Het HipHopHuis en de Cultuurnota 2021-2024: Cultuur voor iedereen?
Caterine Baeten

Het HipHopHuis en de Cultuurnota 2021-2024: Cultuur voor iedereen? | Caterine Baeten


Dat het Rotterdamse HipHopHuis een plek kreeg in de Basisinfrastructuur (BIS) is een unicum voor een organisatie met wortels in de hiphopcultuur. Er is werk aan de winkel voor de voortrekkers van het HipHopHuis, Aruna Vermeulen, Leal van Herwaarden en Sheree Lenting. Caterine Baeten sprak met hen over het ingewikkelde veld van landelijke en stedelijke cultuurnota’s en de uiteenlopende opvattingen over hiphopcultuur en urban arts in Nederland.


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Dit essay verscheen in 2021#2.

Een jaar geleden ontspon zich een stevig cultureel en bestuurlijk debat over het advies van de Raad voor Cultuur voor de Cultuurnota 2021-2024. In de berichtgeving zoomde de discussie al snel in op de vermeende tegenstelling tussen twee heel verschillende Rotterdamse instellingen, het HipHopHuis en Scapino Ballet, de eerste winnaar in het advies, de ander verliezer.

Inmiddels kunnen we constateren dat de soep niet zo heet gegeten wordt als minister Ingrid van Engelshoven haar op leek te zullen dienen.
Inmiddels kunnen we constateren dat de soep – mede dankzij de berichtgeving en verscheidene interventies, waaronder die van de stad Rotterdam zelf – niet zo heet gegeten wordt als minister Ingrid van Engelshoven haar op leek te zullen dienen: beide instellingen hebben tot en met 2024 een plaats in de culturele Basisinfrastructuur (BIS). Met de hielen net over de drempel van 2021 is het een goed moment om met de makers van het HipHopHuis in gesprek te gaan over het ingewikkelde veld van landelijke en stedelijke cultuurnota’s, de publieke opinie, de verwachtingen met betrekking tot ondernemings-, diversiteits- en beloningsbeleid – maar vooral over hoe in Nederland wordt gekeken naar hiphopcultuur en hoe zij hun eigen rol zien.

Positieve adviezen

Dat het Rotterdamse HipHopHuis voor de periode 2021-2024 een plek heeft verworven in de culturele Basisinfrastructuur (BIS) is een unicum voor een organisatie met wortels in de hiphopcultuur. Het is in lijn met het vernieuwde cultuurbeleid van minister Van Engelshoven. Door in te zetten op verjonging en culturele diversiteit hoopt de overheid een breder cultureel publieksbereik te bevorderen: ‘Het HipHopHuis heeft zich in de afgelopen periode bewezen als verbinder en aanjager binnen de urban sector als geheel’, schrijft de Raad voor Cultuur in zijn advies. Ook prijst de Raad het HipHopHuis voor de ontwikkeling van nieuwe urban makers en community leaders – en voor het vakmanschap van zijn medewerkers. Binnen de BIS is ruimte gemaakt voor vijftien organisaties die specifiek zijn gericht op het faciliteren en ontwikkelen van talentvolle of innovatieve makers. De BIS neemt het HipHopHuis op als een ontwikkelingsinstelling en kent de organisatie een subsidie toe van €307.988.

Daarnaast kreeg het HipHopHuis van de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur (RKKC) – die de organisatie in 2007 al in het Cultuurplan van de stad opnam – een positief advies met een ondersteuning van €800.000.

Het opnemen van urban arts-organisaties in de BIS zien de betrokkenen als noodzakelijk. Je vraagt je haast af: zou dit het kantelpunt zijn naar erkenning van urban arts als volwaardige kunstvorm? Ondanks de twee positieve adviezen voor het HipHopHuis willen directeur en oprichter Aruna Vermeulen, programmamaker Leal van Herwaarden en choreograaf Sheree Lenting nog niet te hard juichen. Zij zien in de culturele infrastructuur behalve stimulering ook patronen die de ontwikkeling van de urban arts blijven belemmeren.

Hiphop en ‘urban arts’

New York is de bakermat van de hiphopcultuur. De beweging ontstond eind jaren zeventig in The Bronx, Queens en Brooklyn. Jongeren beschreven hun leven in de Amerikaanse getto’s in muziek (rap en dj-ing), dans (breakdance) en beeldende kunst (graffiti/streetart) – de vier basiselementen van de hiphopcultuur. Al heel vroeg, begin jaren tachtig, waaide die cultuur over naar Nederland, om ook hier uit te groeien tot een grote en levendige subcultuur.

Het opnemen van urban arts-organisaties in de BIS zien de betrokkenen als noodzakelijk. Zou dit het kantelpunt zijn naar erkenning van urban arts als volwaardige kunstvorm?
‘Urban’ geldt als algemene aanduiding voor vormen van stedelijke jongerencultuur. De term – die momenteel ter discussie staat – is in gebruik geraakt als aanduiding voor populaire culturele stromingen die met een min of meer coherente poëtica uitwaaieren over muziek (bijvoorbeeld hiphop), kunst (streetart), mode (streetwear) en sport. Deze cultuurvormen ontwikkelen zich buiten het traditionele kunstveld en kennen hun eigen regels.

Inmiddels wordt urban en hiphop beschouwd als de meest invloedrijke en snelst groeiende culturele stroming. Streamingdiensten als Spotify en SoundCloud hebben door hiphop de afgelopen jaren een enorme boost gekregen. Onderzoeken naar online muziekconsumptie wijzen inderdaad uit dat het wereldwijd de meest beluisterde genres zijn. Die populariteit is ook terug te zien in de actieve kunstbeoefening. Bijna elke dansschool biedt lessen urban dance, breakdance of hiphop aan. Hoewel de urban arts niet meer weg te denken zijn uit het kunstenlandschap, kregen ze tot voor kort geen ruimte in het cultuurbeleid. Daar komt nu dus verandering in. In de BIS 2021-2024 worden de urban arts vertegenwoordigd door het jeugddansgezelschap AYA (categorie podiumkunsten) en Emoves, DOX en het HipHopHuis (ontwikkelinstellingen).

Lange tijd was de omvang en populariteit van urban arts niet terug te zien in het Nederlandse cultuurbeleid. Hoe komt dat, denken jullie? En vanwaar nu toch de erkenning?

[Leal van Herwaarden] ‘Veel mensen die verantwoordelijk zijn voor de verdeling van subsidiegelden, zijn niet opgegroeid met urban arts. Hiphop is voor hen onbekend terrein en geniet niet hun voorkeur. Om te begrijpen welke invloed dit heeft, neem ik het voorbeeld van hiphopmuzikanten. Zij waren vroeger erg afhankelijk van gatekeepers bij platenmaatschappijen. Door de komst van streamingplatforms kunnen zij nu zelf hun werk verspreiden en promoten. Dat heeft bijgedragen aan de enorme groei en populariteit van het genre.

Doordat urban arts populair zijn, voelt men in de culturele sector nu de druk om er iets mee te doen. Dat is een positieve ontwikkeling. Steden als Rotterdam zijn jong en divers. Het percentage in de cultuurplannen voor genres die zich voornamelijk op dat publiek richten, is klein. Het is goed dat er meer balans komt; we betalen per slot van rekening allemaal belasting. Voor het HipHopHuis was dit het juiste moment om een BIS-aanvraag te doen. De termen urban, diversiteit, inclusiviteit en jongeren zijn nu allemaal super trending, maar we zitten allang in het Rotterdamse cultuurplan en zijn de afgelopen jaren vooral gegroeid omdat we een publiek aanspreken dat te weinig bediend wordt.’

[Aruna Vermeulen] ‘We hebben nu inderdaad een aardig budget, maar eerlijk gezegd hadden we tien jaar geleden al op dit punt moeten zijn. De economische crisis, een recessie: er was altijd wel een reden om ons niet verder te laten ontwikkelen. De shift in het culturele veld is dat de meerstemmigheid, dus meer uiteenlopende expertise en mensen van kleur, in beoordelingscommissies is toegenomen. Dat zorgt per definitie voor zorgvuldiger, meer representatieve beoordelingen. Dankzij onze lange adem hebben we die stap nu toch kunnen maken.’

Each one teach one

In 2002 begon het HipHopHuis als een samenwerking tussen de Rotterdamse breakdancegemeenschap en het Centrum voor de Kunsten van Rotterdam (SKVR). Oprichters Bennie Semil, Lloyd Marengo en Aruna Vermeulen wilden een thuisbasis creëren voor hiphopliefhebbers en een plek voor kennisoverdracht, ontmoeting en uitwisseling. Hun project groeide uit tot een zelfstandige, volwassen organisatie, met meer dan 100.000 bezoekers in 2019.

De termen urban, diversiteit, inclusiviteit en jongeren zijn nu allemaal super trending, maar we zitten allang in het Rotterdamse cultuurplan en zijn de afgelopen jaren vooral gegroeid omdat we een publiek aanspreken dat te weinig bediend wordt.

Het HipHopHuis is meer dan een dansschool. Er worden uitwisselingen, evenementen en masterclasses met internationale docenten georganiseerd. Ook is er een leiderschapsprogramma, waarin urban arts-makers vaardigheden opdoen, zoals het verbeteren van het eigen ondernemerschap. Voor zijn activiteiten zoekt het HipHopHuis nadrukkelijk de samenwerking met andere organisaties. Zo ontwikkelde de instelling vorig jaar samen met de Kunsthal de expositie ‘Street Dreams: How Hiphop took over Fashion’.

Jonge makers krijgen er via een waaier aan programma’s de mogelijkheid zich verder te ontwikkelen. Organisatorisch talent krijgt binnen de organisatie zelf een kans. Voor veel bezoekers is het HipHopHuis een springplank naar een professionele toekomst binnen de urban arts. Zo ook voor choreograaf Sheree Lenting (33), die als tiener lessen begon te volgen en nu werkzaam is als dansdocent en choreograaf:

[Sheree Lenting] ‘In het HipHopHuis vond ik een plek waar men bezig was met dans die aansloot bij mijn identiteit. Ook leerde ik daar dat je van dans je beroep kon maken, iets wat ik vanuit thuis niet meekreeg. Each one teach one, dat is een gevleugelde uitspraak in de hiphop, die betekent dat je kennis overdraagt aan een ander, een nieuwe generatie. Daar heb ik ontzettend van geprofiteerd. Onder de vleugels van mentoren werd ik overal mee naartoe genomen. Hetzelfde doe ik nu bij mijn eigen leerlingen, als ik zie dat ze meer willen.’

Twee jaar geleden produceerde Lenting haar eerste dansfilm, en onlangs ontving haar onderzoek naar de relatie tussen hiphop en West-Afrikaanse dans een toekenning. Het HipHopHuis was daarbij van doorslaggevend belang: ‘Zij boden mij coaching, mentorschap en begeleiding, bijvoorbeeld bij subsidieaanvragen.’

Van de vijftien ontwikkelingsplekken in de BIS zijn er drie toegewezen aan urban arts-instellingen. En één organisatie valt in de categorie podiumkunsten. In hoeverre is dit een afspiegeling van de urban arts-scene?

[LvH] Wij zijn natuurlijk blij met de toekenning, maar laten we niet doen alsof urban arts de grote winnaar is. Je moet naar het volledige plaatje kijken. Van het totale podiumkunstenbudget gaat er een half procent naar urban arts – dat zijn kruimels. In de BIS zitten organisaties die in hun eentje meer krijgen dan alle landelijke urbanorganisaties gezamenlijk. Als je kijkt naar de omvang van urban arts in Nederland is het aantal urban arts-instellingen in de BIS absoluut niet representatief.’

[AV] ‘Er verandert weinig in de manier waarop de sector omgaat met urban arts. Mondjesmaat verandert er iets omdat de focus ligt op het bereiken van andere doelgroepen. De sleutel naar die groepen is vaak urban. In de uitgangspuntennota voor het cultuurbeleid in Rotterdam wordt heel veel gesproken over inclusie en diversiteit. Urban wordt gebruikt om de tekortkomingen in de sector op te lossen. Het bereiken van nieuwe doelgroepen is een kans, maar het wordt wel vooral gezien als een instrumentele kans. Ik mis inhoudelijke visie. Als kunstvorm krijgt de urban arts nog niet de waardering die het zou moeten krijgen.

In de BIS wordt een andere argumentatie gebruikt om het HipHopHuis subsidie toe te kennen. Het uitgangspunt is om ruimte te maken voor nieuwe genres. Ze weten dat ze weinig kennis hebben van urban arts, maar maken ruimte omdat ze zien dat het belangrijk is.’

In hoeverre is het imago van hiphop een drempel voor de verdere ontwikkeling van het HipHopHuis en de urban arts?

[AV] ‘De waardering voor hiphop in het cultureel bestel ontstaat vaak pas als uitingen plaatsvinden in een setting die de traditionele kunsten past – bijvoorbeeld een optreden met een symfonieorkest. Vaak denkt men ons een compliment te doen met een opmerking in de trant van: “het was geweldig, het leek bijna moderne dans.” Dat is blijkbaar wat mensen als de norm zien. Ze zien niet dat hiphop op zichzelf waardevol is.’
Urban wordt gebruikt om de tekortkomingen in de sector op te lossen. Het bereiken van nieuwe doelgroepen is een kans, maar het wordt wel vooral gezien als een instrumentele kans.
[LvH] ‘Soms heb ik discussies met theaterdirecteuren over of hiphop in het theater hoort. Ik zie theater als een plek waarin de normen en waarden gelden van de kunstvorm die op dat moment vertoond wordt. Als dat moderne dans is, dan gelden de regels die daarbij horen. Wanneer het hiphop is, gelden de regels die daarbij horen. Ik merk vaak dat de definitie van wat theater is, door de ander al is ingekleurd. Men vindt dat hiphop nog moet professionaliseren, dat het te plat is, of niet abstract genoeg. Deze benadering belemmert de ontwikkeling van onze kunstvormen. Het zijn namelijk ook deze mensen die bij fondsen beslissingen maken. Zij projecteren artistieke waarden over wat kunst volgens hen moet zijn op een kunstdiscipline waar ze geen experts in zijn.’

[SL] ‘Als er gepraat wordt over dansstijlen met techniek, dan noemt men klassiek ballet of jazz. Van hiphop denken mensen onterecht dat het geen techniek heeft. Alle dansen hebben techniek. Wanneer ik vertel dat ik danser ben, wordt er vaak meteen gezegd: ‘Hiphop zeker.’ Ze weten niet dat ik een palet aan dans heb gedaan, en dus ook klassiek geschoold ben. Over hiphop wordt nog steeds heel clichématig gedacht, misschien wel omdat veel mensen van kleur zich ertoe aangetrokken voelen.’

[AV] ‘Bij de bespreking van het Cultuurplanadvies in de Rotterdamse gemeenteraad stelde de wethouder voor het subsidiebedrag voor het HipHopHuis te verlagen. Als argument gebruikte hij het feit dat wij geld krijgen vanuit de BIS. Dat voelde naar, hij had ons ook kunnen steunen. Als de wethouder gevraagd werd wat hij vond van de BIS-uitslagen, sprak hij vooral teleurstelling uit over het feit dat het Scapino Ballet zijn subsidie dreigde te verliezen. Er werden weinig woorden gewijd aan het feit dat het HipHopHuis en popcentrum Worm wel in de BIS zitten, en hoe verrijkend dat is voor de stad. Dat zegt ook iets over hoe er nog naar urban wordt gekeken.’

Zowel in de BIS als in het Rotterdamse Cultuurplan wordt het HipHopHuis in de categorie talentontwikkeling geplaatst. Er wordt weinig gesproken over urban arts als kunstdiscipline.

[LvH] ‘Als er gesproken wordt over urban en hiphop gaat het per definitie over amateurkunst. Ook in de context van talentontwikkeling. Professionele kunst wordt uitgelegd als iets waar een opleiding voor moet worden gevolgd. Maar hoe zit het dan met kunstdisciplines waar geen opleiding voor is? Urban wordt vaak weggestopt als iets kleins, voor in de wijken. En daarom zou het geen aanspraak kunnen maken op gelden die zijn geoormerkt voor professionele kunstdisciplines.’

[AV] ‘Uiteraard is talentonwikkeling bij ons belangrijk, maar ik staar me niet blind op die termen. Dat schreef ik ook in de aanvraag: “Het maakt ons niet uit in welke categorie we geplaatst worden, of welke termen jullie gebruiken. Dit is wat we gaan doen, en we doen wel of niet mee.“ We zijn opgevoed en opgeleid om ons te verhouden tot de status quo. Dat is vermoeiend. Ik probeer daarom steeds beter te benoemen wat onze methodiek is, en dat te beschouwen als de norm.’

‘Het HipHopHuis draagt vooral bij aan de vernieuwing van de samenleving als geheel’, schrijft de Raad voor Cultuur in zijn adviesrapport. Ook in het advies van de RRKC wordt de nadruk gelegd op de maatschappelijke rol van het HipHopHuis in de samenleving als bruggenbouwer en verbinder. Er zijn mensen die beargumenteren dat kunstsubsidies hier niet voor zijn bedoeld.

Het HipHopHuis is begonnen vanuit het kunstperspectief, de vier basiselementen van hiphop. Daarna werden de culturele values, de sociaalmaatschappelijke waarden dus, belangrijk.
[LvH] ‘Wij denken niet in die kaders. Het HipHopHuis is begonnen vanuit het kunstperspectief, de vier basiselementen van hiphop. Daarna werden de culturele values, de sociaalmaatschappelijke waarden dus, belangrijk. Enkele jaren geleden lieten we onderzoek doen onder leerlingen naar wat ze uit het HipHopHuis halen. De meeste antwoorden waren in de trant van “ik ben zelfverzekerder geworden,” en dus niet “Ik ben een betere danser geworden.” Het sociaalmaatschappelijke zit in the culture, maar ook in de kunstvorm. Het zijn communicerende vaten.’

Kenmerkend voor hiphop is dat het vrij is, zich niet in hokjes laat stoppen. Hoe bewegen jullie je in een veld met dominante opvattingen over wat kunst is, disciplines, de kwaliteit van kunst en de scheidslijn tussen hoge en lage kunst?

[LvH] ‘Het HipHopHuis is hybride: aan de ene kant zijn we een organisatie met eigen normen, waarden, visie en cultuur; aan de andere kant opereren we in het culturele landschap en de subsidiewereld. Om daaraan mee te doen, moet je je conformeren aan hoe dat werkt. Dat is soms ingewikkeld.

Denk bijvoorbeeld aan de term urban, die voornamelijk door beleidsmakers wordt gebruikt om allerlei cultuurvormen op een hoop te gooien. Als gemeenschap hebben wij die term niet omarmd. Sterker nog: in de gemeenschap is er veel discussie over, omdat het onze ontwikkeling belemmert.

De BIS maakt een onderverdeling in verschillende disciplines, zoals dans, muziek, theater en letteren. Binnen de urban arts bestaan al die disciplines afzonderlijk. Het kleine percentage uit de subsidiepot dat naar urban gaat, moet over al die disciplines verdeeld worden. Sommigen in de scene denken dat we sneller tot de BIS toe hadden kunnen treden als die groepering niet had bestaan, en we afzonderlijk zouden zijn beoordeeld. Het komt ook voor dat je ergens een subsidieaanvraag doet en je het antwoord krijgt: “We hebben al een urbanproject.” Dat is natuurlijk raar, want een muzikant doet iets heel anders dan een spoken word-artiest.’

In het Rotterdamse cultuurbeleid worden samenwerkingen tussen organisaties erg gestimuleerd. Een terugkerend bezwaar vanuit urbaninstellingen en grassrootsorganisaties is dat gelijkwaardigheid in die samenwerkingen ontbreekt. In hoeverre geldt dat (nog) voor het HipHopHuis?

[AV] ‘Dat is niet veranderd. Dat is niet alleen omdat we grassroots zijn, maar ook door hoe mensen aankijken tegen het genre hiphop. De samenwerking met de Kunsthal heeft ons gevalideerd. In artisticiteit en bestaansrecht hebben wij ons gepositioneerd bij een groep mensen die ons anders niet ziet staan. Dat is kwalijk. In de culturele infrastructuur in Rotterdam wordt er nog heel erg beredeneerd vanuit de kunsten, artisticiteit en kwaliteitsnormen die gelden bij grote instituten. Kleine organisaties moeten zich daartoe verhouden. Dat resulteert in ongezonde machtsverhoudingen, omdat kleine organisaties zich niet kunnen meten met de grote instellingen. Daar wordt niet naar geluisterd.’

Dat het HipHopHuis nu een landelijke subsidie krijgt is geweldig, maar uiteindelijk gaat het om de ontwikkeling van de hele scene. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om die naar een hoger plan te tillen.
De toetreding tot het landelijk cultuurbestel geeft het HipHopHuis een unieke positie in de urbanscene. Welke verantwoordelijkheden brengt dat met zich mee? Hoe zien jullie je eigen bijdrage aan de emancipatie van de culturele infrastructuur voor urban arts?

[AV] ‘Een van de dingen die we met beide handen aangrijpen is de toepassing van de Fair Practice Code. Ook in de urban arts worden mensen onderbetaald. Toen we nog een kleinere speler waren, deden we vaak een beroep op de vrijwilligheid van mensen. Nu kan dat gewoon niet meer. Het HipHopHuis moet mede bepalen wat de norm is binnen onze sector en hoe we mensen waarderen. We zullen de komende jaren gebruiken om onze personele basis te versterken. Daarnaast zullen we ons meer gaan verdiepen in beleidszaken en professionalisering. Denk bijvoorbeeld aan de cao’s: er is een groot verschil tussen de cao Kunsteducatie en de cao Nederlandse Podia. Dat is niet alleen voor ons, maar voor meer mensen in de urban arts belangrijk.

Organisaties worden regelmatig bij fondsen afgewezen met het argument dat er al iets wordt gedaan met urban. Dat is vaak het HipHopHuis. Ik kan me voorstellen dat andere organisaties zich daaraan ergeren, want ook zij hebben bestaansrecht. Maar wij kunnen er niets aan doen dat de gemeente ons op die manier wil gebruiken. Wat wij wel doen, is de gemeente er steeds op wijzen dat we niet kunnen bestaan zonder een florerende sector.’

[LvH] ‘Dat het HipHopHuis nu een landelijke subsidie krijgt is geweldig, maar uiteindelijk gaat het om de ontwikkeling van de hele scene. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid om die naar een hoger plan te tillen. Hierin trekken wij nu de kar. Als de culturele Basisinfrastructuur voor een andere organisatie had gekozen, hadden we dat ook gevierd. Het is nog steeds winst voor the culture.

[AV] ‘Het HipHopHuis zit sinds 2007 in het Rotterdamse Cultuurplan. Het is daarom niet raar dat we meer subsidie krijgen dan organisaties die voor het eerst meedoen. Hopelijk maken zij een snellere groeicurve door. Wij willen daaraan bijdragen door de programma’s die we doen, waarvoor we nadrukkelijk onze collega’s uit het circuit uitnodigen.’

[LvH] ‘Een aantal aanvragen voor het Cultuurplan in Rotterdam komt van mensen die wij in onze programma’s hebben gevoed met kennis en kunde over het aanvragen van subsidies. So, we are creating our own competition. Ook dat is hiphop.’