Istanbul (Istanbul), door wolkenkrabbers verkracht
🖋 Tan Tunali


Wie zich vandaag de dag aan een stedentripje naar Istanbul waagt, raakt niet alleen overweldigd door haar prachtige ligging aan de Bosporus, haar historische en culturele rijkdom of de smaakvolle keuken. Sinds enige tijd zijn – vaak door hijskranen en stoffige bouwplaatsen geflankeerde – wolkenkrabbers net zo onlosmakelijk verbonden met het straatbeeld van de stad. Tijdens een stadswandeling vergezellen ze je als silhouetten die haast nooit uit beeld zijn. Soms verschijnen ze in de verte aan de horizon, dan weer komen ze plotseling om de hoek kijken, opdoemend boven een door auto’s bevolkt tapijt van grijs beton. Door Tan Tunali


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Burhan Sönmez, Istanbul, Istanbul (vert. René van Veen) (Orlando 2018), 270 blz.

Essay uit dNBg 2019#3

Waar komen ze vandaan? En wat hebben ze met de stad gedaan? Net als voor veel ontwikkelingen in het huidige Turkije is de staatsgreep van 1980 een bruikbaar startpunt in de zoektocht naar een antwoord op de eerste vraag. In de nacht van 12 september greep generaal Kenan Evren de macht. In de jaren voorafgaand aan die coup kwamen meer dan vijfduizend mensen om het leven bij straatgeweld tussen rechts-nationalistische groeperingen en linkse fracties. Met de belofte de orde te herstellen riep Evren zichzelf uit tot president van de republiek.

Het bleek een belofte met grove consequenties. Het schrikbewind dat op de staatsgreep volgde zou jarenlang nadreunen. De coup van 1980 kostte honderden mensen het leven. Er vonden vijftig executies plaats en honderden anderen vonden de dood in de gevangenissen waar gedurende de junta honderdduizenden mensen gemarteld werden. Vele anderen ontvluchtten het land om eenzelfde lot te ontlopen. Bovendien maakte de coup het politieke en culturele leven met de grond gelijk. Jarenlang was het verboden om  culturele verenigingen of politieke organisaties op te zetten.

Het was niet de eerste keer dat het machtige leger ingreep in Turkije. In de twee voorgaande decennia had het ook al twee keer eerder een zittende regering uit de macht ontheven. Nadat het in 1950 voor het eerst vrije verkiezingen had toegestaan, zegden Evrens collega’s ook in 1960 en 1971 democratisch verkozen regeringen vanuit de barakken de wacht aan. Ervaring met autoritair beleid is in Turkije dan ook niet van vandaag of gisteren – in tegenstelling tot wat je uit de nieuwsvoorziening van veel media zou kunnen opmaken, met hun enorme fixatie op president Erdoğan en zijn islamitische wortels.

De machtsovername in 1980 had ook belangrijke consequenties op beleidsniveau. Turgut Özal, voor de coup reeds ondersecretaris van premier Süleyman Demirel, kwam als minister van economische zaken in de regering-Evren en zou later de premier en president worden die de Turkse economie ingrijpend hervormde. Sinds de oprichting van de republiek in 1923 voerde Turkije een isolationistisch economisch- en buitenlandbeleid. Vanaf de jaren vijftig had het zich geleidelijk in westerse allianties als de NAVO en verschillende Europese instituties genesteld. Economisch voerde het een beleid van importsubstitutie. Met de opkomst van het door Thatcher en Reagan gepropageerde neoliberalisme ging ook in Turkije het roer om. Özal liberaliseerde de economie met als doel de export en buitenlandse investeringen aan te wakkeren. Je zou kunnen zeggen dat de coup met de economische hervormingen die Özal erna doorvoerde indirect de weg voor de wolkenkrabbers heeft vrijgemaakt. De Turkse economie is vandaag de dag voor een belangrijk deel afhankelijk van buitenlands kapitaal.

Transformatie
Het was zo’n twee jaar na de coup toen Burhan Sönmez zijn eerste voetstappen zette in Istanbul. In een stuk voor The Guardian beschrijft hij zijn aankomst op het Haydarpaşa-station na een nachtelijke treinrit vanuit zijn geboortestreek. Sönmez wordt over de marmeren trappen van het majestueuze station direct getrokken naar de Bosporus en de oude stad die door de mist aan de horizon opdoemt. ‘We schrijven over Istanbul in de hoop dat haar schoonheid onze toekomst vormgeeft’, stelt Sönmez in de Britse krant. Inmiddels komen er op het historische Haydarpaşa-station geen treinen meer aan. Nadat het dak in 2010 vlam vatte, zongen er plannen rond het tot een hotel om te bouwen, maar die lijken voorlopig van de baan. Als hij nu op de trappen van het lege gebouw zou staan, dan zou hij drie illegaal gebouwde wolkenkrabbers aan de horizon achter het Topkapıpaleis zien opdoemen.

Mijn vader is van dezelfde generatie als Sönmez. Toen hij in de jaren vijftig in het vissersdorpje Sarıyer nabij de Zwarte Zee geboren werd kende Istanbul zo’n twee miljoen inwoners. Zijn vader, die op jonge leeftijd was gemigreerd uit de oostelijke stad Gaziantep, was de vaker wel dan niet beschonken uitbater van allerhande cafeetjes en barretjes en sleepte zijn familie van de ene buurt naar de andere. Als één van zijn zaken failliet ging, of als zich ergens  een andere kans aandiende, vertrok hij, met zijn gezin in zijn kielzog. Uiteindelijk bracht mijn vader het grootste deel van zijn jeugd door in Beyoğlu, het mondaine centrum van de stad dat van oudsher in contact staat met West-Europa, onder meer via de vestiging van talrijke diplomatieke vertegenwoordigingen.

Het huis van mijn familie stond in een achterstraat, waaromheen de aparthotels de afgelopen jaren als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. Net als in tal van andere delen van de stad is ook Beyoğlu ten prooi gevallen aan nieuwbouwprojecten die erop gericht zijn om  snelle winst te maken. De stad uit de jeugd van mijn vader is vandaag een uitgestrekte metropool, waarvan het geschatte inwonertal uiteenloopt van 15 tot 18 miljoen. Satellietfoto’s van enkele decennia terug laten een groene vlakte zien, met slechts aan de oevers van de Bosporus hier en daar wat bebouwing. Op actuele satellietfoto’s heeft het grijs het groen opgeslokt. Slechts richting de Zwarte Zee in het noorden zijn nog wat groene plukjes te vinden, maar ook die zijn door de bouw van de derde brug, het nieuwe vliegveld en de stedelijke ontwikkeling daaromheen, op weg om uitgegumd te worden.

In 2013 toog ik zelf, toevallig vlak voor de start van de Geziparkprotesten, naar Istanbul. Enkele maanden later bezocht ik in Beyoğlu een expositie met werken van de kunstenaar Burhan Kum. De galerie bevond zich precies tussen het aan het Gezipark gelegen Taksimplein en het ouderlijk huis van mijn familie. Kum is een oude vriend van mijn vader, die vanuit Nederland was terugverhuisd naar zijn vaderland om in de bergen aan de Middellandse Zeekust te werken en van zijn oude dag te genieten. Kum leidt ons rond bij zijn eigen tentoonstelling. In de hal lopen we direct tegen een portret van Mohammed Bouyeri aan. Kum heeft hem met impressionistische penseelstreken geportretteerd, als ware het een schilderij van Vincent van Gogh. De achterkleinzoon van Vincents broer Theo werd door de man op het doek op klaarlichte dag in de straten van Amsterdam afgeslacht.

De moord op Theo van Gogh was een zeldzaam moment van geweld in ons vredige kikkerlandje. Niemand ontkwam aan de politieke consequenties ervan. We moesten ons tot de moord verhouden, en daarmee ook tot alle medeburgers die hetzelfde deden. In een stad als Istanbul zijn zulke momenten aan de orde van de dag. Er is simpelweg geen ontkomen aan, zegt Sönmez in een interview in Istanbul afgelopen najaar. ‘Je kan hier niet zeggen: ik ben apolitiek. Het overvalt je gewoon. Als er een terreurdaad is gepleegd, hangt iedereen een Turkse vlag uit het raam. Als je dat niet doet krijg je de buren op je dak.’

Ik ervoer deze in your face-politiek toen ik ten tijde van de Geziparkprotesten stage liep op de culturele afdeling van het Nederlandse consulaat. De om de hoek uitgebarsten protesten dwongen ons verschillende culturele evenementen af te blazen of aan te passen. Voor mijn collega’s in diplomatieke dienst ging dat niet van harte, maar de traangaswolken waarmee de politie de demonstranten uiteen probeerde te drijven hadden weinig achting voor de metershoge poort van het consulaat en verstierden de feestjes in de tuin dusdanig dat hen geen andere keus restte dan de champagne even in de ijskast te laten staan.

Dan zien we het meest prominente werk van de expositie. Een schilderij waarin de Bosporus in lichtblauw naar de Zwarte Zee meandert. Drie bruggen – de controversiële derde brug over de Bosporus was destijds in aanbouw – steken in het roze af tegen het blauwe water. De eveneens roze oevers stromen over van meer onpersoonlijke, onheilspellende bebouwing. En dan, op de voorgrond, wordt een vrouw op haar knieën van achteren verkracht. Een handlanger van de verkrachter houdt haar ene arm in bedwang, haar andere arm hangt aan een strop in de lucht. Het beeld, waarin de verkrachting van de vrouw als metafoor dient voor wat er de afgelopen jaren met de stad is gebeurd, laat niets aan de verbeelding over.

Zo’n ‘verkrachting van de stad’, waartegen de demonstranten in het Gezipark in 2013 de straat opgingen, kan alleen plaatsvinden als de sloopkogel door een autoritair bewind in de rug wordt gesteund. Dat is in Istanbul dan ook het geval. Nepotistische netwerken hebben van de stad een wingewest gemaakt, waarin de grond, lucht en zelfs het water ter beschikking staan van de heersende klasse. In dit geval zijn dat de ‘Partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling’, beter bekend als de AKP van president Erdoğan en diens handlangers.

Terwijl ik dit stuk schrijf, is diezelfde heersende macht in Turkije al weken bezig de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen in Istanbul in diskrediet te brengen. Volgens de officieuze uitslag verloor de AKP het bestuur van de centrale stad tijdens de verkiezingen eind maart aan oppositiekandidaat Ekrem Imamoğlu. Maar omdat de winstmarge slechts enkele duizenden stemmen bedraagt, vraagt de AKP continu hertellingen aan om het proces te traineren en de legitimiteit van Imamoğlu in twijfel te trekken. Een verlies van Istanbul kan, naast de symbolische betekenis, verstrekkende consequenties hebben voor de macht van AKP. Het verlies erkennen zou gelijk staan aan de kip met de gouden eieren slachten. Bovendien was het president Recep Tayyip Erdoğan, zelf oud-burgemeester van Istanbul, die keer op keer zei: ‘Degene die Istanbul verliest, verliest ook Turkije.’

Verlies van de stad, geweld, repressie: het zijn allemaal thema’s die terugkomen in de zware, maar tegelijkertijd humoristische roman Istanbul, Istanbul van Burhan Sönmez. Verschillende generaties die het juk van autoritaire machthebbers hebben gedragen kunnen er hun pijn in herkennen, maar er ook kracht in vinden om zich opnieuw op te richten.

Istanbul, Istanbul
Een gevangeniscomplex onder Istanbul vormt het decor waarin celgenoten Demirtay de student, Kamo de barbier, de dokter en oom Küleyhan een beroep op hun fantasie moeten doen om de stad tot leven te brengen. Via hun fantasiewereld, opgewekt door hun verlangen naar de stad, is zij niettemin net zo present in het boek als de harde werkelijkheid van hun cel van twee vierkante meter.

De vier delen, naast de cel, ook hun status als politieke gevangene en de martelingen die ze moeten ondergaan. Ze ondersteunen elkaar mentaal en fysiek en vertellen verhalen om de pijn te verlichten. Hun moedige oefening in verzet spreidt zich in het boek uit over tien dagen. Ieder hoofdstuk een verhaal.

Hoe zwaar de werkelijkheid in de gevangenis ook is – de gevangenen worden gemarteld tot de dood hen nadert – het boek is tegelijkertijd licht van toon. Gewelddadige martelscènes bestaan naast parabels, raadsels en komische verhalen. Zo stellen de gevangenen zich voor te ontsnappen als de walvisvaarders van Moby Dick en vragen ze zich af hoe Filiz Hanım tegelijkertijd de vrouw, dochter, zus en tante van Jean Bey kan zijn.

De voortrekker van de fantasie is oom Küleyhan. Als hij op de tweede dag een trek van zijn imaginaire sigaret of een slok van zijn thee neemt, hebben niet al zijn celgenoten diezelfde geestestoestand die hen weg kan voeren uit de cel. Naarmate het boek vordert, slagen ze er echter steeds beter in hun verhalen tot leven te wekken. Zozeer dat fantasie en werkelijkheid steeds verder in elkaar overlopen. Uiteindelijk nemen ze alle vier plaats aan tafel. Daarop wacht hen een heus feestmaal, inclusief rakı, mezze en vers gevangen vis.

Maar het is niet altijd feest. Onder invloed van de martelingen en ontberingen ontdekken de gevangenen de diepste krochten van hun ziel. Oom Küleyhan gelooft in de goedheid van de mens, maar Kamo de barbier, verlaten door zijn vrouw, heeft een donkerder kijk op het leven. Terwijl hij wordt gemarteld, bijt hij zijn folteraars lachend woorden van bewondering toe: ‘Ik heb oprecht respect voor jullie (…) jullie zijn precies degenen die jullie lijken.’ De dokter worstelt met de vraag of hij zijn geheim onder druk van de martelingen heeft verteld.

De tijd in het boek is onbepaald: verleden, heden en toekomst lopen door elkaar. Het verleden wordt weliswaar geromantiseerd, maar al haar vruchten worden zonder achting of respect terzijde geschoven. De stadstransformatie, waarin ‘wolkenkrabbers als messen’ de horizon sluiten, ontneemt Istanbul zijn authenticiteit en de mensen hun levensvreugde. Het zorgt voor een uitzichtloze toekomst. In de woorden van Demirtay: ‘hoe kan een nieuwe toekomst zich aandienen als heel Istanbul onder de wonden zit?’ De veranderingen van vandaag volgen elkaar zo snel op dat de mensen simpelweg de tijd niet krijgen aan ze te wennen.

Het Istanbul uit de verhalen vertoont opmerkelijk veel overeenkomsten met de werkelijkheid in de cel. Ook daar woedt de strijd om brood en vrijheid. Sönmez draagt de verschoppelingen van de samenleving, die hij laat figureren in de verhalen van de gevangenen, duidelijk een warm hart toe. Met de littekens van het leven in hun ziel gekerfd proberen ze zich een weg te banen door de betonnen jungle. En ook daar vinden ze verlichting in poëzie en verhalen.

Demirtay de student, Kamo de barbier, de dokter en oom Küleyhan hebben niets anders om zich aan vast te klampen dan hun verhalen, waarin Sönmez knap toont hoe gelaagd en gefragmenteerd het menselijke bestaan is. Mooi en lelijk, hoopvol en hopeloos tegelijk. Uiteindelijk is Istanbul, Istanbul vanwege de lichtheid die de verhalenvertellers weten op te wekken vooral een roman over de kracht van de menselijke verbeelding. Bij de vier celgenoten is die ijzersterk en levensecht.

Burhan Sönmez

Voordat we echt met het interview beginnen moet er eerst een brandje worden geblust. Uw journalist van dienst is zijn telefoon in een taxi vergeten en Sönmez heeft een lijntje met de chauffeur, die het laatstgekozen nummer uit de telefoon belt. ‘Ik zit hier naast de eigenaar van de telefoon. Druk maar op het gaspedaal en kom naar Pera, we betalen wat de taximeter aangeeft.’

Plaats van handeling is Beyoğlu, het centrum van de stad waar Sönmez in de jaren tachtig als tiener naar toe kwam. Destijds verliet hij zijn Koerdische dorp in het oosten van het land om rechten te studeren aan de Universiteit van Istanbul. Het stadsdeel brengt herinneringen bij hem naar boven aan de tijd dat hij er als student en later als advocaat talloze demonstraties bijwoonde. Sönmez zat zelf gevangen, werd gemarteld en verloor collega’s bij politiek geweld. De behoefte om de pijn van toen en nu te vergelijken voelt hij niet. ‘De pijn van iedere generatie is anders. En iedere generatie heeft zijn pijn. Er zijn in dit land niet tien- maar honderdduizenden mensen gemarteld, dat zijn alledaagse verhalen,’ aldus Sönmez, die daarmee vooral doelt op de periode na de coup van 1980.

Sönmez geeft continu, schijnbaar intuïtief, een positieve draai aan de zware kost die generatie op generatie voor zijn kiezen kreeg: ‘De slechtheid mag dan van generatie op generatie worden doorgegeven, ook de weerstand daartegen en het vermogen om schoonheid te creëren geven we door.’ Als tegenwicht voor politieke lelijkheid ziet Sönmez zijn taak als schrijver om iets moois te creëren en schoonheid door te geven, zoals zijn karakters aan elkaar doen in Istanbul, Istanbul. ‘Als we naar een mooi lied luisteren, een mooie film bekijken of een mooi boek lezen geeft het ons hoop te leven. Het laat zien dat het leven niet voorbij is, dat het niet door slechtheid is overgenomen.’

Het stadsdeel is ook nauw verbonden met Sömnez’ tweede verhuizing naar de stad. Voor de behandeling van ernstig hersenletsel, dat hij in 1996 opliep toen hij door de Turkse veiligheidsdienst op straat werd aangevallen, week hij uit naar Engeland, waar hij tien jaar in ballingschap verbleef. Tijdens de Geziparkprotesten in de zomer van 2013 besloot hij definitief terug te keren. ‘Ik had aanvankelijk het plan om de helft van het jaar in Turkije te verblijven en de andere helft van het jaar in Engeland, maar toen ik de politieke situatie in Turkije steeds verder zag verslechteren, begreep ik hoe belangrijk het is voor mensen zoals ik om hier te zijn.’

Met ‘mensen zoals ik’ bedoelt Sömnez intellectuelen die zich kritisch durven uit te spreken. In een tijd waarin veel intellectuelen het land vanwege de politieke druk verlaten, nam Sönmez de beslissing terug te keren vol overgave. Hij is strijdbaar en positief ingesteld. Niet alleen vanwege zijn ervaringen in het verleden (waardoor hij de politieke repressie van vandaag relativeert), maar ook uit noodzaak. Tijdens zijn ballingschap begreep hij hoe zwaar het is gedwongen van huis te zijn. ‘Het is als het vallen van het balkon. Ik ben er al een keer vanaf gevallen en ik weet hoe het voelt. Ik wil dat niet nog een keer meemaken. Als ik nog een keer in het buitenland leef, wil ik dat met een gerust hart, vanuit mijn eigen overtuiging doen.’

Sönmez nipt aan zijn kruidenthee die uit een hippe theepot met compressor komt. Gezien de presentatie van zoiets simpels als thee en de inrichting van het café – met lp’s aan de wand en cactussen in bamboepotjes – hadden we ons evengoed in Londen kunnen bevinden. De setting illustreert daarmee een ander belangrijk thema van Istanbul, Istanbul, namelijk de transformatie van Istanbul. Volgens Sönmez is die van alle tijden: ‘Toen ik voor het eerst naar Istanbul kwam, zei iedereen al: “Wat is er van Istanbul geworden, vroeger was het zo veel mooier.” Toen zei ik: waar heeft iedereen het over, Istanbul is nu toch ook heel mooi? En als ik nu zeg dat het slecht gaat met Istanbul zien veel jongeren dat ook anders.’

Sönmez heeft de ingrijpende veranderingen van de stad van dichtbij meegemaakt. Toen hij als aspirant-student in de jaren tachtig arriveerde, was het nog altijd de relatief groene stad van de satellietfoto’s. Nu moet hij vaak naar adem happen, letterlijk en figuurlijk. ‘Omdat al het kapitaal hiernaartoe stroomt, wordt het een proeftuin, met steeds nieuwe wegen, gebouwen, wolkenkrabbers, winkelcentra.’ Hoe lang kan dat nog kan doorgaan, vraagt hij zich peinzend af.

Het was voor Sönmez, net als voor alle schrijvers in Turkije, onontkoombaar om over Istanbul te schrijven. Nadat hij zijn eerste roman publiceerde kreeg hij de vraag wanneer hij nu eindelijk een boek over Istanbul ging schrijven tot vervelens aan toe. ‘De Fransen hebben een gezegde,’ zegt hij. ‘“Schrijvers worden in de provincie geboren en sterven in Parijs.” In Turkije is het met Istanbul net zo. We worden allemaal ergens geboren, maar het lot brengt ons naar Istanbul. Als kleine riviertjes die allemaal naar dezelfde zee stromen. En als je er eenmaal bent geweest laat de stad je niet meer los. In plaats van proberen eraan te ontkomen besloot ik me eraan over te geven en erin te verdwalen.’
De taxichauffeur belt. ‘Bent u er? (…) Ja, hij komt er nu aan. Een knappe, bescheiden jongeman, kan niet missen.’ Zelf zet Sönmez pas richting het onlangs om de hoek geopende literatuurhuis, waar hij spreekt over zijn nieuwe roman Labyrint, die later dit jaar in het Nederlands zal verschijnen.