is deze actuele politieke lading die in de niet-specialistische media de meeste aandacht heeft gekregen – Van Bavel profeteert, als een nieuwe Marx, de (vermeende) ondergang van de bestaande markteconomie, zij het dat hij geen perspectief biedt op een ander en beter stelsel dat daar op zou volgen. In het boek zet hij zijn claim kracht bij in een hoofdstuk getiteld ‘Markten in moderne staten. Engeland, de Verenigde Staten en West-Europa 1500-2000’. Gezien de breedheid van de hier in 64 bladzijden besproken ontwikkelingen kan van een serieuze toetsing van de theorie geen sprake zijn, en Van Bavel lijkt dat ook niet te pretenderen. (‘Epiloog’ heette dat hoofdstuk in de oorspronkelijke Engelse uitgave dan ook, maar die term is in de Nederlandse versie weggelaten.) Wat de auteur wel wil laten zien is dat zijn model bruikbaar is voor het begrijpen en verklaren van een reeks ontwikkelingen tot in deze tijd. Daarin slaagt hij wat mij betreft slechts ten dele. Zo interpreteert hij de ontwikkelingen in Engeland na 1800 als passend in de laatste fase van de cyclus, die van neergang. Dat is vreemd, want juist toen kwam door de industriële revolutie de groei van de productie in een ongekende versnelling. Bovendien stegen vanaf ongeveer 1860 de reële lonen van de Britse arbeiders aanzienlijk, en verbeterde hun positie ook in andere opzichten, zoals Van Bavel zelf (in tegenstelling tot Scheidel) duidelijk aangeeft. Die absolute en relatieve verbeteringen verklaart hij vooral uit ‘de toenemende zelforganisatie van de arbeiders en de dreiging van revolutie’ – wat volgens zijn historische analyses eveneens eerder bij het begin van de cyclus dan bij de laatste fase zou passen – en ‘de invloed van de nieuwe cyclus die van start ging bij de West-Europese buurlanden’. Dat laatste komt uit de lucht vallen en wordt nauwelijks toegelicht. Zo ook wordt de daling van de inkomensongelijkheid in de Verenigde Staten in en rond de jaren veertig van de twintigste eeuw buiten het model gehouden, door deze, in de lijn van Piketty en Scheidel, te zien als niet meer dan ‘een intermezzo’ teweeggebracht door de schokken van de Grote Depressie en de Tweede Wereldoorlog.

De groei van ongelijkheid sinds de jaren zeventig en tachtig interpreteert Van Bavel als een primair Amerikaans fenomeen, dat voortvloeit uit het feit dat de Verenigde Staten de fase van economische neergang zijn ingegaan. Hij wijst op parallellen met de neergangsfase in de onderzochte historische cycli: uitbreiding van de financiële activiteiten ten koste van productieve investeringen, afname van de economische groei, toenemende verstrengeling van particuliere rijkdom en politieke macht, verscherping van ongelijkheid met als gevolg verarming van delen van de bevolking. Het grote verschil met de pre-industriële cycli is, aldus Van Bavel, de enorm toegenomen schaal waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden. De dominantie die de VS in de twintigste eeuw opbouwde, houdt in dat West-Europa inmiddels is opgenomen in de Amerikaanse cyclus, en door de Amerikaanse neergang wordt meegesleurd. De toename van de ongelijkheid hier is een afgeleide van de ontwikkelingen aan de andere kant van de Oceaan.

Dat lijkt al te fatalistisch. Natuurlijk drukt Amerika sinds 1945 een zwaar stempel op Europese ontwikkelingen, maar dat wil niet zeggen dat het die dicteert. Dat blijkt alleen al uit het feit dat de toename van economische ongelijkheid in de afgelopen decennia hier veel gematigder is dan in de Verenigde Staten, en nog altijd binnen de perken wordt gehouden door een uitgebreid stelsel van sociale zekerheid. Bovendien, en dat is principiëler, kan niet zonder meer van een neergang van de Amerikaanse markteconomie worden gesproken. Nog altijd vertoont die economie inkomensgroei, al is die trager dan voorheen en komt die vooral een bovenlaag ten goede. Ook biedt deze economie nog altijd tal van kansen aan nieuwe ondernemers, en ruimte voor technologische innovatie die onvergelijkelijk veel sneller is dan in enige pre-industriële samenleving. Alleen al dat laatste gegeven maakt de vergelijking met pre-industriële cycli kwestieus.

De ‘neergang’ van Amerika en van het Westen in het algemeen is een relatieve neergang: een verlies van macht en rijkdom ten opzichte van niet-westerse landen. Op economisch gebied manifesteert zich dat in het feit dat de groei van productie en welvaart (afgemeten aan het bnp per hoofd) in Amerika en Europa de laatste decennia achterblijft bij de gemiddelde groei in niet-Westerse landen. Daardoor verkleint zich de kloof tussen arme en rijke landen en neemt grosso modo de ongelijkheid op wereldniveau af – een ontwikkeling die uit egalitaristisch oogpunt alleen maar kan worden toegejuicht.

Mondiale (on)gelijkheid

Hiermee is tevens aangegeven wat in beide hier besproken boeken ontbreekt: een internationaal of mondiaal perspectief. Beide auteurs beperken zich tot de economische ongelijkheid binnen territoriaal omlijnde samenlevingen. Het beeld van de ontwikkeling kantelt als ook de verschillen tussen landen en regio’s in beschouwing worden genomen. De nivellering binnen westerse landen in de twintigste eeuw ging samen met een enorm groeiende welvaartskloof tussen die landen en de arme, ‘onderontwikkelde’ gebieden in de wereld. Rond 1980 was de mondiale inkomensongelijkheid groter dan ooit. Waar de westerse landen rijker werden en de verschillen binnen die landen kleiner, ontwikkelde de meerderheid van de bevolking van die landen zich na de Tweede Wereldoorlog langzamerhand tot een soort mondiale economische bovenlaag, in inkomens- en consumptieniveau ver uittorenend boven de meerderheid van de bevolking in andere delen van de wereld. Dat is tot op zekere hoogte nog steeds zo, maar de tendens sinds het laatste kwart van de twintigste eeuw loopt in tegengestelde richting: relatieve achteruitgang van rijke westerse landen, en groei van de ongelijkheid daarbinnen. Globalisering (een term die bij Scheidel pas aan het eind van zijn boek opduikt en bij Van Bavel slechts één keer) vormt een verklaringsgrond voor beide trends.

Met hun ambitieuze en veelomvattende historische studies hebben Scheidel en Van Bavel elk een uitdagende bijdrage geleverd aan de debatten over economische ongelijkheid. Beide auteurs geven, op een heel verschillende manier, belangrijke inzichten in historische ontwikkelingen op dit gebied. Terecht nemen ze daarbij radicaal afstand van de oude gedachte dat modernisering toenemende gelijkheid impliceert. Maar daarmee is het omgekeerde van die stelling nog niet aangetoond. Beiden laten onbedoeld zien dat het moeilijk is aan de geschiedenis algemene wetmatigheden te ontlenen die onverkort op actuele ontwikkelingen toepasbaar zijn. En dat is, gezien hun sombere toekomstverwachtingen, maar goed ook.

 (*) Jan Luiten van Zanden en Bas van Leeuwen, ‘Persistent but not consistent: The growth of national income in Holland 1347-1807’, Explorations in Economic History 49 (2012), pp. 119-130, cit. p. 123.