Enkele gedachten over ballingschap
🖋 Kerem Eksen


Terwijl duizenden Turkse academici, journalisten en schrijvers de gevangenis ingingen of hun land ontvluchtten, verbleef wetenschapper en schrijver Kerem Eksen een jaar in Brussel – niet als vluchteling maar voor een onderzoeks- en schrijfverblijf. Het vooruitzicht terug te keren nodigde uit tot een bredere bespiegeling over ballingschap.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2019#3

Daar ben je dan: in een vreedzame Europese stad, mijlenver van het politieke tumult in je land, en de tragedies waardoor het dagelijks wordt geteisterd. Je bent nog geen banneling, nog niet tenminste. Niet als het betekent dat je gedwongen van huis bent, en als je terugkeer zou betekenen dat je een hoge prijs betaalt. Toch blijf je, in het jaar dat je verblijft in Noord-Europa (met name in Brussel), nadenken over wie nu precies een banneling is. Dat is bijna onvermijdelijk. Het autoritaire regime in je land brengt ieder jaar duizenden ballingen voort en jij bent een aangewezen kandidaat voor zo’n positie. Je begeeft je in een soort vagevuur, ergens tussen ‘hier’ en ‘daar’.

Zo heb je dus heel persoonlijke redenen om de oude vraag te stellen of ballingschap voor een schrijver een zegen is of een vloek, of misschien wel allebei. En aangezien je je in een soort vagevuur begeeft, stel je de vraag ook andersom: is je terugkeer een zegen of een vloek? Of allebei? Want daar ben je dan: in de tuin van de gevorkte paden. Je probeert uit te vinden of één van de opties beter is dan de andere, met andere woorden: waar precies de zegen zit en waar de vloek. Maar een ding is zeker: je bent op onbekend terrein. Daar probeer je een weg te vinden in de onzekerheid die zich als een deken heeft uitgespreid over je toekomst – de toekomst van de hele wereld.

Om de onzekerheid een beetje te verdrijven, probeer je haar minder bedreigend te maken. Je blijft concrete vragen stellen. Over je land, over de toekomst: waar zal je land over zes maanden zijn? Over een jaar? Over vijf jaar? Je blijft de Turkse kranten lezen, of liever: het handjevol webpagina’s die de functies van de kranten proberen te vervullen. Je doet het niet alleen om bij te blijven, maar ook op zoek naar signalen over de toekomst, als een waarzegger die speurt naar voortekenen. Je verdiept je in de dagelijkse beslommeringen in Noord-Syrië en de diplomatie van het Midden-Oosten, of je probeert de houding van de Russen te doorgronden, en de geheime intenties van de Verenigde Staten. Zal het allemaal weer leiden tot een onoplosbare crisis, weer een nieuwe oorlog in de regio? Je probeert je voor te stellen hoe het verstikkende totalitarisme in je land een giftige atmosfeer creëert: over zes maanden. Over een jaar. Over vijf jaar.

Je blijft telkens hetzelfde gedachte-experiment herhalen: je stelt je voor dat je over zes maanden weer terug bent in je thuisstad. De volgende ochtend word je wakker en lees je vreselijk nieuws, nog veel erger dan dat van zes maanden geleden. Nieuws dat een catastrofe aankondigt: een oorlogsverklaring, of een terroristische aanslag, of een nieuwe serie arrestaties. Dingen die de levens op straat zullen veranderen, op de universiteiten: echte dingen. Wat zou je denken? Een terugblik op je tijd in Europa zal eruitzien als een gemiste kans. Waarom deed je niet beter je best om daar te blijven? Je had zo ver weg kunnen zijn. Je had op dat moment in een rustige straat kunnen wandelen, in de illusie dat er niets van betekenis was gebeurd (een val waar iedere banneling gemakkelijk in kan trappen).

Maar zo simpel is het niet. Want de andere mogelijkheid, niet teruggaan, de ballingschap verkiezen, of sterker: ensceneren, is uiteindelijk ook geen oplossing. In zo’n scenario ben je weliswaar ver van de catastrofe, maar je wordt wakker en je bent onmiddellijk op de hoogte, min of meer zoals je alter ego. Maar nu word je geplaagd door depressieve gevoelens. Je tuurt een uurtje naar dezelfde websites, stuurt berichten aan je vrienden in Turkije en besluit tenslotte maar naar buiten te gaan, in de hoop dat je misselijkheid over gaat. Je gaat de kalme Noord-Europese straat op. Dat geeft een beetje opluchting, maar al snel merk je dat je eigen veiligheid gepaard gaat met een afstandelijke houding, een afstand in tijd en ruimte van de plek waar je je bevindt. En terwijl je bijna gehypnotiseerd door de straten loopt, opgeslokt in die verre maar zeer werkelijke catastrofe, realiseer je je plotseling dat de twee of drie mensen die je op straat bent tegengekomen mogelijk helemaal niet op de hoogte zijn van de catastrofe. Terwijl jij niet kunt ophouden te denken aan je geliefden (of je alter ego) die zo dichtbij het gevaar zijn, lijken de mensen om je heen volledig op te gaan in hun eigen bestaan, net zoals jij toen Aleppo in de as werd gelegd. Het is alsof een nieuwe dimensie zich opent: een parallelle wereld, een ander soort vagevuur misschien, waar je zonder het te merken in verzeild bent geraakt.

*

Misschien komen we zo een stapje dichterbij de kern van de zaak: misschien is banneling zijn bovenal een kwestie van verschillende dimensies, een zaak van parallelle werelden. Maar wat betekent dat precies? In zekere zin is de realiteit, het ‘nu’ waar we in leven, altijd multidimensionaal, vol met parallelle werelden (dat betekent dat de tijd niet alleen een tuin is van gevorkte paden, maar zelfs meerdere tuinen omvat). Maar in de dagelijkse chaos van het leven merken we de verschillende dimensies niet op, en voelen we ons onderling verbonden in een gedeelde wereld. Maar op het moment dat je alleen bent met je catastrofe worden de verschillende dimensies voelbaar. Er ontstaat een breuk tussen jouw dimensie en die van anderen. Denk maar eens aan het pasgetrouwde meisje dat gisteren haar eerste klappen kreeg van haar echtgenoot. Je komt elkaar tegen op straat: vreemdelingen die langs elkaar lopen, kijkt elkaar vluchtig aan en dan… loop je verder. Dit alles gebeurt in dezelfde straat van dezelfde buurt in dezelfde stad. Toch deel je, vanuit het perspectief van de vrouw, niet dezelfde wereld; je behoort niet tot dezelfde dimensie.

Op basis van dit inzicht waag je je aan een overpeinzing. Mogelijk is ballingschap het alleen-zijn in een catastrofe. Misschien is het de plaats waar zich een breuk tussen de dimensies opent. En mogelijk is dat een specifieke eigenschap van de ballingschap, dat je hoewel je misschien helemaal niet bezig bent met de catastrofe, toch een breuk voelt, zodat de catastrofe gemakkelijk binnenkomt en de werelden uiteenrijt. Ballingschap is misschien een permanente staat van uitzondering in je individuele wereld.

En misschien zeg je wel: mij lukt het wel om de breuk te overbruggen. Een manier om dat te doen is door haar te minimaliseren, zodat het gevoel van afstand verzacht wordt en het gevoel van vervreemding verlicht. Je kan proberen jezelf uit de vreemde dimensie te tillen door identificatie met het land waarin je leeft. Door het te beschouwen als een nieuw thuis. Maar nog los van de vraag of je wel geaccepteerd wordt in het nieuwe land, lijkt me dat een moeilijke opgave: het betekent dat je probeert om één van de mensen te worden die over de kalme Europese straat loopt terwijl je land (nu je ex-land) in vlammen opgaat. Dat vergt nogal een transformatie, een gestalt-switch, waardoor je je gehele persoonlijke narratief moet heroverwegen, je herinneringen moet herstructureren en een nieuwe definitie voor jezelf moet vinden.

*

In zijn schitterende essay over literatuur en ballingschap (www.thenation.com/article/literature-and-exile) stelt de Chileense schrijver Roberto Bolaño een tweede, hoopgevender variant voor. Voor de schrijver in ballingschap, en alleen voor de schrijver, is de kwestie van dimensies een pseudokwestie, zegt hij. Het is een product van een wereldbeeld dat berust op ideeën als nationaliteit en een vaderland. ‘Boeken zijn het enige vaderland van een schrijver,’ zegt Bolaño, ‘boeken die in de kast staan of in ons geheugen’. De schrijver, of liever: de ‘ware’ schrijver, is iemand die is belast met een bijna etherisch, spiritueel bestaan dat haar losweekt van alle fysieke verbindingen. Voor hem bestaan er uiteindelijk slechts twee dimensies: de wereld van de natiestaten, territoria, gemeenschappen en catastrofes, en aan de andere kant de wereld van de boeken. De schrijver is degene die kiest voor de laatste.

Het is moeilijk om Bolaño’s oplossing niet te waarderen. Maar het is ook moeilijk om zeker te weten of iedere schrijver kan zijn zoals de schrijver die hij zich voorstelt. Het probleem is namelijk dat een schrijver is uiteindelijk iemand is die zich beweegt tussen dimensies, die probeert te laten zien waar ze samen komen, waar ze elkaar benaderen – maar ook hoe ze plotseling kunnen botsen en uiteenlopen. Met andere woorden: een schrijver is iemand die probeert gevoelig te zijn voor de veelzijdigheid van de menselijke ervaring, voor de breukvlakken tussen werelden en voor de opgave die het is om je van de ene naar de andere wereld te begeven. Het is moeilijk te geloven dat een ‘echte’ schrijver (zoals Bolaño zelf) dat doet door enkel in een wereld van boeken te leven. Ik kan me geen schrijver voorstellen die niet op de een of andere manier balling is.

Mogelijk is er een derde weg: om de breukvlakken tussen dimensies open te laten en af te wachten wat ze voortbrengen. Om te hopen dat er uiteindelijk ook iets waardevols uit tevoorschijn kan komen. Dat ligt in lijn met de positieve kwaliteiten die Edward Saïd in Reflections on Exile and Other Essays (2012) blootlegt: een pluraliteit van zienswijzen, het besef van de gelijktijdige dimensies (‘hier’ en ‘daar’) – een contrapuntische sensitiviteit. Uiteraard behelst zo’n sensitiviteit een permanente staat van ongemak: ‘Ballingschap is nooit een staat van voldoening, vreedzaamheid of zekerheid. Ballingschap is, in de woorden van Wallace Stevens, een “geest in de winter”’.

*

Dat is allemaal mooi. Maar misschien wordt het tijd om jezelf eraan te herinneren dat ballingschap niet jouw realiteit is. Tenminste nog niet. Al deze gedachten zijn het product van een gedachte-experiment, van je fantasie. Misschien zullen geen van deze dingen gebeuren en zal de toekomst zich ontvouwen langs het best mogelijke scenario: je gaat terug naar je land en je blijft hopen en vechten. Verschrikkelijke dingen zullen blijven gebeuren, hier en daar, zoals ze dat in het verre en niet-zo-verre verleden altijd hebben gedaan. Maar jij en je geliefden en je medeburgers zullen ze op de één of andere manier overleven. Je blijft leven in je vaderland, zonder de extra psychologische last van het in ballingschap verkeren; zonder vragen over of je nog welkom bent, zonder onverschillige mensen op straat, zonder een geest in de winter te worden.

En toch weet je dat er zelfs in het meest optimistische scenario iets zal zijn dat je voor altijd heeft veranderd. Een jaar in het buitenland maakt je geen banneling. Maar je beseft wel dat de rest van je leven na deze ervaring zal worden geleefd in de schaduw van een alternatief leven, met alle werkelijke en ingebeelde problemen, met alle dimensies en breukvlakken. En wellicht begeef je je dan al op nieuw terrein – het terrein van de ballingschap.


Uit het Engels vertaald door Arthur Eaton