Geerten Waling aan Rob Hartmans, 26 maart 2018 (brief #2)

Ieder nummer kruisen Rob Hartmans en Geerten Waling de epistolaire degens over een boek dat nu eens door de een, dan weer door de ander wordt uitgekozen. Dit keer was het de beurt aan Hartmans om Waling de handschoen toe te werpen. Hun discussies beginnen steeds op papier, en woeden gedurende de maand voort op de site van de Boekengids. Lees de hele correspondentie hier. Door Geerten Waling


* Abonnees lezen meer. Neem ook een abonnement! *


Essay uit dBNg 2018#2


Waarde Rob,

Dank voor je prikkelende brief. Het citeren van oude schrijvers mag dan gemakzuchtig zijn, maar hen niet citeren is misschien nog wel gemakzuchtiger. Toch is dat nu de mode. Wie interesseert zich nog werkelijk voor de schrijfsels van Voltaire, Constant, Locke of Hobbes, laat staan voor fossielen als Polybios of Cicero? Pochen met belezenheid vinden Nederlanders een potsierlijke, zelfs nare eigenschap. Om dezelfde reden verzwijgen scholieren hun hoge cijfers en plegen volwassenen hun carrièresuccessen te relativeren. Bescheidenheid is een deugd, maar de maaiveldmentaliteit leidt er ook toe
dat we ons nauwelijks nog tot het verleden wenden voor inspiratie. Waar de schrijvers van de Declaration of Independence (1776) en van de Bataafse Staatsregeling (1798) nog zonder schaamte lessen trokken uit de werken van Hugo de Groot en John Locke, het Plakkaat van Verlatinghe en zelfs de denkers uit de klassieke oudheid – daar zou ik me anno 2018 geen verdragstekst of grondwetswijziging meer kunnen voorstellen (of herinneren) die openlijk put uit de diepe en rijke bron van de intellectuele geschiedenis.

Wat dat betreft geef ik je al meteen gelijk, m’n beste Rob: het verleden is geen foreign country en de frase die daarop volgde – ‘they do things differently there’ – geldt ook maar in zeer beperkte mate. Dit liet L.P. Hartley een personage in The Go-Between (1953), de roman die met die zin opent, ook duidelijk maken, als ik het me goed herinner. We moeten vooral dat ‘things’ niet onbepaald opvatten: sommige dingen deed men anders. Zoals de inwoners van een vreemd land vele vreemde gebruiken kunnen hebben, maar, voor wie daar langsheen kan kijken, toch vooral universele menselijke trekjes vertonen, voortgedreven als zij zijn door hun lusten, angsten, emoties en nieuwsgierigheid.

Desalniettemin domineert l’histoire pour l’histoire, de antiquarische interesse in de geschiedenis zonder tastbare betrekking op het heden. Het 
zegt misschien iets over ons navelstaarderige tijdsgewricht. Lessen trekken uit het verleden – evenals trouwens het cultiveren van een visie op de toekomst – wordt effectief tegengewerkt door kleingeestige beslommeringen van de korte termijn, die de samenleving gevangenhouden in het heden. Gelukkig bieden de vertaalde wijsheden van Francesco Guicciardini ons weer wat meer houvast om de mens te begrijpen.

Zijn Ricordi zijn afwisselend sterk tijdgebonden en dan weer ogenschijnlijk tijdloos van aard. Zo hebben wij vandaag de dag weinig aan de tips die de Florentijn geeft voor oorlogsvoering of aan zijn bespiegelingen over het Huis van de Medici. Andere adviezen, zoals hoe om te gaan met geld, wraakgevoelens of angst, overstijgen de context van de zestiende eeuw en zijn nog steeds leerzaam. Weliswaar zullen ideeënhistorici van de school van J.G.A. Pocock en Quentin Skinner tegenwerpen dat al dit soort teksten plaats- en tijdgebonden zijn en alleen in die context mogen worden begrepen, maar ik durf toch te stellen dat woorden ook eeuwen later nog gelezen, begrepen en op waarde geschat kunnen worden. Zeker als ze betrekking hebben op menselijke gevoelens, verlangens en daden.

De Ricordi zijn veelal aforismen, maar door die stelligheid soms ook tegenstrijdig. Wordt de lezer in ricordo 46 aangeraden op de vlucht te slaan zodra een alleenheerser de macht grijpt, volgens nummer 220 moeten ‘rechtgeaarde burgers’ juist met despoten samenwerken – om zo de schade van het schrikbewind te beperken. Wat moeten we nou doen? De tegenstrijdigheid verhoogt het risico dat we in het boek gaan winkelen naar uitspraken die ons het beste uitkomen.

Jij introduceerde Guicciardini aan de hand van zijn afkeer van ‘voorbeelden’, omdat niet de logica maar de empirie ons kompas moet zijn. Elders in het boek stelt hij: ‘Alles wat in het verleden was, en wat nu is, zal er ook in de toekomst zijn. Maar de benamingen en het uiterlijk van de dingen zijn zozeer aan verandering onderhevig dat alleen iemand met een scherpe blik ze herkent, en uit wat hij waarneemt lering kan trekken of zich een oordeel vormen.’ (nr. 76) Weer die discrezione, die scherpe blik – maar hier toch met een duidelijke aandacht voor continuïteiten en voor de mogelijkheid om lessen te trekken uit het verleden. Hoe moeten we dat nu lezen? Ik zou zeggen dat een nuchtere logica van groot belang is om uit de empirie zinnige conclusies te kunnen trekken.

En dat brengt me dan eindelijk bij het fascisme. Vergelijkingen tussen hedendaagse politici en totalitaire leiders uit de vorige eeuw zijn voor mij niet ‘taboe’, zoals je suggereert. Maar juist het boek van onze Florentijn sterkt me 
in de gedachte dat je vergelijkingen niet lichtzinnig moet maken. Allereerst is duidelijkheid nodig omtrent de reden van de vergelijking: willen we politieke stoorzenders en hun onwenselijke denkbeelden afschilderen als een gevaar? Dan is een vergelijking beslist een sluwe strategie, maar intellectueel is zij hol. Willen we, als rechtschapen historici, begrijpen wat we om ons heen zien gebeuren? Ook dan is een blik op de totalitaire verleidingen van het fascisme, nazisme en – niet te vergeten – het communisme best mogelijk. Alleen mag die blik niet eenzijdig zijn.

De selectie zelf is al een duidelijk signaal. Er zijn immers zoveel historische perioden die voor vergelijking in aanmerking komen: de opstand van de Patriotten in de jaren 1780 bijvoorbeeld, of die in de jaren 1960. Beide richtten hun pijlen op een regentenkliek, of zo je wilt, een ‘partijkartel’. Maar goed,
 wie dan toch kiest voor die politiek uiterst gevoelige vergelijking met het interbellum, die moet wel eerlijk zijn. Het Nederland van Wilders en Baudet, evenmin als het Amerika van Trump, heeft zich nog nooit door een intern doorleefd totalitarisme laten corrumperen. Een minderheid was (en is) er 
zeker vatbaar voor, maar die minderheid is nergens zonder omstandigheden vergelijkbaar met de Eerste Wereldoorlog, de beurskrach en de machtsgrepen van Hitler, Mussolini en Stalin. Bovendien stelt de huidige situatie gerust: Nederlanders hebben meer dan ooit vertrouwen in de democratie, we hebben een goed functionerende rechtsstaat, onze instituties zijn stabiel en ook van een totalitaire dreiging (anders dan het jihadisme) is geen sprake. Wat blijft er dan over van dat schrikbeeld van de jaren dertig?

Daarmee zeg ik niet dat er niets aan de hand is, of dat we zorgeloos achterover moeten leunen. Je zorgen over de terugkeer van het crisisdenken deel ik. Zelfs de overeenkomsten met het interbellum zijn niet te ontkennen, zoals Guido
 van Hengel die treffend laat zien. Alleen zou voor mij de vergelijking van zijn ‘zieners’ met hedendaagse intellectuelen niet ophouden bij de neo-spenglerianen. Een nuchtere realiteitszin is over de hele linie ver te zoeken, zoals blijkt uit de hysterische reacties van academici op Trump, Brexit en andere uitkomsten van democratische processen.

Laat het verleden gerust waarschuwen, graag zelfs. Maar dan wel via het
werk van historici met een nuchtere, scherpe blik. Discrezione als opdracht. Vergelijkingen met het fascisme zijn daarbij zelden verhelderend en des te vaker tendentieus. Om nog eenmaal Guicciardini aan het woord te laten: ‘Als je niet over vergelijkbare kwaliteiten beschikt, is die vergelijking evenzeer misplaatst als verwachten dat een ezel kan rennen als een paard.’ (nr. 110)

Hartelijks, Geerten

(lees hier de voorgaande brief van Rob Hartmans)