De catastrofale behoeftes van het bekentenissenbeest
Arnon Grunberg


Deze maand verscheen Bekentenissen van het vlees, het langverwachte vierde deel van Foucaults Geschiedenis van de seksualiteit. Naar aanleiding daarvan vroegen we vier kenners om in te gaan op Foucaults werk, elk vanuit hun eigen expertise. Schrijver en columnist Arnon Grunberg is gefascineerd door Foucaults gedachte dat de mens een ‘bekentenissenbeest’ is, dat zichzelf constant onderwerpt aan verbaal zelfonderzoek naar de eigen seksualiteit. Wat is het vieze geheimpje van de mensheid, waar dit beest niet over kan ophouden te spreken?

Op 26 februari organiseert dNBg in samenwerking met Spui25 en Boom Uitgevers een programma rond de verschijning van Bekentenissen van het vlees, met o.a. Marli Huijer en vertaler Jeanne Holierhoek. Toegang is gratis.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dNBg 2020#1

‘De taal van de psychiatrie,’ schrijft Michel Foucault in Geschiedenis van de waanzin, ‘is een monoloog van de rede over de waanzin.’ Een monoloog die op ‘zwijgen’ is gebouwd, omdat tegen het eind van de achttiende eeuw de dialoog is verbroken, zo stelt hij. Wat de waanzinnige te vertellen heeft is onbegrijpelijk voor degene die zich nog in de redelijkheid van de rede bevindt en die ‘de arts op de waanzin afstuurt’.

Volgens Foucault is de taal van de seksualiteit op zijn beurt de aseksuele monoloog van het ‘bekentenissenbeest’, dat zoveel te bekennen heeft dat hij oren moet inhuren om naar hem te luisteren. In het recentelijk door Jeanne Holierhoek vertaalde eerste deel van Geschiedenis van de seksualiteit, waarin de mens als ‘bekentenissenbeest’ getypeerd wordt, concludeert Foucault dat de wil tot weten het wezenlijke is van de seksualiteit en van het discours daarover, voor zover die twee van elkaar gescheiden kunnen worden. Hij ontmaskert de gedachte dat het vrijuit spreken over seks iets subversiefs zou zijn, en toont aan dat de instituten vanaf de achttiende eeuw ons voortdurend dwingen tot verbaal seksueel zelfonderzoek.

Michel Foucault, Bekentenissen van het vlees. Geschiedenis van de seksualiteit IV (vert. Jeanne Holierhoek) (Boom 2018), 424 blz.
Adam Phillips, Going Sane (Penguin 2006), 256 blz.

Of zijn interpretatie van de geschiedenis altijd nauwkeurig is, daarover lopen de meningen uiteen. Zeker is dat het bekentenissenbeest als een westers cultuurproduct alomtegenwoordig is. Zo is de gedachte dat spreken over onze eigen pijn genezend zou zijn een nogal onomstreden dogma.

Pijn is nog geen seksualiteit, maar de ander dwingen om te bekennen heeft wel een erotische en sadomasochistische kant. En de bekentenis is nooit volledig. Er komt altijd meer duisternis aan. Net als in het kerkelijke tijdperk zit ook in het therapeutische tijdperk een economische kant aan dat bekennen, dat de oren gehuurd moeten worden zegt genoeg. Menselijke seksualiteit, het is een van de verdiensten van Foucault dat hij ons daar met genoegen op wijst, is niet zozeer een daad als wel een idee.

Het is het grote project van Foucault om de normen die voortkomen uit de rede en de redelijkheid, of daaruit lijken voort te komen, te bevragen, om aan te tonen dat die normen onredelijkheid in zich dragen, al was het maar omdat ze het product zijn van waarheids- en machtsspelen. Waaraan moet worden toegevoegd dat Foucault benadrukt dat macht alle kanten opwerkt. Wie beweert dat deze wereld bestaat uit machtigen en machtelozen geeft subtiel aan bij welke groep hij zelf denkt te horen en oefent alleen al daardoor macht uit. Het jonge, afhankelijke kind bijvoorbeeld heeft wel degelijk macht over zijn ouders. Mishandeling begint als ouders de macht van het machteloze kind met harde hand proberen te breken.

***
In zijn boek Going Sane denkt psychoanalyticus Adam Phillips verder na over seksualiteit als een ideeën- en normenverzameling, zonder dat hij naar Foucault verwijst, misschien zelfs zonder dat hij Foucault gelezen heeft. In het hoofdstuk ‘Sane Sex’ – we moeten ‘sane’ hier begrijpen als ‘gezond’, maar ook als ‘verstandig’ en ‘redelijk’ – schrijft Phillips over het werk dat het kost om verlangen begeerlijk te houden. Om het verlangen voort te zetten. De manier waarop wij over seks spreken doet namelijk vermoeden dat seks ook iets is waarvan wij ons willen bevrijden. Phillips meent dat wat ons voortdrijft wordt waargenomen als iets positiefs – vaak duiden we het aan met het woord passie –, maar zodra die passie omslaat in verslaving gaan wij haar vrezen. Wat ons voortdrijft is dus ook datgene wat ons bedreigt.

Gezondheid en verstandigheid zijn volgens Phillips misschien de brug tussen het overleven en het reproduceren aan de ene kant en het verlangen goed te zijn aan de andere. Het catastrofale aan het menselijk bestaan is dat onze behoeftes catastrofaal zijn, omdat om te beginnen ‘ouders en kinderen meer van elkaar willen dan goed voor hen is’. Omdat wij meer van onszelf willen dan goed voor ons is.

Als menselijke seksualiteit pervers is, dan is dat omdat wij allemaal kinderen zijn geweest en kind-zijn per definitie ‘traumatisch is omdat elk kind intense primitieve gevoelens ervaart, gecombineerd met een absolute afhankelijkheid’. De menselijke seksualiteit is vervolgens ‘de plek waar het kind kan domineren waar hij eens gedomineerd werd’.

Phillips noteert dat alle verhalen over de waanzin van de liefde (niet alleen de westerse cultuur zit vol met dat soort verhalen) gaan over ‘onmogelijke conflicten’, maar niet in de zin van onmogelijke keuzes. Denk aan Romeo en Julia: moet ik loyaal zijn aan mijn geliefde of aan mijn familie? Het onmogelijke zit in het besef dat er weinig meer te kiezen valt als seksualiteit eenmaal in het spel is. Rationele overwegingen spelen dan geen rol meer. Wie wel eens goed verliefd is geweest zal dit herkennen. Zeker, seksualiteit en verliefdheid zijn niet noodzakelijkerwijs identiek, maar je kunt zeggen dat alle seksualiteit het risico van de waanzin in zich draagt. Hiermee is uiteraard niet gezegd dat men slechts een weerloos slachtoffer is van zijn driften. De waanzin moet niet begrepen worden als een excuus.

Seksualiteit is dus tegelijkertijd iets waarvan wij af zouden willen en een vorm van traumaverwerking. De primitieve gevoelens en fantasieën die daarbij een rol spelen maken het onmogelijk ons verlangen goed te zijn te combineren met de vleselijke lust. Nergens wordt het conflict tussen onze behoeftes en ons verlangen goed te zijn meer op de spits gedreven dan in de seksualiteit. Vermoedelijk dat juist daarom de seksualiteit het decor is van wat Foucault ‘waarheidsspelen’ noemt.

Wanneer Foucault over seksualiteit als de ‘wil om te weten’ spreekt, gaat het ook om de wil om te weten hoe wij die conflicterende behoeftes met elkaar kunnen verenigen zonder eraan onderdoor te gaan. Zowel Foucault als Phillips stelt dat de catastrofale menselijke conditie een gegeven is, niet werkelijk te overwinnen door middel van maatschappelijke veranderingen of zelfinzicht. Of de monogamie nu wordt afgezworen of halfslachtig wordt geïmplementeerd – fantaseren over vreemdgaan mag – het conflict tussen de eisen die wij onszelf stellen en de behoeftes die wij hebben, blijft bestaan.

Het verhaal van gezondheid of verstandigheid, schrijft Phillips dan ook, wordt verteld door de overlevenden. Het niet ten onder gaan aan onze innerlijke conflicten, dat is uiteindelijk wat gezondheid is, waaruit wij niet de conclusie moeten trekken dat het de normen zijn waarvan wij ons moeten bevrijden. Wij moeten ons bevrijden van de gedachte dat het conflict kan worden opgelost.

***
Net als in de kunst of in de religie ensceneren wij ook in onze seksualiteit oerconflicten, precies om niet aan die conflicten te bezwijken. Dat deze enscenering ook tot voortplanting kan leiden mag illustratief zijn voor de gedachte dat het trauma er niet is om overwonnen maar om voortgezet te worden. Dat is het vieze geheimpje van de menselijke conditie. De mens berijdt zijn trauma zoals de ruiter zijn paard. Net als in de rijsport gaat het ook hier wel eens mis.

Het getemde trauma is wat de mens voortdrijft, pure angst voor de dood is niet afdoende om de dikwijls groteske ambities van mensen te verklaren. En het is precies de catastrofale menselijke conditie, die ons anders dan de overige dieren heeft verleid om goden te maken, om goden te breken, om met goden te concurreren en uiteindelijk om goden te willen zijn.

Foucault ziet in het bekentenissenbeest een politieke lading, hij bekent opdat hij beter ingedeeld en gecontroleerd kan worden. Je kunt het bekentenissenbeest ook religieus en mystiek begrijpen: het bekentenissenbeest bekent dat hij geen god is maar dat wel wil zijn. Vanuit het perspectief van de goden zijn wij mensen op deze wereld om de goden te vermaken met onze verhalen en onze levens, die voor hen niet van elkaar te scheiden zijn en voor ons soms ook niet, en waarin de seksualiteit en de waanzin onmisbare specerijen zijn.

Deze bijdrage is een bewerking van een voordracht die Arnon Grunberg 26 oktober 2019 hield tijdens Brainwash Festival.